# Cursus CV-ketels: volledige tekst > Gratis online cursus voor de cv-ketel monteur in het Nederlands. Bron: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/ > Licentie: GPLv3. Deze cursus geeft geen erkend diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO. ## Module 1: Het vak, de wet en het CO-stelsel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/het-vak-de-wet-en-het-co-stelsel/ Wat het vak inhoudt, welke wetten en certificeringen gelden, en hoe je werkt met wet, norm en fabrikantvoorschrift. Dit is de basis van bevoegd en veilig werken aan gasverbrandingstoestellen. Werken aan gasverbrandingstoestellen is in Nederland sinds 1 april 2023 alleen toegestaan voor gecertificeerde bedrijven en monteurs. Dat is geen papierwerk: het stelsel is ingevoerd omdat er jaarlijks mensen overlijden aan koolmonoxide, vaak door installaties die op het oog in orde waren. Deze module legt uit hoe dat stelsel in elkaar zit, wat jij als monteur mag en moet, hoe het examen Vakmanschap CO werkt en wat je doet als je een onveilige situatie aantreft. Alles in deze module is nagelopen bij wetteksten, certificatieschema's en de officiële examenstukken. **Na deze module kun je:** - Uitleggen welke wettelijke eisen gelden voor werk aan gasverbrandingstoestellen - De profielen, het examen en de verlenging van Vakmanschap CO beschrijven - Het verschil tussen persoonlijke en bedrijfscertificering uitleggen - Bij strijdige informatie bepalen welke bron voorgaat - Vastleggen en handelen bij een onveilige situatie - De belangrijkste risico's op een werklocatie herkennen en beperken ### Les 1.1: Wat een cv-monteur doet en waarom dit vak levens redt URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/wat-een-cv-monteur-doet-en-waarom-dit-vak-levens-redt/ **Leerdoel:** Je kunt beschrijven wat het werk van een cv-monteur inhoudt en waarom CO-veiligheid de kern van het vak is. #### Wat je doet als cv-monteur Een cv-monteur werkt aan gebouwgebonden gasverbrandingstoestellen: cv-ketels, maar ook geisers, gasboilers en gaskachels, samen met de luchttoevoer en de rookgasafvoer die erbij horen. De wet noemt vier soorten werk: **installeren, repareren, onderhouden, en in bedrijf stellen en vrijgeven** voor gebruik. Wie een van die vier doet, moet in Nederland gecertificeerd zijn. Hoe dat precies werkt, leer je in de volgende lessen. Binnen het vak zijn twee hoofdrichtingen. Ze bepalen ook de profielen van het examen Vakmanschap CO: | Richting | Wat je vooral doet | |---|---| | Service en onderhoud | Toestellen controleren en onderhouden, beproeven en in bedrijf stellen, storingen oplossen, eigen werk controleren | | Werktuigkundige installatie | Nieuwe toestellen installeren, componenten aansluiten, de rookgasafvoer aanleggen, beproeven en in bedrijf stellen | Een eerste monteur doet daar meer bij: werk van anderen controleren en, bij installatie, ontwerpen en berekenen, of bij service, gasinstallaties beheren en onderhouden. Een zzp'er kiest altijd een eerste-monteurprofiel, omdat een zzp'er eindverantwoordelijk is. #### Waarom dit vak ertoe doet Een cv-ketel is geen risicoloos apparaat. Als de verbranding onvolledig is of de afvoer niet in orde, ontstaat koolmonoxide (CO). CO hecht zich aan het hemoglobine in het bloed, ruim 200 keer sterker dan zuurstof, waardoor je organen zuurstofgebrek krijgen. Hoeveel mensen daaraan overlijden hangt af van wie je vraagt en wat er wordt geteld: | Bron | Wat wordt geteld | Uitkomst | |---|---|---| | Onderzoeksraad voor Veiligheid (2015) | CO uit alle bronnen | Minstens 5 tot 10 doden per jaar, de werkelijke omvang is 3 tot 5 keer zo groot | | RIVM (naar OvV 2015) | Acute CO-vergiftiging | Ongeveer 10 doden en bijna 200 ziekenhuisopnamen per jaar | | Kiwa Technology voor Netbeheer Nederland | Aardgasongevallen achter de meter, met letsel | 2015 tot 2024: 1 tot 4 doden per jaar, gemiddeld 1,7 | | TloKB, jaarverslag 2025 | Meldingen van certificaathouders bij CO boven 20 ppm | 106 meldingen in 2025, waarvan 23 met levensbedreigende waarden | De cijfers verschillen omdat de definities verschillen: de ene bron telt alle CO-bronnen (ook kachels en barbecues), de andere alleen ongevallen met een gasinstallatie. Noem daarom bij een cijfer altijd de bron en wat er is geteld. > **Onderhoud alleen beschermt niet** > De Onderzoeksraad concludeerde in 2015 dat de meeste CO-ongevallen met een cv-installatie gebeurden met moderne en goed onderhouden installaties. Periodiek onderhoud bood geen afdoende bescherming, en de CO-melder werkte niet altijd. Een ketel die goed brandt is dus nog geen veilige installatie: je moet het geheel beoordelen, en dat aantoonbaar. #### Wat er in de praktijk misgaat Sinds 2023 melden certificaathouders (bijna-)ongevallen. In 2025 waren dat er 106, op ruim 2,5 miljoen afgemelde werkzaamheden: ongeveer 1 melding per 24.000 werkzaamheden. Het gaat dus meestal goed. Als het misgaat, was de oorzaak in 2025 het vaakst: - de **rookgasafvoer** (35 meldingen) - een algemeen defect aan het toestel (24) - een lek in de warmtewisselaar (14) De afvoer staat bovenaan. Daarom besteedt deze cursus een hele module aan rookgasafvoer en luchttoevoer (module 8), en daarom kijk je bij elk toestel ook naar wat eromheen zit. Het aantal CO-incidenten lijkt sinds 2015 ongeveer gehalveerd, maar de registratie blijft versnipperd en onvolledig. De cijfers hierboven zijn dus geen exacte telling. #### Jouw verantwoordelijkheid Als jij een toestel in bedrijf stelt, draag jij (namens het gecertificeerde bedrijf) de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de **gehele** installatie, ook als een ander het toestel heeft geplaatst. Dat is de kern van het vak: niet alleen het toestel aan de praat krijgen, maar kunnen aantonen dat de installatie veilig is. **Controleer jezelf:** - Ik kan de vier certificaatplichtige werkzaamheden opnoemen - Ik kan uitleggen waarom onderhoud alleen geen bescherming tegen CO is - Ik noem bij een CO-cijfer altijd de bron en wat er is geteld - Ik weet dat ik bij inbedrijfstelling verantwoordelijk ben voor de hele installatie ### Les 1.2: De wet: wie mag wat aan een gasverbrandingstoestel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-wet-wie-mag-wat-aan-een-gasverbrandingstoestel/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen welke wettelijke eisen gelden voor werk aan gasverbrandingstoestellen en welke werkzaamheden onder de certificeringsplicht vallen. #### De "Gasketelwet" bestaat niet Iedereen zegt "de Gasketelwet", maar een wet met die titel is er niet. Het is een bijnaam voor het **CO-stelsel**: een samenhangend geheel van een wet, een algemene maatregel van bestuur, ministeriële regelingen en certificatieschema's. Kijk je de stukken na, dan zie je dit: | Wanneer | Wat | |---|---| | 26 juni 2019 | Wet tot wijziging van de Woningwet: het stelsel van certificering wordt geïntroduceerd (Stb. 2019, 383) | | 14 september 2020 | Besluit dat Bouwbesluit 2012 en Bbl aanpast en de regels uitwerkt (Stb. 2020, 348) | | 1 oktober 2020 | Het stelsel treedt in werking | | 1 april 2023 | Het **verbod** om zonder certificaat te werken gaat in. Eerder uitgesteld: van 1 april 2022 naar 1 januari 2023 en daarna naar 1 april 2023, omdat de schema's en certificerende instellingen te laat klaar waren | | 1 januari 2024 | Met de Omgevingswet staat het verbod in **art. 6.45 Bbl** (Besluit bouwwerken leefomgeving) | Als je iemand hoort zeggen "verplicht sinds 2023", klopt dat dus voor het verbod, niet voor het stelsel. #### Wat art. 6.45 Bbl zegt - **Lid 1:** aan de regels moet worden voldaan door degene die het werk uitvoert **én** door degene die het laat uitvoeren. De opdrachtgever (bewoner, VvE, verhuurder) is dus zelf ook verantwoordelijk. - **Lid 2:** vier werkzaamheden aan een gebouwgebonden gasverbrandingstoestel en de voorzieningen voor verbrandingsluchttoevoer en rookgasafvoer mogen alleen door een certificaathouder: installeren, repareren, onderhouden, en in bedrijf stellen en vrijgeven. - **Lid 3:** het verbod geldt niet voor stookinstallaties boven 100 kW (die vallen onder een keuringsregime) en niet voor werkzaamheden voor het verkrijgen van een certificaat, zoals de praktijktoets. #### Voor welke toestellen geldt het? Het verbod geldt voor gebouwgebonden gasverbrandingstoestellen voor ruimteverwarming en/of warm tapwater **tot 100 kW nominaal vermogen**: cv-ketels, geisers, gasboilers, moederhaarden, gas-sfeerhaarden en gaskachels, samen met de luchttoevoer en rookgasafvoer, ook collectieve systemen. Het gaat om gas dat uit koolstofverbindingen bestaat, zoals aardgas en propaan. Buiten het verbod vallen gasfornuizen en kooktoestellen, losse niet-gebouwgebonden voorzieningen (heteluchtkanonnen, terraskachels) en toestellen in vaartuigen, voertuigen en caravans. De voorschriften van de fabrikant en de normen blijven daar wel gelden. #### Wat mag wel en wat niet zonder certificaat | Mag ook zonder certificaat | Mag niet zonder certificaat | |---|---| | Resetknop gebruiken | Een toestel installeren, repareren of onderhouden | | Cv-water bijvullen | Een toestel in bedrijf stellen | | Stekker eruit halen, batterijen vervangen | Een rookgasafvoer aanleggen, aanpassen of repareren | | Timer of thermostaat instellen | De rookgasafvoer (tijdelijk) losnemen of terugplaatsen, bijvoorbeeld bij dakwerk | | Een radiator ontluchten | | Werk aan gasleidingen, expansievaten en radiatoren valt niet onder het verbod, maar moet natuurlijk wel aan de geldende voorschriften voldoen. Let op dat BRL 6000-25 bij het installeren of vervangen van een toestel wel een lekdichtheidsbeproeving van de gasleiding eist: dat is een schema-eis boven de wet. > **Ook de bewoner mag het niet** > De verbodsbepaling geldt ook voor bewoners en eigenaren die hun eigen toestel willen onderhouden of repareren. Dat is vaak de eerste vraag die klanten stellen: leg het uit zonder betuttelend te zijn. Het losnemen of terugplaatsen van een rookgasafvoer tijdens bouwwerk, zonder installateur, is volgens de TloKB een terugkerende aanleiding voor incidenten. #### Handhaving De **gemeente** is het bevoegd gezag en handhaaft op het verbod (soms via de omgevingsdienst). Ze kan zich richten tot zowel de installateur als de bewoner of eigenaar die het werk liet uitvoeren. Bestuursrechtelijk zijn dat een last onder dwangsom of bestuursdwang, en het verbieden van het gebruik van een toestel dat te veel CO produceert. Strafrechtelijk loopt de handhaving via de Wet op de economische delicten, waarbij ook de opdrachtgever strafbaar is. Een vast boetebedrag voor "werken zonder certificaat" staat niet in de bronnen die we hebben nagelopen. Bedragen die je op internet ziet, zijn vaak niet te herleiden naar de wet. De **TloKB** handhaaft niet zelf op ongecertificeerd werk. Zij houdt namens de minister toezicht op het stelsel: aanwijzing van certificatieschema's en instellingen en het openbare register van certificaathouders. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat "Gasketelwet" een bijnaam is en waar het verbod nu staat - Ik kan uitleggen voor welke toestellen en tot welk vermogen het verbod geldt - Ik kan opsommen wat een bewoner wel en niet zelf mag doen - Ik weet wie er strafbaar kan zijn en wie handhaaft ### Les 1.3: Vakmanschap CO: profielen, examen en verlenging URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vakmanschap-co-profielen-examen-en-verlenging/ **Leerdoel:** Je kent de profielen, de opbouw van het theorie- en praktijkexamen en de eisen voor verlenging. #### Wat het Bewijs van Vakmanschap CO is Het Bewijs van Vakmanschap CO is **persoonsgebonden** en **vijf jaar geldig**. Wie namens een certificaathouder een gasverbrandingsinstallatie in bedrijf stelt, moet het hebben. Na het examen komt het bewijs binnen twee weken in de Vakpaspoort-app te staan en de geldigheid is te controleren in het Centraal Register Techniek. Wie doet wat? **Vakmanschap Techniek** is de exameninstelling die het bewijs afgeeft. De **Vakbekwaamheidscommissie** stelt het examenproduct vast en **InstallQ** accrediteert de instellingen die examens mogen afnemen. Opleiden en examineren zijn gescheiden: een opleider (zoals Techniek Helden, IW, Wasco of ROVC) bereidt je voor, maar het examen doe je bij een geaccrediteerde instelling. Deze cursus is een voorbereiding en geen examen. #### De zes profielen | Profiel | Niveau | |---|---| | Monteur Service & Onderhoud | 2 | | Eerste Monteur Service & Onderhoud | 3 | | Monteur Werktuigkundige Installatie | 2 | | Eerste Monteur Werktuigkundige Installatie | 3 | | Monteur Werktuigkundige Installatie & Service en Onderhoud | 2 | | Eerste Monteur Werktuigkundige Installatie & Service en Onderhoud | 3 | De monteur controleert en onderhoudt toestellen (service) of installeert nieuwe toestellen en legt de afvoer aan (installatie). De eerste monteur controleert daarnaast werk van anderen en beheert gasinstallaties (service), of ontwerpt en berekent en legt de rookgasafvoer in gestapelde bouw aan (installatie). Een zzp'er kiest altijd een eerste-monteurprofiel. Wie een mbo-opleiding heeft afgerond, heeft in een aantal gevallen automatisch gelijkstelling, maar niet in alle: check de diplomalijst. > **Persoon en bedrijf zijn twee aparte bewijzen** > Jij haalt het Bewijs van Vakmanschap CO: persoonsgebonden en vijf jaar geldig. Het bedrijf waarvoor je werkt (of jijzelf als zzp'er) heeft daarnaast een bedrijfscertificaat, zie les 1.4. Het een maakt het ander niet overbodig. #### De route in zes stappen 1. Profielkeuze (met de profielkeuzehulp) 2. Voorbereiding, met een gratis zelftest 3. Aanmelden en betalen 4. Theorietoets 5. Aanmelden voor het praktijkexamen (alleen na een gehaalde theorietoets) 6. Registratie in het Vakpaspoort #### De theorietoets De theorietoets wordt digitaal gemaakt op een zelfgekozen plek en moment, duurt ongeveer anderhalf uur, moet in één keer worden afgemaakt en geeft direct de uitslag. In 2026 kostte de toets EUR 95 excl. btw. De slaagnorm (cesuur) is **70%**. De officiële toetsmatrijs van de Vakbekwaamheidscommissie (versie 15 juli 2019) verdeelt de vragen over negen onderwerpen. Het aantal vragen verschilt per profiel: | Onderwerp | Mon. WI | 1e WI | Mon. SO | 1e SO | Mon. WI+SO | 1e WI+SO | |---|---|---|---|---|---|---| | 1 Algemene basiskennis | 5 | 7 | 5 | 7 | 5 | 7 | | 2 Signaleren en melden onveilige situatie CO | 3 | 3 | 2 | 3 | 3 | 3 | | 3 Ontwerpen en beoordelen opstellingsruimte | 7 | 9 | 7 | 9 | 7 | 9 | | 4 Rookgasafvoerleidingen aanleggen | 8 | 11 | - | - | 7 | 5 | | 5 Rookgasafvoer in gestapelde bouw | - | 7 | - | - | - | 5 | | 6 Rookgasafvoer controleren en adviseren | - | - | 4 | 11 | 3 | 6 | | 7 Gasverbrandingstoestel installeren | 5 | 6 | - | - | 5 | 6 | | 8 Onderhoud toestellen en rookgasafvoer | - | - | 10 | 13 | 8 | 12 | | 9 CO-melder adviseren, plaatsen, controleren | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | | **Totaal** | **30** | **45** | **30** | **45** | **40** | **55** | WI staat voor Werktuigkundige Installatie, SO voor Service en Onderhoud. Als kennisbronnen noemt de matrijs onder meer de fabrikantvoorschriften, NEN 1078, NEN 8078, NEN 2757, NEN 1087, NPR 3378, Het Nieuwe Beugelen en het Bbl. > **Controleer de actualiteit** > Deze matrijs is de enige openbare bron voor de vraagaantallen; de site van Vakmanschap Techniek publiceert ze niet. Vraag bij je opleider of bij de helpdesk van Vakmanschap Techniek of de aantallen en de vraagvorm nog kloppen voor jouw toets. De verdeling over onderwerpen laat in elk geval goed zien waar het zwaartepunt ligt: opstellingsruimte, rookgasafvoer, installeren en onderhoud. De **zelftest** is gratis, digitaal en onbeperkt te herhalen. Volgens de matrijs telt hij 15 vragen (enkelvoudige profielen) of 20 vragen (gecombineerde profielen) met dezelfde cesuur van 70%. Wie de zelftest niet haalt, heeft nog niet genoeg kennis voor de theorietoets. #### Het praktijkexamen Voor het praktijkexamen moet de theorietoets gehaald zijn. Je betaalt vooraf, brengt een geldig identiteitsbewijs mee, en brengt zelf de juiste, goedgekeurde meetinstrumenten en het gereedschap mee. De praktijklocatie levert de opstelling en de materialen. Volgens de richtlijnen praktijkexamen (versie 03, juli 2019) duurt het examen voor één profiel maximaal een dagdeel van 4 uur, inclusief eindgesprek en rapportage. Gecombineerde profielen duren ongeveer een dag. Je krijgt een concrete werksituatie: een installatie-opdracht, een onderhoudsopdracht, of beide. De assessor speelt de klant. Het examen bestaat uit voorbereiding, werkuitvoering en nazorg, en sluit af met een eindgesprek over een onveilige situatie en enkele theorievragen. Het oordeel wordt vastgelegd in een examenportfolio. Het resultaat is bindend, een nieuw praktijkexamen betaal je opnieuw. #### Verlengen Het bewijs verloopt na vijf jaar. Verlengen kan vanaf zes maanden voor de einddatum: eerst de verplichte online module **Basiskennis Opfrisser**, daarna een theorietoets van maximaal 120 minuten bij een geaccrediteerde examenorganisatie. Er is geen praktijkexamen. Het volledige pakket kostte in 2026 EUR 275 excl. btw. Slaag je, dan wordt het bewijs automatisch vijf jaar verlengd. > **Na de einddatum mag je niet meer werken** > Is je bewijs verlopen, dan mag je geen werk meer doen waarvoor het bewijs is vereist en moet je het volledige initiële traject (theorietoets én praktijkexamen) opnieuw doen. Zet je einddatum dus in je agenda en begin ruim op tijd met verlengen. **Controleer jezelf:** - Ik weet welke zes profielen er zijn en welk profiel bij mijn werk past - Ik ken de zes stappen van de route en de slaagnorm van de theorietoets - Ik weet welke onderwerpen zwaar wegen in de theorietoets - Ik weet hoe en wanneer ik het bewijs moet verlengen ### Les 1.4: Bedrijfscertificering: BRL 6000-25 en BRL K25000 URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/bedrijfscertificering-brl-6000-25-en-brl-k25000/ **Leerdoel:** Je kunt het verschil uitleggen tussen persoonlijke en bedrijfscertificering en wat een bedrijf moet regelen. #### Twee lagen: de monteur en het bedrijf Werken aan gasverbrandingstoestellen vraagt twee dingen tegelijk. De **monteur** heeft een persoonlijk Bewijs van Vakmanschap CO (les 1.3). Het **bedrijf** heeft een certificaat volgens een aangewezen certificatieschema. Dat certificaat staat op naam van het bedrijf zoals ingeschreven bij het handelsregister en is niet overdraagbaar. Een bekwame monteur maakt een niet-gecertificeerd bedrijf dus niet bevoegd, en een certificaat maakt een onbekwame monteur niet vakbekwaam. #### De schema's Een certificatieschema (BRL, beoordelingsrichtlijn) beschrijft wat een bedrijf moet regelen en hoe dat wordt getoetst. De minister wijst schema's aan. Per september 2026 zijn dat onder meer: | Schema | Beheerder | Opmerking | |---|---|---| | BRL 6000-25 | InstallQ | Twee deelgebieden: toestellen met eigen afvoer en collectieve afvoer (CLV) | | BRL K25000 | Kiwa | Compacter traject, beperking tot bepaalde toesteltypen mogelijk | | BRL SI-6025 | SKG-IKOB | Bedoeld voor kleine bedrijven en zzp'ers, zonder collectieve voorzieningen | | NHK CBS | Stichting NHK | Voor haarden en kachels | Certificeren gebeurt door een **certificerende instelling**. Er zijn er vijf aangewezen: Bureau Veritas, DEKRA, Kiwa, Normec en SKG-IKOB. InstallQ beheert het schema BRL 6000-25 maar certificeert zelf niet, Kiwa is bij K25000 schemabeheerder én certificerende instelling. Schema's worden bijgewerkt met wijzigingsbladen: certificaten op een oude versie verliezen hun geldigheid. Controleer dus altijd de actuele versie in het openbare register van de TloKB. #### Wat beide schema's vragen - Werkzaamheden aan toestellen tot **100 kW** nominaal vermogen. - Een certificaat dat **maximaal drie jaar** geldig is, met **jaarlijks vervolgonderzoek** (dat onaangekondigd kan zijn). - Iemand met een **Bewijs van Vakmanschap CO** (niveau 2 of 3) voor wie in bedrijf stelt. - Een instromer mag maximaal drie jaar zonder bewijs werken als VOP, onder toezicht van een VP niveau 3. Wat een bedrijf onder BRL 6000-25 verder regelt: inschrijving in het handelsregister, een kwaliteitshandboek met een verantwoordelijke, projectregistratie en projectdossiers, ingangscontrole van materialen, documentenbeheer, beheersing van tekortkomingen, een klachtenregister, gekalibreerde meetmiddelen, legitimatie van medewerkers en interne audits minstens één keer per jaar. Uitbesteden mag alleen aan een andere certificaathouder voor hetzelfde deelgebied. #### VP en VOP | Rol | Wat mag | |---|---| | Vakbekwaam Persoon (VP) | In bedrijf stellen, groot onderhoud (brander, warmtewisselaar), een installatie uit bedrijf nemen of niet in bedrijf stellen vanwege veiligheid | | Voldoende Onderricht Persoon (VOP) | De overige taken, onder toezicht van een VP | #### In de praktijk - **Afmelden:** elke voltooide werkzaamheid en inbedrijfstelling wordt minstens wekelijks afgemeld bij de certificerende instelling. - **Projectdossier:** minstens 10 jaar na afronding bewaren. - **Meetinstrumenten:** instrumenten die de uitkomst van goed- of afkeuren bepalen, moeten gekalibreerd zijn, de kalibratiestatus staat op het instrument en het bedrijf houdt een overzicht bij. Bijlage 2 van het schema noemt onder meer rookgasmeetapparatuur (CO, O2, rookgastemperatuur), drukmeting, trekmeting volgens EN 50379-2 en een gaslekzoeker. - **Herkenbaar:** medewerkers kunnen zich legitimeren en het bedrijf voert het beeldmerk **CO-VRIJ**. Het register gasverbrandingsinstallaties van de TloKB is openbaar: iedereen kan zien of een installateur gecertificeerd is. - **Sticker:** onder BRL 6000-25 plaatst de VP na het werk een sticker "Gecontroleerd" met datum, volgend onderhoud en certificaatnummer op het toestel. > **Wat de wet eist en wat het schema eist** > De wet stelt de basis (certificaat verplicht, meldplicht bij hoge CO). De schema's eisen daar bovenop meer, zoals de sticker en het kwaliteitssysteem: de zogenoemde bovenwettelijke eisen. Wie certificaathouder is, moet aan beide voldoen. #### Als het misgaat Bij een niet-kritieke afwijking volgt een extra vervolgonderzoek als het niet binnen drie maanden is hersteld. Bij een **kritieke afwijking**, zoals een CO-onveilige installatie in bedrijf stellen of inbedrijfstelling door een onvoldoende gekwalificeerd persoon, volgt schorsing, een plan van aanpak binnen vier weken en herstel binnen drie maanden. Lukt dat niet, dan wordt het certificaat ingetrokken. **Controleer jezelf:** - Ik kan het verschil uitleggen tussen het persoonlijke bewijs en het bedrijfscertificaat - Ik weet wie een schema beheert en wie certificeert - Ik weet welke taken alleen een VP mag doen - Ik weet wat een certificaathouder moet vastleggen, afmelden en bewaren ### Les 1.5: Bronnen en hiërarchie: wet, norm, fabrikant, werkinstructie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/bronnen-en-hierarchie-wet-norm-fabrikant-werkinstructie/ **Leerdoel:** Je weet welke bron voorgaat bij strijdige informatie en hoe je bij twijfel de juiste voorschriften vindt. #### Waarom bronnen ertoe doen In dit vak lees je veel: wetten, normen, schema's, fabrikanthandleidingen, handboeken en websites. Ze spreken elkaar soms tegen, en niet alles wat je online vindt klopt. Een verkeerd getal in een handboek kan betekenen dat je een onveilige installatie goedkeurt. Je moet dus weten welke bron voor welke vraag gezaghebbend is. #### Vier lagen | Laag | Wat het regelt | Voorbeeld | |---|---|---| | 1 Wet en regelgeving | Wat verplicht is, het minimum | Bbl art. 6.45 en 6.46, Omgevingsregeling | | 2 Certificatieschema | Wat een gecertificeerd bedrijf en monteur moet doen, soms strenger dan de wet | BRL 6000-25, BRL K25000, toetsmatrijs Vakmanschap CO | | 3 Fabrikantvoorschrift | Hoe dit toestel of deze afvoer geïnstalleerd, afgesteld en onderhouden moet worden | Installatie- en servicehandleiding | | 4 Normen en richtlijnen | Uitwerking en rekenmethoden waar de regelgeving naar verwijst | NEN 1078, NEN 2757, NPR 3378 | Alles daaronder (handboeken, video's, forums, ook deze cursus) is hulp om de bron te begrijpen, nooit de bron zelf. Bij twijfel ga je terug naar de bron erboven. > **Bij strijd: de strengste eis, en leg het vast** > Klopt wat je leest niet met wet of schema, dan gelden wet en schema. Zeggen fabrikantvoorschrift en algemene richtlijn iets anders, dan werk je naar de strengste van de geldende eisen en leg je vast op welke bron je steunde. Werk je aantoonbaar, dan kan niemand je achteraf verwijten dat je op gevoel werkte. #### Wat de wet wel en niet voorschrijft Het Bbl stelt **prestatie-eisen** aan rookgasafvoer en verbrandingslucht. Het legt geen voorschriften op voor afschot, beugelafstand, insteekdiepte of dilatatie van een afvoer. Die staan in het fabrikantvoorschrift en in NPR 3378, en BRL 6000-25 verwijst ernaar. Kijk je naar de beugelafstand van een afvoer, dan zoek je dus in de handleiding van de afvoer en het toestel, niet in het Bbl. #### Welke norm gaat waarover Normen zijn auteursrechtelijk beschermd: in deze cursus staat wat een norm regelt, niet de normtekst. Dit is de kaart die je moet kennen: | Norm | Onderwerp | |---|---| | NEN 1078 (nieuwbouw) en NEN 8078 (bestaande bouw) | Het gasleidingwerk tot en met 500 mbar werkdruk | | NEN 2757 (nieuwbouw) en NEN 8757 (bestaande bouw) | Bepalingsmethode voor de geschiktheid van de rookgasafvoer | | NEN 1087 (nieuwbouw) en NEN 8087 (bestaande bouw) | Ventilatie van gebouwen, dus ook de toevoer van verbrandingslucht | | NEN 6062 en NEN 8062 | Brandveiligheid van rookgasafvoervoorzieningen | | NPR 3378 (meerdere delen) | Praktijkrichtlijn bij NEN 1078, NEN 2757 en NEN 8757: uitleg voor de praktijk | | NEN 1006 | Leidingwaterinstallaties (drinkwater), dus niet gas | | NEN 1010 | Elektrische laagspanningsinstallaties | Deze kaart komt terug in de onderwerpen van de theorietoets. Twee valkuilen: NEN 1006 gaat over drinkwater, ook al staat hij online soms bij gas genoemd. En NEN 1078 en NEN 8078 gaan over het gasleidingwerk, niet over de opstellingsruimte of de afvoer. #### Welke uitgave geldt? Het Bbl wijst normen aan in een **bepaalde uitgave**, via bijlage II van de Omgevingsregeling. Voor wat wettelijk geldt is die bijlage leidend, niet de nieuwste NEN-catalogus. Zo wijst de Omgevingsregeling voor bestaande bouw nog NEN 8757 uit 2005 aan, terwijl NEN in 2025 een nieuwe uitgave publiceerde (stand september 2026). Normen worden regelmatig bijgewerkt en de aanwijzing volgt later: controleer bij twijfel wat er op dat moment is aangewezen. #### Zo werk je in de praktijk 1. Zoek eerst de **fabrikantdocumentatie** bij het toestel (typeplaatje, serienummer) en bij de afvoer. 2. Controleer of wet en schema iets extra's eisen, zoals de CO-grenzen en de meldplicht (les 1.6). 3. Gebruik normen en NPR voor de uitwerking, en let op welke uitgave is aangewezen. 4. Leg vast op welke bron je een beslissing baseerde. Bij het rekenen op een getal dat je ergens leest (bijvoorbeeld "boven 35 ppm CO afkeuren"): controleer het. In Nederland zijn de grenzen voor CO in de opstellingsruimte 5 en 20 ppm (les 1.6). Een getal zonder eenheid, meetconditie en bron is geen feit. **Controleer jezelf:** - Ik kan de vier lagen van bronnen opnoemen en weet wat elke laag regelt - Ik weet dat het Bbl prestatie-eisen stelt en de details in het fabrikantvoorschrift staan - Ik ken de norm-kaart (NEN 1078, 2757, 1087, 6062, NPR 3378) - Ik controleer bij een getal altijd de bron, de eenheid en de meetconditie ### Les 1.6: Afkeuren, melden en aansprakelijkheid URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/ **Leerdoel:** Je weet wat je doet bij een onveilige situatie, hoe je vastlegt wat je vaststelt en waar je verantwoordelijkheid ligt. #### De driestapsregel voor CO in de ruimte Als certificaathouder meet je CO in de opstellingsruimte. Het schema geeft een driestapsregel, gebaseerd op de wet: | CO in de ruimte | Wat je doet | |---|---| | Onder 5 ppm | Je mag in bedrijf stellen | | 5 tot 20 ppm | Nader onderzoek, de oorzaak wegnemen en de opdrachtgever informeren | | Boven 20 ppm | De **wettelijke meldplicht** van art. 6.46 Bbl geldt | Je meet op ongeveer 1,7 meter hoogte en ongeveer 1 meter van het toestel. De waarde op het meetinstrument is leidend. > **20 ppm is de meldgrens, 5 ppm de inbedrijfstellingsgrens** > Twee getallen die je uit je hoofd moet kennen. De meldgrens van 20 ppm staat in de Omgevingsregeling (art. 5.52). De Gezondheidsraad adviseerde in 2024 een lagere waarde voor beroepsmatige blootstelling (6,4 ppm), maar de wettelijke meldgrens is nu 20 ppm. Een waarde als "35 ppm afkeuren" die je online tegenkomt, is geen Nederlandse afkeurgrens voor de opstellingsruimte. #### Wat je bij een melding moet doen Art. 6.46 Bbl verplicht een certificaathouder die bij zijn werk een te hoge CO-concentratie constateert in een ruimte waar personen kunnen zijn, dit **onverwijld** te melden aan vier partijen: 1. de bewoner of gebruiker 2. de eigenaar 3. het bevoegd gezag (de gemeente) 4. de certificerende instelling De melding bevat minstens de gemeten concentratie en een beschrijving van de ruimte. Sinds 1 april 2026 kan de melding ook via het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Let op: er is een wijziging voorgenomen (melden aan het bevoegd gezag alleen als het risico niet direct kan worden weggenomen, met vermelding van de oorzaak); zolang die niet in werking is getreden, geldt de tekst van art. 6.46 zoals hierboven. Controleer dit voor je in de praktijk gaat werken. BRL 6000-25 is op dit punt niet helemaal eenduidig over de volgorde en vorm van de melding. De wet is leidend: onverwijld aan alle vier. #### Afkeuren: buiten bedrijf stellen Komen er bij gebruik ontoelaatbare hoeveelheden CO vrij, dan mag je het toestel niet in bedrijf stellen en moet je het buiten bedrijf stellen. Dat is een taak voor een VP. In de praktijk zijn dit je stappen: 1. Zet het toestel uit en zorg dat het niet zonder herstel weer aangaat. 2. Waarschuw de aanwezigen en ventileer de ruimte. 3. Meld volgens art. 6.46 en leg vast wat je vond: gemeten waarde, plek, toestel, tijd. 4. Zoek de oorzaak, herstel, meet opnieuw en stel pas in bedrijf als de waarden in orde zijn. 5. Informeer de klant over wat er is gebeurd en wat er nodig is. Werkt de eigenaar niet mee aan herstel, dan stel je de installatie niet in bedrijf. Alleen de gemeente kan herstel afdwingen. > **Acuut gevaar: 112** > Bij acuut gevaar of een ernstig vergiftigde bewoner bel je altijd 112. Bij CO-waarden boven 400 ppm in de ruimte schakelt de gemeente in de praktijk de brandweer in en wordt zo nodig het pand ontruimd. Wacht niet op een melding. #### Aansprakelijkheid en vastleggen - **Strafbaar:** wie zonder certificaat werkt is strafbaar, en ook de opdrachtgever (les 1.2). - **Bij inbedrijfstelling** ben je verantwoordelijk voor de veiligheid van de hele installatie, ook als je hem niet zelf plaatste. - **Civielrechtelijk:** bewoners kunnen een schadevordering instellen. - **Schema:** een CO-onveilige installatie in bedrijf stellen is een kritieke afwijking van het schema (les 1.4). - **Onderhoud:** de wet eist geen periodiek onderhoud van de eigenaar. Het schema eist wel dat de installateur de klant informeert over onderhoud en interval, en zonder fabrikantvoorschrift geldt minimaal eens per 12 maanden. - **CO-melder:** de installateur adviseert een CO-melder bij open of afvoerloze toestellen zonder melder, en bij een collectieve afvoer zonder geschiktheidsverklaring. Wat je niet kunt aantonen, heb je niet gedaan. Noteer daarom waarden, plaats, tijd, wie je informeerde en welke maatregelen je nam, op de werkbon of in het projectdossier (les 18.4). #### Wat de wet niet regelt Een plicht om de netbeheerder te informeren bij afkeuren is in wet en schema niet gevonden. Voor gasinstallatie-ongevallen achter de gasmeter bestaat geen wettelijke meldplicht; alleen netbeheerders melden gasdistributie-ongevallen. De meldplicht van art. 6.46 gaat over wat een certificaathouder bij zijn werk constateert. Twijfel je in een concrete situatie, overleg dan met je certificerende instelling of je docent. **Controleer jezelf:** - Ik ken de drie stappen (5 ppm, 20 ppm) en weet welke actie erbij hoort - Ik weet aan welke vier partijen ik een melding moet doen - Ik weet wat ik bij een melding minimaal vastleg - Ik weet wanneer ik 112 bel en dat de wet leidend is boven het schema ### Les 1.7: Veilig werken op locatie: hoogte, asbest en bescherming URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/veilig-werken-op-locatie-hoogte-asbest-en-bescherming/ **Leerdoel:** Je herkent de belangrijkste risico's op een werklocatie (hoogte, besloten ruimten, asbest, gaslucht) en weet welke maatregelen en grenzen daarbij gelden. #### De andere kant van het vak: niet alleen de ketel, ook de werkplek CO-veiligheid gaat over het toestel en de installatie. Deze les gaat over jou: de ladder waarop je staat, de kruipruimte waar je induikt, het board dat mogelijk asbest bevat en de gasgeur die je op locatie tegenkomt. Dit zijn geen cv-specifieke regels maar de algemene Arbowet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), die voor elke werknemer in Nederland gelden. Eerste hulp bij CO-vergiftiging staat in [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/) en [les 4.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/koolmonoxide-en-het-lichaam/), elektrische veiligheid in [module 9](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/elektrisch-werken-aan-een-cv-ketel/): die stof komt hier niet terug. #### Werken op hoogte: ladder, trap of steiger? Vanaf een hoogte van 2,5 meter geldt in de regel valgevaar, en dan moet er een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer zijn, of een doelmatig hekwerk of leuning die minstens tot 1 meter boven het werkvlak beveiligt. Ook onder 2,5 meter kan een voorziening verplicht zijn, bijvoorbeeld bij een vloeropening of een extra risico zoals water of verkeer. Een ladder of trap mag je alleen als werkplek gebruiken als het werk kort duurt, het risico laag is en een veiliger arbeidsmiddel niet gerechtvaardigd is. Sta je op een ladder, dan moet je altijd veilige steun en houvast hebben: een last met de hand dragen mag dat houvast nooit belemmeren, en de ladder staat op een stabiele, stevige ondergrond zodat de sporten horizontaal blijven. Kan een steiger of hekwerk niet worden aangebracht, of levert die zelf meer gevaar op, dan is een vangnet of een veiligheidsgordel met vanglijn het laatste redmiddel, niet de eerste keuze. Werk je met een steiger, dan wordt de constructie regelmatig door een deskundig persoon gecontroleerd: in elk geval voor het eerste gebruik, na elke wijziging, na een periode van stilstand en na slecht weer. Een steiger mag niet worden overbelast en een verrijdbare steiger staat vast tijdens het werk. > **Twee getallen om te onthouden** > 2,5 meter is de hoogte waarboven een voorziening tegen valgevaar in de regel verplicht is. 1 meter is de hoogte waartot een hekwerk of leuning minstens moet beveiligen om als doelmatig te tellen. Een ladder mag je alleen gebruiken als werkplek bij kort, veilig en laag-risicowerk: geen vaste vervanger van een steiger. > **Vallen van hoogte is dodelijk** > Een val van een paar meter kan al fataal zijn of blijvend letsel geven. Twijfel je of een ladder voor dit werk veilig genoeg is, gebruik dan een steiger, bordes of ander deugdelijk arbeidsmiddel. Werk nooit op een dak of bij een dakdoorvoer zonder dat de valbeveiliging in orde is, ook niet voor "twee minuutjes". #### Besloten ruimten en kruipruimten: eerst meten, dan naar binnen Een kruipruimte, kelder of andere ruimte die niet is ingericht om in te verblijven en waar gevaar kan bestaan voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie, is een besloten ruimte. Kan dat gevaar worden vermoed, dan mag je die ruimte alleen betreden als onderzoek uitwijst dat het gevaar er niet is. Blijkt uit dat onderzoek dat het gevaar er wél is, dan worden eerst doeltreffende maatregelen genomen (ventileren, meten, beschermingsmiddelen) voordat iemand naar binnen gaat. **Praktijkgeval:** je moet in een kruipruimte onder een tussenwoning een leidingaansluiting controleren. De kruipruimte is laag, er staat wat water en je ruikt niets bijzonders. Toch meet je eerst: een gaslek elders in het pand of een opgehoopte concentratie CO kan zich ophopen in een laaggelegen, slecht geventileerde ruimte zonder dat je dat ruikt of voelt. Pas als de meting geen gevaar aantoont, ga je naar binnen. Trek je conclusie nooit alleen op je neus. #### Asbest: herkennen, en vooral niet zelf bewerken In gebouwen en installaties van vóór 1994 kan asbest voorkomen: in pakkingen en koord bij aansluitingen, in brandwerende platen of board rond een ketel, geiser of schoorsteen, in doorvoeren door vloer of dak, en in het rookgasafvoerkanaal zelf. Zolang dat materiaal intact blijft, komen er geen vezels vrij. Boren, zagen, breken of schuren kan dat wel doen. > **Vermoeden van asbest: stoppen, niet doorwerken** > Zie je verouderd, beschadigd plaatmateriaal, board of koord dat mogelijk asbest bevat: bewerk het niet, rond het werk op die plek niet af en informeer de eigenaar. Alleen een bedrijf dat gecertificeerd is volgens SC-540 mag vaststellen of het om asbest gaat en in welke risicoklasse (1, 2 of 2a). Jij bepaalt dat nooit zelf op het oog. Is de risicoklasse eenmaal vastgesteld, dan bepaalt die wat er verder mag. Risicoklasse 2 en 2a mogen alleen worden verwijderd door een bedrijf met het procescertificaat asbestverwijdering, met personeel dat een DAV-1, DAV-2 (Deskundig Asbestverwijderaar) of DTA (Deskundig Toezichthouder) persoonscertificaat heeft. Bij risicoklasse 1 mag ook een niet-gecertificeerd bedrijf het werk uitvoeren, maar alleen als de klasse vooraf door een gecertificeerd bedrijf is vastgesteld, het werk vakkundig gebeurt, het gemeld is bij de Nederlandse Arbeidsinspectie, de monteur is voorgelicht en getraind, en hem een arbeidsgezondheidskundig onderzoek is aangeboden. Het volledig en onbeschadigd verwijderen van een oud verwarmingstoestel wordt in de praktijk soms als risicoklasse 1 beoordeeld, maar ook dat stelt niet de monteur zelf vast. Een particuliere eigenaar mag in en om zijn eigen woning zelf maximaal 35 m2 van bepaald, hechtgebonden materiaal verwijderen (geschroefde platen, vloertegels). Dat is een uitzondering voor de particulier zelf, geen regel die voor jou als monteur van een bedrijf geldt. #### Persoonlijke beschermingsmiddelen en fysieke belasting De werkgever moet zorgen voor de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers en kiest daarvoor, op basis van de risico-inventarisatie, geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM): bijvoorbeeld werkschoenen, handschoenen, een stofmasker of een valharnas. Die middelen moeten voldoende beschikbaar zijn, onderhouden en op tijd vervangen worden, en de kosten daarvan zijn voor de werkgever: hij mag ze niet op je loon inhouden. Werk je als zzp'er, dan ben je in dit opzicht zelf "de werkgever". Voor tillen en dragen geldt een landelijke praktijkrichtlijn: bij incidenteel tillen niet meer dan 23 kg, bij meer dan 12 keer per dienst tillen niet meer dan 12 kg, en bij dragen op heuphoogte niet meer dan 15 kg. Onder minder gunstige omstandigheden (bukken, draaien, een trap op) ligt de werkelijke grens lager. Een boiler of gasfles is zwaarder dan die grenzen: gebruik een steekwagen, hulp van een collega of een tilhulpmiddel. #### Gaslucht op locatie: geen vonken Ruik je tijdens je werk plotseling sterk gas, dus los van de storing waaraan je al werkt: maak geen vuur, bedien geen schakelaar, verlichting, deurbel of mobiele telefoon in die ruimte (een kleine vonk kan al genoeg zijn), open ramen en deuren, draai de hoofdgaskraan dicht en bel van buiten de ruimte. Het landelijke, gratis nummer voor een gasstoring of gaslucht is 0800-9009; bij acuut gevaar of een sterke lucht waarvan je de bron niet kent, bel je 112. #### VCA: los van het CO-stelsel VCA (Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers) is een apart veiligheidscertificaat, beheerd door stichting SSVV. Het is niet wettelijk verplicht, maar veel opdrachtgevers in bouw, industrie en installatietechniek eisen het voordat je op hun locatie mag werken. VCA vervangt niets van het CO-stelsel uit [les 1.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-wet-wie-mag-wat-aan-een-gasverbrandingstoestel/) en [les 1.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/bedrijfscertificering-brl-6000-25-en-brl-k25000/): het is een generieke check op veilig werken in het algemeen, geen vervanging voor het Bewijs van Vakmanschap CO of de bedrijfscertificering. **Controleer jezelf:** - Ik weet vanaf welke hoogte een voorziening tegen valgevaar verplicht is en wanneer een ladder als werkplek mag - Ik onderzoek een kruipruimte of andere besloten ruimte op gevaarlijke atmosfeer voordat ik naar binnen ga - Ik herken waar asbest in een oude cv-installatie kan voorkomen en bewerk vermoedelijk asbesthoudend materiaal nooit zelf - Ik weet aan welke voorwaarden zelf werken aan asbest van risicoklasse 1 moet voldoen - Ik weet wat ik doe als ik op locatie plotseling gas ruik ## Module 2: Warmte, energie en vermogen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/warmte-energie-en-vermogen/ De natuurkunde achter elke cv-installatie: warmte, vermogen, energie en rendement. Zonder dit fundament blijft storingzoeken gokken en kloppen je gasverbruiksberekeningen niet. Vrijwel alles wat een cv-ketel doet, is warmte verplaatsen: van het gas naar het rookgas, van het rookgas naar het water, van het water naar de kamer. Wie de natuurkunde daarachter begrijpt, hoeft geen storingen te raden. Je rekent na wat er zou moeten gebeuren en vergelijkt dat met wat je meet. Deze module geeft je het rekengereedschap: Q = m × c × ΔT voor warmte en debiet, kW en kWh voor vermogen en energie, m³ gas voor het verbruik, U × A × ΔT voor warmteverlies en Hs en Hi voor het rendement. Alle rekenvoorbeelden zijn met eenheden uitgewerkt en steunen op gecontroleerde bronnen of op aannames die erbij staan. Waarden uit fabrikanthandleidingen zijn voorbeelden voor dat model en verschillen per toestel. **Na deze module kun je:** - Warmte, vermogen en energie uit elkaar houden en met elkaar in verband brengen - Uit vermogen en bedrijfsduur het gasverbruik en de energiekosten berekenen - De drie vormen van warmteoverdracht herkennen in een installatie - Het warmteverlies van een woning in grote lijnen inschatten - Rendement en verliezen van een ketel beoordelen ### Les 2.1: Temperatuur, warmte en soortelijke warmte URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/temperatuur-warmte-en-soortelijke-warmte/ **Leerdoel:** Je kunt het verschil tussen temperatuur en warmte uitleggen en met Q = m × c × ΔT de warmte of het debiet van water berekenen. #### Temperatuur en warmte zijn twee verschillende dingen Een thermometer meet temperatuur: hoe warm iets is. Warmte is energie: de hoeveelheid die in een stof zit of van de ene plek naar de andere stroomt. Een bad van 150 liter op 40 °C bevat veel meer warmte dan een waterkoker met 1 liter kokend water, terwijl de waterkoker een veel hogere temperatuur heeft. Wat telt, is hoeveel stof je hebt en hoeveel graden je die hebt verwarmd. In een cv-installatie komen ze steeds samen voor. De ketel levert warmte (in kWh of MJ), het cv-water heeft een temperatuur (in °C) en tussen aanvoer en retour zit een temperatuurverschil (in K). Wie ze door elkaar haalt, rekent fout. | Grootheid | Symbool | Eenheid | Voorbeeld | |---|---|---|---| | Temperatuur | T | °C of K | aanvoer 70 °C | | Temperatuurverschil | ΔT | K | 70 °C min 50 °C is 20 K | | Warmte (energie) | Q | J, kJ, MJ of kWh | 8,1 kWh | | Massa | m | kg | 100 liter water is ongeveer 100 kg | | Soortelijke warmte | c | kJ/(kg K) of Wh/(kg K) | water: 4,19 kJ/(kg K) | | Vermogen | P | W of kW | 20 kW | Een verschil van 1 K is even groot als een verschil van 1 °C. Alleen het nulpunt van de schaal ligt anders: 0 °C is 273,15 K. #### Hoeveel warmte kost het om water op te warmen? De soortelijke warmte c is de energie die je nodig hebt om 1 kg van een stof 1 K warmer te maken. Voor water rekenen we met c = 4,19 kJ/(kg K), dat is 1,163 Wh/(kg K), en met 1 liter = 1 kg. Dat zijn aannames: bij 70 tot 80 °C zit je er ongeveer 2 tot 3% naast, omdat warm water iets lichter is dan koud. Voor storingzoeken en advies is dat ruim goed genoeg. > **Q = m × c × ΔT** > De warmte om water op te warmen is massa × soortelijke warmte × temperatuurstijging. Reken je met 1,163 Wh/(kg K), dan komt er meteen Wh uit: 1 liter water 1 K opwarmen kost ongeveer 1,16 Wh. ##### Rekenvoorbeeld: een installatie van 100 liter opwarmen Een cv-installatie met 100 liter water gaat van 10 naar 80 °C. - Massa: 100 liter is ongeveer 100 kg. Temperatuurstijging: 80 - 10 = 70 K. - Q = 100 kg × 1,163 Wh/(kg K) × 70 K = 8141 Wh, dus ongeveer 8,1 kWh. - Controle in kJ: 100 × 4,19 × 70 = 29.330 kJ = 29,3 MJ, en 29,3 MJ / 3,6 MJ per kWh = 8,1 kWh. Volgens Flamco zet water bij zo'n opwarming ongeveer 3% uit: circa 3 liter extra volume, dat het expansievat moet opvangen (daarover gaat les 3.3). #### Van warmte naar vermogen: het debiet van het cv-water Vermogen is warmte per tijd. Deel je Q = m × c × ΔT door de tijd, dan krijg je de formule waarmee je in de praktijk het meest rekent: hoeveel water er per uur langs moet komen om een bepaald vermogen te transporteren. > **Debiet uit vermogen en ΔT** > Debiet (l/h) = vermogen (W) / (1,163 × ΔT in K). Bij gelijk vermogen is het debiet omgekeerd evenredig met ΔT: een grotere spreiding tussen aanvoer en retour betekent minder water. Voorbeeld: 20 kW bij ΔT = 20 K geeft 20.000 / (1,163 × 20) = 860 l/h. Bij ΔT = 30 K is het ongeveer 570 l/h. Welke ΔT bij jouw toestel hoort, zoek je in de handleiding op. Voorbeelden, per model verschillend: Remeha noemt bij de Calenta 20 K voor het restopvoerhoogte-diagram, en Intergas vraagt bij het inregelen van de Kombi Kompakt HRE een temperatuurverschil tussen aanvoer en retour van ongeveer 20 graden. Een lage retourtemperatuur is gunstig voor het rendement, want dan gaat de ketel condenseren (les 2.5). #### Tapwater: waarom een combiketel veel vermogen nodig heeft Voor tapwater geldt dezelfde rekensom. De Gaskeur CW-eisen gaan uit van koud water van 10 °C en warm water van 60 °C, dus 50 K. Een toestel van klasse CW4 moet minstens 7,5 l/min van 60 °C leveren. - 7,5 l/min is 450 l/h. - P = 450 l/h × 1,163 Wh/(l K) × 50 K = 26.168 W, dus ongeveer 26 kW in het water. Voor de douche is het water minder heet: 12,5 l/min van 40 °C komt volgens dezelfde tabel overeen met die 7,5 l/min van 60 °C. Dat klopt: 12,5 × 30 K = 375 en 7,5 × 50 K = 375. Er gaat evenveel warmte in het water, want het bijgemengde koude water hoeft niet verwarmd te worden. #### Warmte die je niet aan de temperatuur ziet Niet alle warmte zie je terug op een thermometer. Als waterdamp in het rookgas condenseert, komt er warmte vrij zonder dat de temperatuur verandert: latente warmte. Een HR-ketel benut die. Remeha noemt voor de Calenta ongeveer 55 °C als grens waaronder de waterdamp condenseert. De condensatiewarmte gaat dan naar het cv-water en is ongeveer 10% van de verbrandingswarmte (les 2.5). **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom temperatuur en warmte twee verschillende grootheden zijn - Ik reken met Q = m × c × ΔT en houd de eenheden (kJ, kWh, K) uit elkaar - Ik kan uit vermogen en ΔT het debiet van het cv-water berekenen - Ik weet dat c = 4,19 kJ/(kg K) en 1 liter = 1 kg aannames zijn met een kleine afwijking bij warm water ### Les 2.2: Vermogen en energie: kW, kWh en m³ gas URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vermogen-en-energie-kw-kwh-en-m-gas/ **Leerdoel:** Je kunt vermogen en energie uit elkaar houden en uit vermogen en rendement het gasverbruik in m³ en de energie in kWh berekenen. #### Vermogen is de snelheid, energie is de afstand Kilowatt (kW) en kilowattuur (kWh) worden voortdurend door elkaar gehaald. Denk aan een auto: kW is de snelheid op je teller, kWh is de afgelegde afstand. Vermogen is energie per tijd, energie is wat je in een bepaalde tijd hebt geleverd of verbruikt. Een toestel van 24 kW dat een uur op vol vermogen draait, levert 24 kWh. Een half uur is 12 kWh. Om tussen eenheden te wisselen onthoud je: 1 kWh = 3,6 MJ. > **Vermogen × tijd = energie** > P (kW) × t (h) = E (kWh). Een ketel verbruikt dus geen kW maar kWh. En hij draait zelden op vol vermogen: een Remeha Calenta 25s moduleert bijvoorbeeld tussen 5,2 en 25,0 kW (Hi), per model verschillend. Voor de energie heb je het gemiddelde vermogen of het gemeten verbruik nodig, niet het maximumvermogen. #### Van kWh naar m³ gas Een gasrekening werkt in m³, een ketel in kW. De energie zit in het gas: 1 m³(n) Nederlands aardgas bevat ongeveer 35,17 MJ op bovenwaarde (Hs) en 31,65 MJ op onderwaarde (Hi). Delen door 3,6 geeft kWh. Wat Hs en Hi precies zijn, leer je in les 2.5. Hier hoef je alleen te weten dat het twee referenties zijn en dat je bij het rekenen bij een van de twee blijft. | Hoeveelheid aardgas | Bovenwaarde (Hs) | Onderwaarde (Hi) | |---|---|---| | 1 m³(n) in MJ | 35,17 | 31,65 | | 1 m³(n) in kWh | 9,769 | 8,792 | | 1000 m³(n) in kWh | 9769 | 8792 | Dit zijn gemiddelden. De Hs-waarde is die van Groningen-equivalent gas, de Hi-waarde komt uit de Nederlandse energiedragerlijst (januari 2026). De werkelijke energie per m³ verschilt per gaskwaliteit: G-gas bevat ongeveer 14% stikstof dat niet brandt, en daarom levert een m³ ervan minder energie dan een m³ buitenlands H-gas. #### Gasverbruik uitrekenen Uit het nuttige vermogen en het rendement volgt het gasverbruik: V (m³(n)/h) = P / (η × calorische waarde) Hierin is P het nuttige vermogen in kW en η het rendement als fractie (dus 0,893 en niet 89,3). Neem bij een rendement op Hi de waarde 8,792 kWh/m³ en bij een rendement op Hs de waarde 9,769 kWh/m³. Mix je die, dan maak je een fout van ongeveer 10%. ##### Rekenvoorbeeld Een Remeha Avanta 24c levert bij 80/60 °C een nuttig vermogen van 17,8 kW met 99,1% rendement op Hi, dat is 89,3% op Hs (uit de handleiding, per model verschillend). - Op Hi: V = 17,8 / (0,991 × 8,792) = 2,04 m³(n)/h - Op Hs: V = 17,8 / (0,893 × 9,769) = 2,04 m³(n)/h Beide routes geven hetzelfde antwoord, en dat is een handige controle op je rekenwerk. In 3 uur is dat ongeveer 6,1 m³(n). Reken je met EUR 1,00 per m³ (een rond getal voor het voorbeeld, geen actueel tarief), dan kost dat ongeveer EUR 6,10. Ook het maximum kun je toetsen. Een ketel die 24 kW aan gas opneemt (op Hi), gebruikt 24 / 8,792 = 2,7 m³(n)/h. Een gasmeter G4, de standaard huisaansluiting, kan volgens Enexis maximaal 6 m³ per uur doorlaten. #### Wat is een m³ eigenlijk? Een m³ gas is geen vaste hoeveelheid, want gas zet uit als het warmer wordt. Daarom is 1 m³(n) gedefinieerd als het volume bij 0 °C (273,15 K) en 101,325 kPa. Hetzelfde gas neemt bij 15 °C (288,15 K) en dezelfde druk 288,15 / 273,15 = 1,055 keer zoveel ruimte in: ruim 5% meer m³ voor dezelfde energie. Welke referentie de m³ op een gasrekening heeft (0 °C, 15 °C of de omstandigheden bij de meter), is in deze cursus niet vastgesteld. Reken voor een schatting met de m³(n)-waarden hierboven, houd rekening met een marge van ongeveer 5% en vraag het de netbeheerder of leverancier als het ertoe doet. Kijk bij een gasverbruik uit een fabrikanthandleiding ook altijd welke referentie erbij staat. **Controleer jezelf:** - Ik kan het verschil tussen kW en kWh uitleggen en kWh omrekenen naar MJ - Ik reken gasverbruik uit met V = P / (η × calorische waarde) en houd Hi en Hs op dezelfde basis - Ik weet ongeveer hoeveel energie een m³(n) aardgas bevat en dat dat een gemiddelde is - Ik weet dat een m³ zonder referentie (0 °C, 15 °C of meterconditie) geen vaste hoeveelheid gas is ### Les 2.3: Warmteoverdracht: geleiding, stroming en straling URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/warmteoverdracht-geleiding-stroming-en-straling/ **Leerdoel:** Je herkent geleiding, stroming en straling in een cv-installatie en weet welke invloed elk heeft op comfort en rendement. #### Drie manieren waarop warmte zich verplaatst Warmte gaat altijd van warm naar koud. Dat gebeurt op drie manieren, en in een cv-installatie zie je ze alle drie, achter elkaar. | Vorm | Wat gebeurt er | Waar in de installatie | |---|---|---| | Geleiding | Warmte gaat door een vaste stof, van deeltje naar deeltje | Door de wand van de warmtewisselaar, de leiding en de radiator | | Stroming (convectie) | Een stromende vloeistof of gas neemt de warmte mee | Rookgas langs de wisselaar, cv-water door de leidingen, kamerlucht langs de radiator | | Straling | Warmte gaat als straling door de ruimte, zonder stof ertussen | Van radiator en vloer naar wanden en mensen | In een HR-ketel loopt de keten zo: het rookgas stroomt langs de wisselaar, de warmte gaat door het metaal (geleiding), het water voert die warmte af naar de radiatoren en daar komt ze in de kamer via langsstromende lucht en straling. > **Elke schakel in de keten telt mee** > De warmte moet een hele keten door: vlam, rookgas, metaal, water, radiator, kamerlucht. Elke schakel is een weerstand. Een laagje kalk of magnetiet in de wisselaar, te weinig doorstroming of een radiator die te klein is voor de gevraagde temperatuur maakt de keten slechter, en dat merk je terug in comfort en rendement. #### Geleiding: door het metaal Metalen geleiden warmte goed, en daarom is een warmtewisselaar van metaal. Fabrikanten kiezen verschillende materialen: aluminium (Remeha Calenta Ace), roestvast staal (ATAG) en bij de Intergas Kombi Kompakt HRE een aluminium wisselaar met twee gescheiden koperen circuits voor cv en tapwater. Afzettingen geleiden warmte slechter dan het metaal en werken als een extra weerstand. Bij kalk in de tapwaterwisselaar spelen onder meer de waterhardheid en de ingestelde tapwatertemperatuur een rol (Remeha, Vaillant). In het cv-water speelt magnetiet: Vaillant en ATAG adviseren spoelen en een filter of magnetietafscheider. #### Stroming: het cv-water en de pomp In de installatie zorgt de pomp voor gedwongen stroming. Debiet en ΔT hangen samen (les 2.1): bij gelijk vermogen betekent minder debiet een groter ΔT. Te weinig doorstroming laat radiatoren niet goed warm worden, te veel geeft stromingsgeluid. Remeha laat daarom bij stromingsgeluid de maximale pompsnelheid verlagen en bij onvoldoende doorstroming de minimale pompsnelheid verhogen (installateursparameters van de Calenta). Het debiet opvoeren kost bovendien veel: verdubbel je het debiet in een gelijkblijvend leidingnet, dan wordt de drukval ongeveer viermaal zo groot (bij turbulente stroming). #### Straling en de afgifte in de kamer Een radiator geeft warmte af aan de lucht die erlangs stroomt en door straling aan wanden en mensen. Hoeveel, hangt sterk af van het temperatuurverschil tussen radiator en kamer. De fabrikant geeft het vermogen bij een genormaliseerd temperatuurverschil van 50 K, en je rekent het om met Q = Q50 × (ΔT / 50)^n Hierin is n een exponent die de fabrikant opgeeft en die gemiddeld ongeveer 1,3 is (per radiator verschillend). Meestal is ΔT hier het verschil tussen de gemiddelde watertemperatuur en de kamertemperatuur. Controleer welke definitie de fabrikant gebruikt. ##### Rekenvoorbeeld: een radiator op lage temperatuur Een radiator geeft 1000 W bij ΔT = 50 K (een getal voor het voorbeeld). De gemiddelde watertemperatuur is 50 °C en de kamer 20 °C, dus ΔT = 30 K. Met n = 1,3 is Q = 1000 × (30 / 50)^1,3 = 1000 × 0,515 = ongeveer 515 W. Dat is ongeveer de helft, niet de 600 W van een evenredige berekening. Wil je dezelfde warmte met een lagere temperatuur, dan heb je meer of grotere radiatoren nodig, of een woning die minder warmte verliest (les 2.4). Vloerverwarming laat hetzelfde principe zien. De vloer mag in de verblijfszone volgens EN 1264 maximaal 29 °C worden (35 °C in de randzone), dus het temperatuurverschil met de kamer is klein. Dat wordt gecompenseerd door het oppervlak: de hele vloer geeft warmte af, en daarom kan vloerverwarming met een lage watertemperatuur werken. #### Warmteoverdracht en rendement Hoe lager de retourtemperatuur, hoe meer warmte je uit het rookgas haalt. Onder het dauwpunt van het rookgas, dat bij gangbare instelling rond 54 tot 56 °C ligt, condenseert waterdamp en komt er extra warmte vrij. Voorbeeld uit de handleiding van de Remeha Calenta 25s: bij 25,0 kW belasting (Hi) is het nuttige vermogen 24,8 kW bij 80/60 °C en 25,5 kW bij 50/30 °C. Dat is ongeveer 99% en 102% op onderwaarde: hoe dat boven 100% kan, leer je in les 2.5. **Controleer jezelf:** - Ik herken geleiding, stroming en straling in de keten vlam, wisselaar, water, radiator en kamer - Ik weet dat het radiatorvermogen sneller dan evenredig met ΔT afneemt (Q = Q50 × (ΔT / 50)^n) en dat de fabrikant n opgeeft - Ik kan uitleggen waarom een lage retourtemperatuur condensatie en extra warmte oplevert - Ik weet dat te weinig doorstroming radiatoren koud laat en te veel doorstroming geluid en drukval geeft ### Les 2.4: Warmteverlies van een woning URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/warmteverlies-van-een-woning/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen waar het warmteverlies van een woning vandaan komt en het benodigde ketelvermogen in grote lijnen beoordelen. #### Waar raakt een woning warmte kwijt? Een woning is een emmer met gaten: zolang het binnen warmer is dan buiten, stroomt er warmte naar buiten. De ketel en de radiatoren moeten precies dat verlies aanvullen: wie het kent, weet welk vermogen nodig is. In Nederland rekent men woningen door met ISSO 51, een methode die op de Europese norm NEN-EN 12831 is gebaseerd. Die telt het warmteverlies op uit vier posten: | Post | Wat gaat er verloren | |---|---| | Transmissie | Warmte die door gevel, dak, vloer, ramen en deuren naar buiten gaat | | Ventilatie | Warme lucht die bewust wordt afgevoerd en vervangen door koude buitenlucht | | Opwarmen | Extra vermogen om een afgekoelde woning weer op temperatuur te brengen | | Systeem | Verlies van het verwarmingssysteem zelf | Infiltratie is het onbedoelde broertje van ventilatie: koude buitenlucht die door kieren en naden naar binnen komt. De methode rekent dit onder het ventilatieverlies (buitenluchttoetreding). In beide gevallen moet koude lucht worden verwarmd: hoe groter de luchtstroom en het temperatuurverschil, hoe groter het verlies. #### Transmissieverlies: Q = U × A × ΔT De U-waarde (in W/(m² K)) zegt hoeveel vermogen er per m² door een constructie gaat bij 1 K temperatuurverschil. Hoe beter de isolatie (hoe hoger de warmteweerstand R in m² K/W), hoe lager de U-waarde. Voor een constructiedeel geldt Q = U × A × ΔT met A het oppervlak in m² en ΔT het verschil tussen binnen- en buitentemperatuur in K. > **Het verlies is evenredig met U, A en ΔT** > Halveer je de U-waarde (dikker isoleren), het oppervlak of het temperatuurverschil, dan halveert het verlies. ##### Rekenvoorbeeld 100 m² gevel met U = 0,4 W/(m² K). Binnen is het 20 °C, buiten -10 °C, dus ΔT = 20 - (-10) = 30 K. - Q = 100 m² × 0,4 W/(m² K) × 30 K = 1200 W. - Na dikker isoleren tot U = 0,2 W/(m² K) is het 600 W. Alleen transmissie: koudebruggen, ventilatie en opwarmen zitten er niet in. > **Verdieping: welke buitentemperatuur gebruik je?** > Een installatie wordt berekend op de koudste dag die je nog wilt opvangen. ISSO 51 (uitgave 2017) rekent met -10 °C, met een correctie voor de traagheid van het gebouw waardoor een goed geïsoleerd gebouw tussen -6 en -10 °C uitkomt. Een nieuwere uitgave (2023) is niet nagelopen. Gebruik voor een echte berekening de actuele methode, geen vuistregel. #### Van warmteverlies naar ketelvermogen Het verlies volgt het temperatuurverschil, dat per dag verschilt. De ketel moet de koudste dag aankunnen, maar zit de rest van het jaar ver onder dat vermogen: dat wringt bij een te groot toestel. ##### Rekenvoorbeeld: waarom een te grote ketel gaat takten Stel dat een woning 200 W per K temperatuurverschil verliest (transmissie en ventilatie samen, een aangenomen getal). - Op de ontwerpdag (ΔT = 30 K): 200 × 30 = 6000 W = 6 kW. - Bij 5 °C buiten (ΔT = 15 K): 200 × 15 = 3000 W = 3 kW. Een Remeha Calenta 25s (een ketel alleen voor verwarming) heeft een minimale belasting van 5,2 kW en kan niet verder terug moduleren (voorbeeld, per model verschillend). Bij 3 kW vraag slaat hij aan en uit: taktend bedrijf. Aan blijven op de kleinste stand kan pas vanaf een vraag van 5,2 kW, dus vanaf ΔT = 5200 / 200 = 26 K. Bij 20 °C binnen is dat buiten -6 °C of kouder. Extra vermogen is dus geen gratis marge: het maakt pendelen waarschijnlijker. Kijk daarom ook naar de kleinste stand van een ketel. #### Isolatie, aanvoertemperatuur en rendement Minder warmteverlies betekent dat de radiatoren minder hoeven af te geven, en dan mag het water koeler. Stel dat een radiator bij ΔT = 50 K (gemiddeld 70 °C water, 20 °C kamer) de volle warmtevraag dekt en dat het verlies door isolatie halveert. Met n = 1,3 uit les 2.3 volstaat dan ΔT = 50 × 0,5^(1/1,3) = 29 K, dus een gemiddelde watertemperatuur van ongeveer 49 °C. De retour ligt daar nog onder en dus onder het dauwpunt van het rookgas (54 tot 56 °C): de ketel gaat condenseren en het rendement stijgt. > **Warmte sparen door ventilatie dicht te zetten** > Bij een open opstelling mag de luchttoevoeropening van het toestel niet worden afgesloten en mogen de nodige verbrandingsluchtopeningen van de opstelruimte niet worden verkleind of afgesloten (fabrikantvoorschrift, bijvoorbeeld Remeha). Verminder warmteverlies door kieren te dichten en beter te isoleren, niet door ventilatieopeningen dicht te plakken. Zie je dat verbrandingsluchtopeningen zijn dichtgezet of verkleind, leg dat dan uit aan de klant, laat de openingen herstellen en meet CO in de opstellingsruimte: bij waarden vanaf 5 ppm handel je volgens [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/). **Controleer jezelf:** - Ik kan de posten van het warmteverlies noemen: transmissie, ventilatie en infiltratie, opwarmen en systeem - Ik reken transmissieverlies uit met Q = U × A × ΔT en let op de eenheden - Ik kan uitleggen waarom een te groot ketelvermogen tot takten leidt - Ik weet dat ventilatie en verbrandingsluchtopeningen nooit een middel zijn om warmte te sparen ### Les 2.5: Rendement en verliezen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/rendement-en-verliezen/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe het rendement van een ketel is opgebouwd en waarom Hs en Hi twee verschillende referenties zijn. #### Rendement: wat je eruit haalt, gedeeld door wat je erin stopt Het rendement η van een ketel is de nuttig afgegeven warmte gedeeld door de energie in het gas dat je erin stopt. Zonder context zegt het weinig: je moet weten op welke calorische waarde het is gebaseerd (Hs of Hi), bij welk vermogen (vol- of deellast) en bij welke watertemperaturen. #### Bovenwaarde en onderwaarde Bij verbranding van aardgas ontstaat waterdamp. Als die damp condenseert, komt er warmte vrij. Of je die condensatiewarmte meetelt in de energie-inhoud van het gas, bepaalt of je Hs of Hi gebruikt. - De **bovenwaarde (Hs)** gaat ervan uit dat het verbrandingswater volledig condenseert: de condensatiewarmte telt mee. - De **onderwaarde (Hi)** gaat ervan uit dat het water damp blijft: de condensatiewarmte telt niet mee. Voor Nederlands aardgas is Hs = 35,17 MJ/m³(n) = 9,769 kWh/m³(n) en Hi = 31,65 MJ/m³(n) = 8,792 kWh/m³(n). Kiwa noemt voor aardgas (G25) een verhouding Hi/Hs van 0,902. Met de gemiddelden hierboven kom je op 31,65 / 35,17 = 0,900. Het verschil is klein: voor omrekeningen tussen Hs en Hi rekenen we in de cursus met de normwaarde 0,902. De condensatiewarmte is dus (35,17 - 31,65) / 35,17 = 10,0% van Hs, oftewel 11,1% van Hi. > **Zelfde ketel, twee rendementen** > Het rendement op Hi is ongeveer 11% hoger dan dat op Hs (delen door 0,902). Op bovenwaarde kan een ketel niet boven 100% komen, op onderwaarde wel, tot 1 / 0,902 = 110,9%. Een rendement boven 100% op Hi is geen perpetuum mobile: de condensatiewarmte wordt wel benut, maar staat niet in de noemer. #### HR107: 107% waarvan? Hier gaat het vaak mis. HR107 betekent 107% rendement op de onderwaarde (Hi), niet op de bovenwaarde. Op bovenwaarde is dat 96,5% (96,5 / 0,902 = 107,0). Dat is de deellasteis van het huidige Gaskeur HR-label: bij 30% van de grootste nominale belasting minstens 96,5% Hs. De naam HR107 kennen we uit secundaire bronnen als oude labelnaam, de 96,5% Hs staat in de BRL Gaskeur HR zelf. In Europa en in Gaskeur is het Hs-rendement de standaard, het Hi-rendement is de oude Nederlandse uitdrukking. Zie je "107%" in een folder, lees dan "Hi". #### Rekenvoorbeeld: wat de retourtemperatuur doet Rendementen uit de handleiding van de Remeha Avanta 24c (een voorbeeld, per model verschilt het): | Bedrijfspunt | Rendement Hs | Rendement Hi | |---|---|---| | Vollast, 80/60 °C | 89,3% | 99,1% | | Vollast, 50/30 °C | 94,0% | 104,4% | | Laaglast, retour 60 °C | 84,9% | 94,3% | | Deellast (Gaskeur HR-methode), retour 30 °C | 97,9% | 108,7% | In elke rij is het rendement op Hs ongeveer 0,90 keer dat op Hi. Van 30 naar 60 °C retour daalt het Hs-rendement met 13 procentpunt. Wat dat voor het gasverbruik betekent, zie je bij 1000 kWh nuttige warmte: - Bij 80/60 (89,3% Hs): 1000 / 0,893 = 1120 kWh Hs, dus 1120 / 9,769 = 114,6 m³(n). - Bij 50/30 (94,0% Hs): 1000 / 0,940 = 1064 kWh Hs, dus 1064 / 9,769 = 108,9 m³(n). Dat scheelt 5,7 m³(n), ongeveer 5%, alleen door lagere temperaturen. #### Waar blijft de rest? De verliezen Het rendement is nooit 100% op Hs. Het verlies zit in drie posten: 1. **Niet benutte condensatiewarmte.** Bij een hoge retourtemperatuur blijft de waterdamp damp en verdwijnt de condensatiewarmte met het rookgas: tot ongeveer 10% van Hs. Condensatie begint pas onder het dauwpunt, bij gangbare luchtovermaat (lambda 1,2 tot 1,3) rond 54 tot 56 °C. 2. **Voelbare rookgaswarmte.** Het rookgas verlaat de ketel warmer dan de kamer. Hoe hoger de rookgastemperatuur en hoe meer luchtovermaat, hoe meer warmte er verloren gaat. Bij de Avanta 24c ligt de rookgastemperatuur tussen 30 en 80 °C. Een lage waarde kan alleen bij een koude retour, want het rookgas koelt niet af tot onder de temperatuur van het water. 3. **Stilstandsverlies van de behuizing.** De ketel is warmer dan zijn omgeving en geeft warmte af: 48 W bij 30 K en 79 W bij 50 K temperatuurverschil met de omgeving (Avanta). Dat is ongeveer 1,6 W per K: hetzelfde principe als het transmissieverlies uit les 2.4. Hoe groot het voelbare rookgasverlies precies is, is hier niet doorgerekend. Onvolledige verbranding is een vierde verlies: CO is onverbrand brandstof en er komt minder warmte vrij. > **Rendement is nooit een reden om buiten de afstelwaarden te gaan** > Minder lucht geeft minder rookgasverlies, maar bij te weinig lucht of een gekoelde vlam ontstaat koolmonoxide (CO), en dat is levensgevaarlijk. Stel een ketel alleen af binnen de waarden van de fabrikant voor dat model en meet de CO. Meer over verbranding en CO volgt in module 4. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat Hs en Hi zijn en waarom een rendement op Hi hoger uitkomt dan op Hs - Ik reken een rendement om met Hi/Hs = 0,902 en weet dat HR107 107% op Hi is, dus 96,5% op Hs - Ik noem bij een rendement altijd de basis (Hs of Hi), de belasting en de temperaturen - Ik kan de drie belangrijkste verliesposten van een HR-ketel noemen - Ik weet dat rendement nooit een reden is om buiten de afstelwaarden van de fabrikant te gaan ## Module 3: Water, druk en hydrauliek URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/water-druk-en-hydrauliek/ Water, druk en stroming in een cv-installatie: van vuldruk en expansievat tot pompwerking en debiet. Drukverlies, lucht in het systeem en een verkeerd expansievat zijn klassieke storingsoorzaken, dus hier zit veel van je diagnosekracht. Een cv-installatie is een gesloten waterkring onder druk. Het water zet uit als het warm wordt, lucht en vuil veroorzaken storingen, en de pomp bepaalt samen met de weerstand van het leidingnet hoeveel water er stroomt. Wie begrijpt hoe druk, uitzetting, pomp en debiet samenwerken, weet bij een klacht meteen waar hij moet zoeken: lek, vat, pomp of water. Deze module loopt van de basis (druk en drukverschil) via vuldruk, expansievat en veiligheidsventiel naar de pomp, de waterkwaliteit en het berekenen van het overgedragen vermogen uit debiet en temperatuurverschil. Waarden uit handleidingen zijn voorbeelden per model: voordruk, vuldruk en pH verschillen per fabrikant. Je leert dus vooral de redenering en waar je het voorschrift opzoekt. **Na deze module kun je:** - Druk, drukverschil en stroming uit elkaar houden - De juiste vuldruk en voordruk van het expansievat bepalen - De werking van expansievat en veiligheidsventiel uitleggen en diagnosticeren - Pompkarakteristiek en installatieweerstand aan elkaar koppelen - Uit debiet en temperatuurverschil het overgedragen vermogen berekenen ### Les 3.1: Druk, drukverschil en stroming URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/druk-drukverschil-en-stroming/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wat druk en drukverschil zijn, drukeenheden omrekenen en zeggen waarom water alleen stroomt door een drukverschil. #### Wat is druk, en in welke eenheid? Druk is kracht per oppervlak. De SI-eenheid is de pascal: 1 Pa is 1 newton per vierkante meter. Dat is heel weinig, dus in het vak gebruik je grotere eenheden. | Eenheid | Gelijk aan | Waar je hem tegenkomt | |---|---|---| | 1 mbar | 100 Pa | gasdruk, drukval van ketel en radiatoren | | 1 kPa | 10 mbar | sommige handleidingen geven gasdruk in kPa | | 1 bar | 100 kPa = 1000 mbar | waterdruk, veiligheidsventiel | | 1 m waterkolom | ongeveer 0,1 bar | hoogteverschil in de installatie | Water meet je in bar, gas in mbar. Fabrikanten noemen als nominale aansluitdruk voor aardgas 25 mbar (G25.3) of 20 mbar (G20), bijvoorbeeld in de documenten van de Remeha Calenta Ace en de Intergas Kombi Kompakt HRE. Het veiligheidsventiel van een woninginstallatie opent meestal bij 3 bar. Dat is 3000 mbar, dus 120 keer zoveel als 25 mbar. Verwar de twee nooit: een fout van een factor 1000 in een eenheid is een gevaarlijke fout. #### Overdruk en absolute druk De buitenlucht drukt zelf ook, ongeveer 1,0 bar. Een manometer toont meestal de **overdruk**: de druk boven de buitenlucht. In deze module is elke druk een overdruk, tenzij er absoluut bij staat. De formule voor het expansievat rekent wel met absolute druk: overdruk plus ongeveer 1,0 bar. Flamco rekent zo in zijn voorbeelden, met 1,0 bar als aanname voor de buitenlucht. Je ziet dat terug in les 3.3. #### Hoogte geeft druk Water in een verticale leiding weegt en drukt op wat eronder zit. De druk door een waterkolom is p = ρ x g x h. Voor 1 meter koud water (ρ = 1000 kg/m3, g = 9,81 m/s2): p = 1000 x 9,81 x 1 = 9810 Pa = 98,1 mbar, dus ongeveer 0,1 bar. Flamco rekent in zijn expansievatberekening met 0,1 bar per meter. Tien meter hoogteverschil is dus ongeveer 1 bar. Staat de manometer van de ketel op 1,6 bar (pomp uit) en zit een radiator 6 m hoger, dan staat daar ongeveer 1,6 - 0,6 = 1,0 bar. Die hoogte is de basis van les 3.2. #### Stroming: alleen door een drukverschil > **Een drukverschil zet water in beweging, druk alleen niet** > Water stroomt alleen van een punt met hogere druk naar een punt met lagere druk. Twee punten op dezelfde hoogte met allebei 2,0 bar hebben geen stroming tussen zich, hoe hoog die druk ook is. De manometer laat zien hoeveel druk er staat, niet of het water stroomt. In de installatie maakt de pomp het drukverschil. De weerstand van leidingen, radiatoren, kranen en de warmtewisselaar gebruikt dat drukverschil weer op. Die drukafname heet **drukval**. Bij turbulente stroming neemt de drukval ongeveer toe met het kwadraat van het debiet: verdubbel je het debiet, dan wordt de drukval ongeveer viermaal zo groot. Stroming zie je dus niet aan de manometer. De Intergas Kombi Kompakt HRE heeft daarvoor een stromingssensor. De Remeha Calenta bewaakt de doorstroming via temperatuurmetingen. Als monteur meet je stroming meestal via het temperatuurverschil, zie les 3.6. #### Rekenvoorbeeld: eenheden en verhoudingen Remeha geeft voor de Calenta 25s en 28c een restopvoerhoogte van 295 mbar bij een temperatuurverschil van 20 K. Dit is een voorbeeld: het verschilt per model. Omrekenen: - 295 mbar x 100 Pa/mbar = 29.500 Pa = 29,5 kPa = 0,295 bar - Als hoogte: 0,295 bar / 0,1 bar per m = 2,95 m, dus ongeveer 3 meter waterkolom Wat restopvoerhoogte precies is, leer je in les 3.4. Nog een voorbeeld met de kwadratenregel. Stel dat een radiatorcircuit bij 400 l/h een drukval van 30 mbar heeft (aanname). Bij 800 l/h is het debiet 2 keer zo groot, dus de drukval is 2 x 2 = 4 keer zo groot: 30 x 4 = 120 mbar. Een pomp die het circuit bij 800 l/h moet doorstromen, moet dus veel meer drukverschil leveren dan bij 400 l/h. **Controleer jezelf:** - Ik reken bar, kPa, mbar en Pa om zonder te gokken - Ik weet dat 1 meter hoogteverschil in water ongeveer 0,1 bar geeft - Ik kan uitleggen waarom een manometer niet laat zien of water stroomt - Ik weet dat de drukval ongeveer met het kwadraat van het debiet toeneemt - Ik onderscheid overdruk en absolute druk ### Les 3.2: Waterdruk in een cv-installatie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/waterdruk-in-een-cv-installatie/ **Leerdoel:** Je kunt uit de statische hoogte de voordruk van het vat en de vuldruk van de installatie bepalen en zeggen waarom fabrikanten daarin verschillen. #### Waarom je de hoogte van de installatie nodig hebt In een gevulde installatie neemt de druk per meter hoogte met ongeveer 0,1 bar af (les 3.1). Onderin staat dus meer druk dan bovenin. Op het hoogste punt moet er nog overdruk zijn, anders trekt de installatie lucht aan. Daarom hangt de juiste druk af van de **statische hoogte**: het hoogteverschil tussen het aansluitpunt van het expansievat en het hoogste punt van de installatie. #### Van hoogte naar voordruk Volgens Flamco, op basis van EN 12828, is de voordruk van het vat: P0 = P_ST + P_D + P_Z (+ P_pomp) - **P_ST** is de statische druk: 0,1 bar per meter hoogte. - **P_D** is de dampdruk. In een woninginstallatie waarin het water onder het kookpunt blijft, laat je die weg. Flamco schrijft hem in zijn berekening niet uit. - **P_Z** is een druktoeslag van minstens 0,2 bar. - **P_pomp** telt alleen in bepaalde opstellingen mee. Kijk daarvoor in de berekening van de fabrikant. De uitkomst rond je naar boven af op een veelvoud van 0,5 bar. Een vat op zolder ligt dicht bij het hoogste punt, dus P_ST is klein. Flamco geeft bij een zolderopstelling de voorkeur aan 0,5 bar voordruk. > **Voordruk en vuldruk zijn twee verschillende getallen** > De voordruk is de gasdruk in het vat: je meet hem op het stikstofventiel, zonder waterdruk op het membraan (les 3.3). De vuldruk is de waterdruk waarmee je de koude installatie vult. Die ligt hoger dan de voordruk. Flamco noemt op basis van EN 12828 een vuldruk van P0 + 0,3 bar. Vaillant eist een vuldruk van minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het membraanexpansievat. Onthoud dus niet "vuldruk is statische druk plus 0,2 of 0,3": dat slaat de voordruk over. #### Rekenvoorbeeld: hoogste punt 6 m boven het vat 1. P_ST = 6 m x 0,1 bar/m = 0,6 bar 2. P0 = 0,6 + 0,2 = 0,8 bar 3. Naar boven afronden op een veelvoud van 0,5 bar: voordruk = 1,0 bar 4. Vuldruk volgens Flamco en EN 12828: 1,0 + 0,3 = 1,3 bar 5. Vuldruk volgens Vaillant: minstens 1,0 + 0,2 = 1,2 bar, dus 1,3 bar voldoet ook Controle: zitten ketel en vat op dezelfde hoogte en staat de manometer op 1,3 bar, dan staat op het hoogste punt (pomp uit) ongeveer 1,3 - 0,6 = 0,7 bar overdruk. Dat is positief, dus er wordt geen lucht aangetrokken. De einddruk bij opwarmen moet bovendien onder het veiligheidsventiel blijven, zie les 3.3. #### Fabrikanten verschillen ATAG geeft voor de i-Serie een tabel met de voordruk bij de installatiehoogte boven het vat. Vergelijk die met de Flamco-berekening (toeslag 0,2 bar, afronden op 0,5 bar): | Hoogte boven het vat | ATAG i-Serie | Flamco-berekening | |---|---|---| | 5 m | 0,5 bar | 0,5 + 0,2 = 0,7, dus 1,0 bar | | 10 m | 1,0 bar | 1,0 + 0,2 = 1,2, dus 1,5 bar | | 15 m | 1,5 bar | 1,5 + 0,2 = 1,7, dus 2,0 bar | Beide komen uit een fabrikantbron en ze verschillen 0,5 bar. Er is dus niet een enkel juist getal: je volgt de tabel of berekening die bij jouw ketel en vat hoort. Ook de werkbereiken van ketels verschillen. Dit zijn voorbeelden per model: | Model | Waterdruk volgens de handleiding | |---|---| | Remeha Calenta | minimaal 0,8 bar (daaronder verschijnt een symbool), geadviseerde vuldruk 1,5 tot 2 bar, maximaal 3,0 bar | | Remeha Tzerra Ace | minimaal 0,8 bar, geadviseerd 1,5 tot 2 bar, bijvullen tot 2 bar en na het ontluchten opnieuw controleren | | Vaillant ecoTEC plus VHR | bedrijfsvuldruk 1,0 tot 2,0 bar, minimaal 0,80 bar houden, vuldruk minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het vat | | ATAG i-Serie | code 117 bij een druk boven 3 bar | De vuldruk van 1,3 bar uit het rekenvoorbeeld hoort bij de vatberekening. Remeha adviseert voor de Calenta 1,5 tot 2 bar. Botsen de twee, dan loop je de berekening na en gok je niet. #### Bijvullen in de praktijk Een bewoner mag zelf cv-water bijvullen, zie [les 1.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-wet-wie-mag-wat-aan-een-gasverbrandingstoestel/). Je klant heeft dat dus vaak al gedaan voor je komt. Vraag daarom hoe vaak hij bijvult en hoeveel: een installatie die steeds druk verliest, heeft een oorzaak. **Controleer jezelf:** - Ik kan de statische druk uit de hoogte berekenen (0,1 bar per meter) - Ik kan met de Flamco-formule een voordruk bepalen en afronden op 0,5 bar - Ik weet dat vuldruk boven de voordruk ligt en dat fabrikanten daar een eigen marge voor noemen - Ik zoek voor het werkbereik de handleiding van de ketel op, met minimum en maximum ### Les 3.3: Uitzetting, expansievat en veiligheidsventiel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/uitzetting-expansievat-en-veiligheidsventiel/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen waarom een expansievat nodig is, hoe je de voordruk controleert en wat een afblazend veiligheidsventiel je vertelt. #### Water zet uit als het warm wordt Een gesloten installatie zit vol water. Warmt dat op, dan zet het uit, en water laat zich vrijwel niet samendrukken. Zonder extra ruimte loopt de druk dan snel op. Flamco noemt voor 100 liter water dat van 10 naar 80 °C opwarmt een uitzetting van ongeveer 3 %, dus 3 liter. Uit de tabel van Flamco (ten opzichte van 4 °C): | Watertemperatuur | Volumevermeerdering | |---|---| | 70 °C | 2,22 % | | 80 °C | 2,82 % | | 90 °C | 3,47 % | | 100 °C | 4,16 % | Rekenen vanaf 10 °C in plaats van 4 °C scheelt slechts 0,03 procentpunt. #### Hoe het membraanexpansievat werkt In het vat scheidt een membraan de waterzijde van een gaskussen. Het gaskussen staat onder de **voordruk**. Zet het water uit, dan duwt het het membraan op en wordt het gas samengedrukt. Bij afkoelen duwt het gas het water terug. Dit volgt de wet van Boyle, met absolute druk: het nuttig effect is G = (Pe - P0) / Pe. De brutoinhoud van het vat is V_bruto = (Ve + Vwr) / G. Ve is de uitzetting en Vwr de **waterreserve**: water dat ook bij koude installatie in het vat blijft staan, zodat het vat bij afkoelen niet droog komt. Flamco rekent standaard 0,5 % van de inhoud met een minimum van 3 liter en adviseert in de praktijk minstens 6 liter. De waterreserve wordt bepaald door het verschil tussen vuldruk en voordruk. > **De voordruk is de sleutel, en je meet hem op het ventiel** > Het vat werkt alleen goed als de voordruk klopt met de installatie en de vuldruk daarbij past. Voordruk meet je op het stikstofvulventiel, in onbelaste toestand (vat afgesloten van de waterzijde) en bij omgevingstemperatuur. #### Rekenvoorbeeld: installatie van 100 liter Aannames: uitzetting 10 tot 80 °C, voordruk 1,0 bar, einddruk 2,7 bar (allebei overdruk), waterreserve 6 liter. 1. Uitzetting: Ve = 100 l x 0,03 = 3 l 2. Absolute drukken: P0 = 1,0 + 1,0 = 2,0 bar en Pe = 2,7 + 1,0 = 3,7 bar 3. Nuttig effect: G = (3,7 - 2,0) / 3,7 = 0,46 4. Brutoinhoud: V_bruto = (3 + 6) / 0,46 = 19,6 l 5. Je kiest het eerstvolgende vat uit de reeks van de fabrikant: hier 24 liter Vatmaten verschillen per fabrikant. Met overdrukken in plaats van absolute drukken krijg je een te hoog nuttig effect en dus een te klein vat. #### De voordruk meten 1. Laat de installatie afkoelen en maak hem drukloos. Het water kan heet zijn. 2. Sluit het vat af van de waterzijde, zodat er geen waterdruk op het membraan staat. 3. Meet op het stikstofvulventiel van het vat. 4. Vergelijk met de berekende of voorgeschreven voordruk. Corrigeer volgens de instructie van de vatfabrikant en vul daarna de installatie tot de vuldruk. Kloppen op het vat (boven hol, onder massief) is geen erkende methode. Meet de voordruk op het ventiel. #### Het veiligheidsventiel Het veiligheidsventiel van een woninginstallatie opent meestal bij 3 bar. Remeha noemt voor de Calenta 3,0 bar als maximale waterbedrijfsdruk. Flamco rekent met een maximale einddruk van minstens 10 % onder de openingsdruk: bij 3 bar is dat 2,7 bar. In normaal bedrijf hoort het ventiel dus niet af te blazen. Doet het dat wel, dan is de druk tot ongeveer 3 bar gekomen en moet je uitzoeken waarom. > **Haal de beveiliging nooit weg** > Sluit de afvoer van een druppelend of afblazend ventiel niet af en verwijder het ventiel niet. Het begrenst de druk op 3 bar, de maximale waterbedrijfsdruk van deze ketels. Zonder ventiel kan de druk verder oplopen dan de installatie aankan. Zoek de oorzaak van het afblazen. > > Sluit het ventiel ook niet af van het toestel: tussen het toestel en het veiligheidsventiel mag geen afsluiter of vernauwing zitten. Intergas eist dat voor de Kombi Kompakt HRE en plaatst het ventiel binnen 500 mm van het toestel. Monteer je serviceafsluiters in de cv-leidingen, dan horen volgens Remeha (Calenta) de vul- en aftapkraan en het expansievat tussen de afsluiter en de ketel. Kunnen thermostaatkranen de aanvoer geheel van de retour afsluiten, dan schrijft Remeha een bypass voor of het expansievat in de aanvoerleiding. Dit zijn voorschriften van deze toestellen: lees altijd de handleiding van het toestel dat je voor je hebt. #### Druk stijgt of druk zakt: twee richtingen Flamco beschrijft twee mogelijkheden. **Te veel water** in het systeem, of een te hoge vuldruk, laat de einddruk te snel oplopen: het ventiel opent onnodig en de ketel kan in storing vallen. ATAG meldt bij een druk boven 3 bar code 117. Ook een voordruk die ver onder de voorgeschreven waarde ligt kan hiertoe leiden, want dan zit er bij koude installatie al veel meer water in het vat dan de berekening aannam. **Te weinig water** laat het vat bij afkoelen droog staan: de druk valt weg, er kunnen onderdruk en luchtproblemen ontstaan en de pomp kan cavitereren. Bij een zakkende druk noemt Vaillant voor F.022 onder meer te weinig water, een defecte druksensor of vulvoorziening, een defect intern expansievat en lucht in het product. Vervang niet op verdenking: lees de druk koud en warm af, meet de voordruk en kijk of het ventiel en de afvoer nat zijn. Op de storingzoeker-pagina staat een casus over een installatie waarvan de waterdruk elke week zakt, waarin je dit doorloopt. **Controleer jezelf:** - Ik kan de uitzetting van een installatie berekenen met ongeveer 3 % voor 10 tot 80 °C - Ik kan uitleggen wat voordruk, vuldruk, waterreserve en nuttig effect zijn - Ik meet de voordruk op het ventiel, in onbelaste toestand en niet met een klop-test - Ik weet dat een afblazend ventiel betekent dat de druk tot ongeveer 3 bar is gekomen - Ik dop of vervang een veiligheidsventiel niet zonder eerst de oorzaak te vinden ### Les 3.4: De pomp: opvoerhoogte, weerstand en werkpunt URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-pomp-opvoerhoogte-weerstand-en-werkpunt/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe pompkarakteristiek en installatieweerstand samen het debiet bepalen en wat je bij te weinig of te veel doorstroming instelt. #### Wat de pomp doet De pomp zorgt voor stroming door een drukverschil te maken (les 3.1). Dat drukverschil heet de **opvoerhoogte** en druk je uit in mbar, kPa of meter waterkolom. De statische druk in de installatie volgt uit vuldruk en hoogte (les 3.2). De pomp draait daar alleen een drukverschil overheen, zodat het water rondgaat. #### Twee krommen en een snijpunt - De **pompkarakteristiek** laat zien hoeveel opvoerhoogte de pomp levert bij een bepaald debiet. Bij een centrifugaalpomp daalt de opvoerhoogte als het debiet toeneemt. Remeha toont in de handleiding van de Calenta de pompkarakteristieken (H-Q). Een modulerende pomp heeft geen enkele kromme maar een reeks: bij elk toerental een andere. - De **installatiekarakteristiek** laat zien hoeveel drukval het leidingnet, de radiatoren en de ketel veroorzaken bij een bepaald debiet. Bij een gelijkblijvend leidingnet neemt die drukval ongeveer toe met het kwadraat van het debiet (aanname: turbulente stroming). - Het **werkpunt** ligt waar de twee krommen elkaar snijden. Daar levert de pomp precies de opvoerhoogte die het leidingnet opvreet. Het begrip **restopvoerhoogte** hoort daarbij: de opvoerhoogte die overblijft voor het leidingnet en de radiatoren, nadat de weerstand van de ketel zelf is afgetrokken. Remeha noemt voor de Calenta 25s en 28c een restopvoerhoogte van 295 mbar bij een temperatuurverschil van 20 K. Dit is een voorbeeld, het verschilt per model. > **Pomp en installatie samen bepalen het debiet** > Het debiet volgt uit het snijpunt van de pompkarakteristiek en de installatiekarakteristiek, niet uit de pomp alleen. Neemt de weerstand toe (kranen dicht, vervuiling), dan schuift het werkpunt naar een lager debiet. Zet je de pomp hoger of lager, dan verschuift de pompkromme en dus ook het werkpunt. #### Rekenvoorbeeld: waarom een groter temperatuurverschil de pomp ontlast Een installatie van 20 kW heeft bij een temperatuurverschil (ΔT) van 20 K een debiet van ongeveer 860 l/h en bij 30 K ongeveer 570 l/h. Hoe je dat berekent, leer je in les 3.6. Stel dat het leidingnet bij 860 l/h een drukval van 80 mbar heeft (aanname). Bij 570 l/h geldt: - debietverhouding: 570 / 860 = 0,66 - drukval: 80 mbar x 0,66 x 0,66 = 80 x 0,44 = ongeveer 35 mbar Een derde minder debiet betekent dus meer dan de helft minder drukval. Welke ΔT bij jouw toestel hoort, zoek je in de handleiding op: Remeha noemt voor de Calenta een restopvoerhoogte bij 20 K. #### Wat je als monteur tegenkomt - **Pompstand of pompsnelheid.** Bij de Intergas Kombi Kompakt HRE stel je de pompstand in op het gewenste maximale vermogen en de waterzijdige weerstand. Een te lage pompstand staat in de handleiding als een van de oorzaken van "CV komt niet op temperatuur", naast een te lage installatiedruk, te weinig open radiatoren (minimaal 2 of 3) en vervuiling. - **Parameters.** Remeha laat bij stromingsgeluid de maximale pompsnelheid verlagen (na het ontluchten) en bij onvoldoende doorstroming van radiatoren de minimale pompsnelheid verhogen, via installateursparameters. De Calenta heeft een modulerende pomp die de besturing regelt op het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour. - **Bypass.** De Vaillant ecoTEC plus heeft een hoogefficiënte pomp en een overstroomklep (bypass). Werking en instelling staan per model in de handleiding. - **Tweede pomp.** Intergas waarschuwt dat een vloerverwarmingsverdeler met eigen pomp die niet hydraulisch neutraal is aangesloten, ongewenste circulatie over het toestel kan veroorzaken. Oplossingen zijn indirect hydraulisch neutraal aansluiten of een elektrische afsluiter (tweewegklepset). Kies bij een elektrische afsluiter de positie zo dat het veiligheidsventiel en het expansievat niet van het toestel kunnen worden geïsoleerd, en verwijder bij een tweewegklep de interne terugslagklep in de retourbuis (Intergas Kombi Kompakt HRE). - **Onderdruk.** Te weinig water of druk laat het vat droog staan en de pomp kan cavitereren (les 3.3). Bij het plaatsen of vervangen van een toestel moet het afgiftesysteem waterzijdig worden ingeregeld en gedocumenteerd. Dat is een wettelijke verplichting, ook al eist de BRL dat niet zelf. Een pompstand die je op gevoel kiest, past daar niet bij. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een pompkarakteristiek en een installatiekarakteristiek zijn - Ik weet dat het werkpunt op het snijpunt van de twee krommen ligt - Ik weet dat de drukval ongeveer met het kwadraat van het debiet toeneemt - Ik zoek pompstand en parameters op in de handleiding van het toestel - Ik controleer bij te weinig doorstroming eerst ontluchting, open kranen en vervuiling ### Les 3.5: Waterkwaliteit, lucht en vuil URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/waterkwaliteit-lucht-en-vuil/ **Leerdoel:** Je weet welke invloed waterkwaliteit, lucht en vuil op een ketel hebben, waarom fabrikanten eigen eisen stellen en in welke volgorde je spoelt, vult en ontlucht. #### Het water is onderdeel van de installatie Het cv-water raakt elke plek van de warmtewisselaar, de pomp en de radiatoren. Kalk, magnetiet (ijzeroxide uit staal) en lucht zorgen voor storingen en slijtage. Fabrikanten stellen daarom eisen aan het vulwater en verbinden er garantie aan: ATAG laat de garantie vervallen als de installatie niet is gespoeld of het vulwater buiten de specificatie valt. #### Er is geen algemeen pH-venster Fabrikanten noemen verschillende grenzen. Dit zijn voorbeelden per model, geen algemene waarden: | Model | pH | Andere eisen uit de handleiding | |---|---|---| | Remeha Calenta | 7 tot 9 onbehandeld, 7 tot 8,5 behandeld | hardheid 0,5 tot 20,0 dH, afhankelijk van het totaal opgestelde vermogen; geen chemische middelen zonder overleg met Remeha | | ATAG i-Serie | 6,0 tot 8,5 | geleidbaarheid maximaal 2500 µS/cm bij 20 °C, ijzer maximaal 0,2 ppm, hardheid 1 tot 12 dH (onder 20 l/kW) of 1 tot 7 dH (vanaf 20 l/kW), maximaal 5 % bijvullen per jaar, geen grondwater, demi-water of gedestilleerd water | | Vaillant ecoTEC plus VHR | 8,2 tot 10,0, gemeten in afgetapt water bij 25 °C | daarbuiten reinigen en conditioneren; hardheid van vul- en bijvulwater meten; conditioneren als de totale vul- en bijvulhoeveelheid het drievoudige van het nominale installatievolume overschrijdt | | Nefit ProLine NxT | 7,0 tot 9,5 | oude uitgave uit 2014 | Een pH van 7,2 is dus goed voor een Calenta en te laag voor een ecoTEC plus. Waarom de vensters verschillen, staat niet in de bronnen die deze cursus gebruikt. > **Het voorschrift van de fabrikant bepaalt, niet een vuistregel** > Er is geen algemeen pH-venster voor cv-water. Zoek de eisen op bij het model dat je vult of onderhoudt en voeg geen chemische middelen toe zonder dat het voorschrift dat toestaat. Remeha eist overleg voordat je antivries, inhibitor of pH-middel toevoegt. #### Spoelen, vullen, ontluchten: de volgorde 1. **Spoelen voor het aansluiten.** Remeha eist dat een nieuwe ketel pas wordt aangesloten nadat de installatie is gereinigd en doorgespoeld met minimaal 3 keer de systeeminhoud. ATAG laat spoelen om magnetiet, fitproducten en snijolie te verwijderen en adviseert een filter. 2. **Vullen met geschikt water.** Meet de hardheid van vul- en bijvulwater (Vaillant) en houd je aan de eisen uit de tabel. Alle radiatorkranen staan open. Remeha laat de Calenta binnen 30 minuten vullen, omdat het ontluchtingsprogramma anders alsnog start. 3. **Ontluchten.** Ontlucht de hoogste radiator. Vaillant gebruikt daarvoor testprogramma P.000, de Calenta doorloopt een ontluchtingsprogramma van ongeveer 3 minuten. 4. **Druk opnieuw controleren.** Remeha vult de Tzerra Ace bij tot 2 bar en controleert na het ontluchten opnieuw. 5. **Vastleggen.** ATAG adviseert een logboek van watertype en toegevoegde middelen. Een bewoner mag zelf ontluchten en bijvullen, zie [les 1.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-wet-wie-mag-wat-aan-een-gasverbrandingstoestel/). #### Lucht en vuil als oorzaak Lucht in de installatie neem je serieus. Flamco noemt onderdruk, luchtproblemen en een pomp die kan cavitereren bij te weinig water, en Vaillant noemt lucht in het product bij lage waterdruk (F.022). Vers water brengt bovendien zuurstof en kalk in het systeem, zegt ATAG. Voor vuil geldt: controleer op magnetiet. Vaillant gebruikt daarvoor een magneetstaaf, laat reinigen en een magnetietafscheider inbouwen als er magnetiet wordt gevonden. Intergas noemt vervuiling van de wisselaar of installatie als een van de oorzaken van "CV komt niet op temperatuur". Op de tapwaterzijde hangt kalkafzetting af van de waterhardheid, het tapgedrag en de ingestelde temperatuur: Vaillant zegt dat een hogere temperatuur de kans op kalkuitval vergroot. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel bijvullen is te veel? ATAG noemt meer dan 5 % bijvullen per jaar een structureel probleem. Een installatie van 120 liter mag dus ongeveer 120 x 0,05 = 6 liter per jaar bijvullen. Vult een klant elke maand 2 liter bij, dan is dat 24 liter per jaar: 24 / 120 = 20 %, viermaal de grens. Rekent Vaillant de eerste vulling mee (de handleiding noemt de totale vul- en bijvulhoeveelheid), dan is het drievoudige van het installatievolume, 360 liter, na ongeveer 10 jaar bereikt: 120 + 10 x 24 = 360 liter. Structureel bijvullen is dus geen onderhoud maar een symptoom: zoek het lek of de drukoorzaak (les 3.3). **Controleer jezelf:** - Ik weet dat er geen algemeen pH-venster bestaat en zoek de eisen per model op - Ik spoel voor het aansluiten, vul met geschikt water en ontlucht daarna - Ik controleer na het ontluchten de druk opnieuw - Ik voeg zonder voorschrift geen chemische middelen toe - Ik herken meer dan 5 % bijvullen per jaar als teken van een probleem ### Les 3.6: Delta T en debiet URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/delta-t-en-debiet/ **Leerdoel:** Je kunt uit debiet en temperatuurverschil het overgedragen vermogen berekenen, en omgekeerd, en een installatie daarmee beoordelen. #### Vermogen, debiet en temperatuurverschil horen bij elkaar Het water neemt in de ketel warmte op en geeft die af in de radiatoren. Het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour heet **ΔT** (delta T). Hoeveel vermogen het water transporteert, hangt af van het debiet en van ΔT: P = m x c x ΔT (voor de soortelijke warmte zie les 2.1). Voor water levert dat een handige formule: > **Debiet (l/h) = vermogen (W) / (1,163 x ΔT)** > De 1,163 komt uit de soortelijke warmte van water: c = 4,19 kJ/(kg K) = 1,163 Wh/(kg K), met 1 liter water als 1 kg. Dat is een afronding: bij 70 tot 80 °C zit je er 2 tot 3 % naast. Ken je twee van de drie grootheden (vermogen, debiet, ΔT), dan kun je de derde berekenen. In liters per minuut is dat: P (kW) ≈ 0,07 x debiet (l/min) x ΔT (K), want 1,163 x 60 / 1000 = 0,0698. #### Rekenvoorbeelden **Debiet uit vermogen en ΔT.** Een ketel levert 20 kW. - Bij ΔT = 20 K: 20.000 / (1,163 x 20) = 860 l/h - Bij ΔT = 30 K: 20.000 / (1,163 x 30) = 573 l/h, ongeveer 570 l/h **ΔT uit vermogen en debiet.** Intergas noemt bij de Kombi Kompakt HRE een minimale doorstroomhoeveelheid van 510 l/h bij 17,8 kW. Bij dat minimum is ΔT = 17.800 / (510 x 1,163) = 30 K. Ook de minimale doorstroomhoeveelheden van 155 tot 1150 l/h bij 5,4 tot 40,9 kW in dezelfde handleiding komen uit op ongeveer 30 K. Remeha noemt voor de Calenta een restopvoerhoogte bij 20 K. Welke ΔT bij jouw toestel hoort, zoek je in de handleiding op. **Tapwater.** Een CW4-toestel moet volgens Kiwa minstens 7,5 l/min van 60 °C leveren, bij koud water van 10 °C (zo noemt Intergas het in zijn monobloc-handleiding). Het water warmt dus 50 K op: P = 0,07 x 7,5 x 50 = ongeveer 26 kW. Zo zie je dat tapwater veel vermogen vraagt, ook al is het debiet klein. #### Een installatie beoordelen met ΔT Een ketel meet aanvoer en retour met sensoren en Remeha regelt de pomp van de Calenta op het temperatuurverschil. Hoe je de waarden bij jouw model uitleest, staat in de handleiding. Vervolgens vergelijk je ΔT met wat het toestel bij dat vermogen hoort. | Wat je ziet (bij bekend vermogen) | Wat het betekent | |---|---| | ΔT veel groter dan het ontwerp, ketel warm, radiatoren lauw | te weinig debiet: pompstand te laag, kranen dicht, lucht of vuil | | ΔT veel kleiner dan het ontwerp bij hoog vermogen | veel debiet: pompstand te hoog, mogelijk stromingsgeluid | Let op: ΔT zegt alleen iets bij een bekend vermogen. Volgens de formule is ΔT = P / (debiet x 1,163): bij hetzelfde debiet geeft een lager vermogen (de ketel moduleert terug) een kleiner ΔT. Beoordeel dus bij vollast of bij een bekend vermogen, en noteer dat erbij. Bij het plaatsen of vervangen van een toestel moet het afgiftesysteem waterzijdig worden ingeregeld en gedocumenteerd. ΔT en debiet zijn daar het gereedschap voor. In les 3.4 zag je welke instellingen (pompstand, parameters) je daarvoor hebt. #### ΔT en condensatie Een lagere retourtemperatuur is gunstig voor een condenserende ketel. Het dauwpunt van het rookgas van aardgas ligt bij gangbare instelling rond 54 tot 56 °C (afgeleid, het hangt af van de luchtovermaat). Komt het retourwater daaronder, dan condenseert er waterdamp en wordt de condensatiewarmte benut. De Remeha Calenta 25s levert bij 25,0 kW (Hi) 24,8 kW bij regime 80/60 (aanvoer/retour in °C) en 25,5 kW bij 50/30: ongeveer 99 % tegenover 102 %. Voorbeeld: bij een aanvoer van 70 °C is de retour 50 °C bij ΔT = 20 K en 40 °C bij ΔT = 30 K. In beide gevallen ligt de retour onder het dauwpunt, maar bij 40 °C condenseert er meer. Bij dezelfde aanvoertemperatuur geeft een groter ΔT dus niet alleen minder pompwerk (les 3.4), maar ook meer condensatie. **Controleer jezelf:** - Ik kan uit vermogen en ΔT het debiet berekenen, en uit debiet en ΔT het vermogen - Ik weet waar de 1,163 vandaan komt en dat het een afronding is - Ik beoordeel ΔT alleen bij een bekend vermogen - Ik weet dat een te groot ΔT bij vollast op te weinig debiet wijst - Ik zoek de ΔT en de minimale doorstroming van het toestel op in de handleiding ## Module 4: Gas, verbranding en koolmonoxide URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/gas-verbranding-en-koolmonoxide/ Van aardgas tot koolmonoxide: wat er precies gebeurt in de vlam, waarom verbranding onvolledig kan zijn en hoe CO het lichaam aantast. Het theoretisch hart van het examen en van je verantwoordelijkheid. Deze module draait om twee vragen: wat gebeurt er in de vlam, en wat komt er uit het rookgas? Je leert welk gas een woning krijgt, hoeveel lucht een verbranding nodig heeft, hoe je uit een O2-meting de luchtovermaat afleidt, en wat er misgaat als de verbranding onvolledig is. Die stof keert terug in het examen, in je metingen en in elk oordeel dat je over een toestel geeft. De getallen komen uit het feitenregister van de cursus: wetteksten, certificatieschema's, Kiwa-tabellen en fabrikanthandleidingen, aangevuld met eigen berekeningen waarvan de aannames erbij staan. Waarden van fabrikanten zijn voorbeelden en verschillen per model. Waar een bron een vraag open laat, zoals of de CO-grenzen in het rookgas luchtvrij zijn, zeggen de lessen dat ook. **Na deze module kun je:** - De gassoorten en gasdrukken in Nederland benoemen en hun gevolgen voor het toestel uitleggen - Volledige en onvolledige verbranding uitleggen met luchtbehoefte en luchtovermaat - Het verband tussen O2, CO2 en lambda gebruiken bij het beoordelen van een meting - Uitleggen hoe CO het lichaam aantast en welke richtwaarden en handelingskaders er zijn - Condensatie, dauwpunt en rendement aan elkaar koppelen - Bij een CO-alarm de eerste maatregelen goed nemen ### Les 4.1: Aardgas in Nederland: gassoorten, gasdruk en Wobbe URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aardgas-in-nederland-gassoorten-gasdruk-en-wobbe/ **Leerdoel:** Je kunt de gassoorten in Nederland benoemen en uitleggen wat de Wobbe-index en de gasdruk betekenen voor een toestel. #### Twee gaskwaliteiten: G-gas en H-gas Het Nederlandse gastransportnet vervoert twee kwaliteiten: **G-gas** (laagcalorisch, van oorsprong Groningengas) en **H-gas** (hoogcalorisch). G-gas bevat ongeveer 14% stikstof. Dat brandt niet, dus er zit minder energie in een kubieke meter dan in buitenlands H-gas. Het Groningenveld is sinds 19 april 2024 definitief gesloten. Huishoudens krijgen G-gas nu doordat buitenlands H-gas met stikstof wordt verdund (pseudo-Groningengas, stikstoffabriek Zuidbroek). Of woningen ooit naar H-gas worden omgeschakeld, is in de bronnen die voor deze cursus zijn nagelopen niet vastgesteld. Ga daarom niet uit van een gassoort: lees in het toestelvoorschrift voor welk gas het toestel is afgesteld. #### De Wobbe-index Twee gassen met een verschillende samenstelling kunnen bij dezelfde brander toch evenveel warmte geven. Dat beschrijft de **Wobbe-index**: de calorische bovenwaarde (Hs) gedeeld door de wortel van de relatieve dichtheid (dichtheid ten opzichte van lucht). Gassen met dezelfde Wobbe-index leveren bij dezelfde brander en gasdruk bij benadering dezelfde warmtebelasting. De reden: een zwaarder gas stroomt bij dezelfde druk langzamer door de sproeier. De Wobbe-index legt de energie per m³ en de dichtheid daarom samen in één getal vast. Alle waarden gelden per normaal-kubieke meter, m³(n): het volume bij 0 °C en 101,325 kPa. | Gas | Wobbe-index (Hs) in MJ/m³(n) | Waar het vandaan komt | |---|---|---| | G-gas, eis bij invoeding en aflevering | 43,46 tot 44,41 | Regeling gaskwaliteit, sinds 2026 Energieregeling | | Referentiegas G25 (L-groep) | 43,88 | Kiwa BRL Gaskeur CV:2021 | | Referentiegas G25.3 (K-groep) | 45,07 | Kiwa BRL Gaskeur CV:2021 | | H-gas | 49,9 tot 55,7 bij invoeding, 47 tot 55,7 bij aflevering | Regeling gaskwaliteit | #### Welk gas hoort bij welk toestel Toestellen worden gekeurd op referentiegassen: G25 voor de L-groep, G25.3 voor de K-groep en G20 voor de E-groep (H-gas). Een gewone Nederlandse woning zit in de K-groep. Een categorie als II2EK3P betekent dat het toestel af fabriek is afgesteld op K-gas en met een ombouw of herafstelling geschikt kan worden gemaakt voor E-gas (H-gas) en propaan. > **G20 op 20 mbar is H-gas, geen huisgas** > Een gewone Nederlandse woning heeft G-gas (K-groep, referentiegas G25.3) op een nominale druk van 25 mbar. De 20 mbar hoort bij G20, het E-gas (H-gas) van ombouw en keuring. Wie leert dat G20 op 20 mbar de standaard woningsituatie is, leert het verkeerd. #### Gasdruk in de woning Gasdruk geef je in mbar (1 mbar = 0,1 kPa = 100 Pa). Het lagedrukgasnet staat meestal op 100 mbar en deels op 30 mbar. In woningen op 100-mbargebied verlaagt een huisdrukregelaar de druk tot 30 mbar. Woningtoestellen op aardgas hebben een nominale aansluitdruk van 25 mbar (2,5 kPa). Voorbeeld uit de Remeha Avanta (handleiding v.13, categorie II2EK3P), per model verschilt dit: | Gas | Nominale aansluitdruk | Toegestane gasvoordruk | |---|---|---| | G25.3 (K-gas, jouw woning) | 25 mbar | 20 tot 30 mbar | | G20 (E-gas, H-gas) | 20 mbar | 17 tot 30 mbar | | G31 (propaan) | 30 tot 50 mbar | 30 tot 50 mbar | De Intergas Kombi Kompakt noemt dezelfde drukken en meldt 'voordruk te laag' onder 20 mbar. De bronnen zijn het niet volledig eens over het nominale getal: keuringsregeling en fabrikanten noemen 25 mbar, Netbeheer Nederland noemt 30 mbar als ontwerpdruk van huishoudelijke toestellen. In de praktijk ligt de druk bij het toestel dus ruwweg tussen 25 en 30 mbar. Voor de beoordeling geldt het toegestane bereik in de handleiding van het model, niet je eigen vuistregel. #### Rekenvoorbeeld: een lagere Wobbe-index geeft meer luchtovermaat Een toestel is afgesteld op G25.3 (Wobbe 45,07) met lambda 1,3, dat is 5,2% O2 in het droge rookgas (zie [les 4.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/luchtovermaat-lambda-en-het-verband-tussen-o2-en-co2/)). Het net levert G25 (Wobbe 43,88). Volgens Kiwa verschuift lambda mee met de Wobbe-index: - lambda nieuw = 1,3 × 45,07 / 43,88 = 1,335 - de O2-meting stijgt daarmee van 5,2% naar 5,6% Er is niets mis met het toestel: het gas is anders. Wie dat niet weet, gaat onnodig bijstellen. De typische denkfout is de omgekeerde deling (1,3 × 43,88 / 45,07 = 1,27): een lagere Wobbe-index geeft meer lucht per hoeveelheid brandstof, niet minder. > **Verdieping: waarom staat er m³(n) en geen m³?** > Een gas zet uit bij hogere temperatuur. 1 m³ gas van 15 °C bevat ongeveer 5% minder gas dan 1 m³(n) van 0 °C (273,15 / 288,15 = 0,948). Of de m³ op de gasmeter en de gasrekening een m³(n) is, is voor deze cursus niet vastgesteld. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom G-gas minder energie per m³ heeft dan H-gas - Ik weet welk gas en welke nominale druk een gewone woning heeft, en bij welk gas 20 mbar hoort - Ik kan de Wobbe-index definiëren en uitleggen waarom hij voor toestellen telt - Ik raadpleeg voor het toegestane drukbereik altijd de handleiding van het model ### Les 4.2: Volledige verbranding en de luchtbehoefte URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/volledige-verbranding-en-de-luchtbehoefte/ **Leerdoel:** Je kunt de verbranding van aardgas opstellen en de benodigde hoeveelheid lucht bepalen. #### Wat er in de vlam gebeurt Aardgas bestaat vooral uit methaan (CH4). Verbranden is een reactie met zuurstof uit de lucht. Bij volledige verbranding zijn het resultaat koolstofdioxide, waterdamp en warmte: CH4 + 2 O2 → CO2 + 2 H2O + warmte Voor de kleine componenten in aardgas geldt hetzelfde principe: C2H6 + 3,5 O2 → 2 CO2 + 3 H2O en C3H8 + 5 O2 → 3 CO2 + 4 H2O. Stikstof (N2) in het gas brandt niet mee. Blijft er te weinig lucht of wordt de vlam gekoeld, dan verloopt de reactie niet volledig: dan ontstaat CO ([les 4.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/onvolledige-verbranding-en-het-ontstaan-van-co/)). #### Hoeveel lucht heb je nodig Lucht is geen zuivere zuurstof. De tabellen van Kiwa rekenen met 20,94% O2, 79,02% N2 en 0,04% CO2 in droge lucht. De vuistregel '21% zuurstof' is een afronding. Voor 1 m³ methaan is 2 m³ zuurstof nodig, dus: lucht = 2 m³ O2 / 0,2094 = 9,55 m³ lucht per m³ methaan De stikstof uit de lucht (circa 7,55 m³ per m³ methaan) doet niet mee met de reactie. Hij wordt wel opgewarmd en verlaat het toestel met het rookgas. | Gas | Samenstelling (rekenaanname) | Minimaal benodigde lucht | |---|---|---| | Methaan (G20 gerekend als zuiver methaan) | 100% CH4 | 9,55 m³ per m³ gas | | G25-achtig gas | 86% CH4, 14% N2 | 0,86 × 9,55 = 8,21 m³ per m³ gas | | Gas met wat ethaan en propaan | voorbeeldsamenstelling, eigen rekenaanname | circa 8,4 m³ per m³ gas | Dit zijn rekenwaarden. De wet noemt geen getal per m³ gas: de capaciteit van de luchttoevoer moet minimaal de volgens de toestelspecificaties benodigde capaciteit zijn (voor toestellen tot 130 kW, bepaald volgens NEN 1087 of NEN 8087). Als orde van grootte kom je uit op 8 tot 10 m³ lucht per m³ gas, afhankelijk van de gassamenstelling. > **Zonder genoeg lucht geen volledige verbranding** > Per m³ gas heb je minstens 8 tot 9,5 m³ lucht nodig, want alleen de 20,94% zuurstof reageert. Een te krappe of geblokkeerde luchttoevoer is daarom het begin van onvolledige verbranding en van CO. #### Rekenvoorbeeld: lucht voor een toestel van 24 kW Een toestel met 24,0 kW ingangsvermogen (op onderwaarde, Hi) draait op vollast op Nederlands aardgas van 8,792 kWh per m³(n) Hi. Rekenen met kW en kWh: 1 kW is 1 kWh per uur. - gasverbruik: 24,0 kW / 8,792 kWh/m³(n) = 2,73 m³(n)/h - minimale lucht: 2,73 m³(n)/h × 8,4 m³ lucht per m³ gas = 22,9 m³(n)/h, dat is 6,4 dm³/s Dit is het theoretische minimum. In werkelijkheid krijgt de vlam meer lucht dan dit; hoeveel en waarom, leer je in [les 4.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/luchtovermaat-lambda-en-het-verband-tussen-o2-en-co2/). #### De lucht moet schoon zijn Verbrandingslucht moet vrij zijn van chloor- en fluorverbindingen. Die zijn uitermate corrosief en zitten in spuitbussen, verf, oplosmiddelen, reinigingsmiddelen, waspoeder, lijm en pekel. Zuig daarom geen lucht aan via ruimten waar deze producten worden gebruikt, zoals een kapsalon, stomerij, industriële ruimte of een ruimte met koelinstallatie. Volgens Remeha vervalt bij corrosie hierdoor de garantie. Ook mag bij een open opstelling de luchttoevoeropening van het toestel niet worden afgesloten en mogen de verbrandingsluchtopeningen van de opstelruimte niet worden verkleind of afgesloten. De luchtstroom moet volgens het Bbl van de toevoervoorziening naar het toestel gaan. > **Verdieping: waar komt de warmte vandaan?** > Bij de reactie ontstaat 2 mol waterdamp per mol methaan. De calorische bovenwaarde Hs (35,17 MJ/m³ voor Groningen-equivalent gas) telt de condensatiewarmte van die damp mee, de onderwaarde Hi (31,65 MJ/m³(n) voor gemiddeld aardgas) niet. De verhouding Hi/Hs is 0,902 voor aardgas. Dat verschil van circa 10% is precies de winst die een condenserende ketel kan halen: zie [les 4.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/condensatie-dauwpunt-condensaat-en-rendement/). **Controleer jezelf:** - Ik kan de verbranding van methaan opschrijven en de luchtbehoefte per m³ gas uitrekenen - Ik weet dat de wet geen getal per m³ gas noemt en dat de toestelspecificaties de luchtcapaciteit bepalen - Ik reken een gasverbruik uit met kW, kWh per m³ en de juiste eenheden - Ik weet welke stoffen verbrandingslucht ongeschikt maken ### Les 4.3: Luchtovermaat, lambda en het verband tussen O2 en CO2 URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/luchtovermaat-lambda-en-het-verband-tussen-o2-en-co2/ **Leerdoel:** Je kunt uit een gemeten O2- of CO2-waarde de luchtovermaat afleiden en beoordelen of de verbranding klopt. #### Lambda: hoeveel lucht je werkelijk geeft **Lambda** is de verhouding tussen de werkelijk toegevoerde en de theoretisch benodigde hoeveelheid lucht (zie [les 4.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/volledige-verbranding-en-de-luchtbehoefte/)). Bij lambda 1,0 is er precies genoeg lucht voor de reactievergelijking, bij lambda 1,2 is er 20% luchtovermaat. Onder lambda 1,0 is er te weinig zuurstof en ontstaat CO. Vlam en lucht mengen nooit perfect, dus een toestel werkt met luchtovermaat. Te veel lucht kost rendement: het extra rookgas voert voelbare warmte af. De Gaskeur-rendementsmeting is afgesproken bij lambda 1,2, wat bij G20 overeenkomt met 9,6% CO2. #### Wat je meet: O2 en CO2 in droog rookgas Je meet geen lambda maar O2 en CO2 in het droge rookgas. Meer luchtovermaat betekent meer O2 en minder CO2. De twee hangen lineair samen via de maximale CO2-waarde bij lambda 1,0 (CO2max): 11,74% voor methaan (G20) en 11,52% voor G25-achtig gas. CO2 = CO2max × (1 − O2 / 20,94) De tabel van Kiwa (BRL Gaskeur CV:2021, droog rookgas) geeft de samenhang. Voor G25.3 geeft Kiwa alleen O2, bijna gelijk aan G25 (lambda 1,2: 3,77%). | Lambda | G25: O2 | G25: CO2 | G20: O2 | G20: CO2 | |---|---|---|---|---| | 1,1 | 2,07% | 10,39% | 2,10% | 10,56% | | 1,2 | 3,77% | 9,46% | 3,82% | 9,60% | | 1,3 | 5,18% | 8,68% | 5,26% | 8,80% | | 1,4 | 6,38% | 8,02% | 6,47% | 8,13% | #### Rekenvoorbeeld: van O2 naar CO2 en lambda Je meet op een G20-toestel 3,82% O2 in het droge rookgas. - CO2 = 11,74 × (1 − 3,82 / 20,94) = 11,74 × 0,8176 = 9,60% - Uit de tabel: 3,82% O2 hoort bij lambda 1,2 Een veelgebruikte benadering is lambda = 20,94 / (20,94 − O2). Die overschat lambda: bij 3,82% O2 geeft ze 20,94 / 17,12 = 1,223 terwijl de exacte waarde 1,2 is. Bij G20 en 4,0% O2 is het 1,236 tegenover 1,211, en bij 5,0% O2 is het 1,314 tegenover 1,281. Gebruik de tabel van Kiwa of van de fabrikant, niet de benadering. > **Lambda lees je af, je meet O2** > Lambda is geen meetwaarde maar een uitkomst: je meet O2 (en CO2) in droog rookgas en zoekt lambda op in de tabel voor de juiste gassoort. Werk je op basis van CO2 alleen, dan zeg je weinig over de luchtovermaat. #### Waarom je op O2 afstelt en niet op CO2 Het gedistribueerde G-gas kan tot 10,5% CO2 bevatten. Daardoor kan het rookgas bij stoichiometrische verbranding circa 1 procentpunt extra CO2 bevatten, en dan zegt de CO2-meting niet meer betrouwbaar hoeveel lucht er is. Remeha stelt cv-toestellen daarom niet meer af op CO2 maar op O2. Kiwa eist voor toestellen van categorie I2EK dat de gas/luchtverhouding op een O2-meting wordt ingesteld, met een totale meetonnauwkeurigheid van maximaal 0,3 procentpunt. Ook de Wobbe-index verschuift je O2-meting (zie [les 4.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aardgas-in-nederland-gassoorten-gasdruk-en-wobbe/)). Let op de meting zelf: laat de sonde het meetpunt niet lekken, want meegezogen lucht verdunt het monster. Een te hoge O2-waarde kan wijzen op een lekkend meetsysteem. #### Voorbeelden van instelwaarden per model Elk model heeft eigen grenzen. Dit zijn voorbeelden, het verschilt per model en de handleiding is leidend. Waarden in droog rookgas. | Model en meetconditie | Gas | Vollast | Laaglast | |---|---|---|---| | Remeha Avanta (v.13), meten zonder frontmantel | G25.3 | O2 4,4 tot 4,9% | O2 4,9 tot 5,4% | | Remeha Avanta (v.13), meten zonder frontmantel | G20 | O2 4,7 tot 5,2% | O2 5,2 tot 5,7% | | Intergas Kombi Kompakt HRE, meten met open mantel | G25.3 | O2 3,15 tot 5,70% (CO2 8,4 tot 9,8%) | hangt af van de hooglastwaarde, tot 6,05% O2 | Bij de Remeha Avanta moet O2 bij vollast lager zijn dan bij laaglast. Het bereik van de Intergas is veel breder dan dat van de Remeha: vergelijk dus nooit merken met elkaar. **Controleer jezelf:** - Ik kan lambda definiëren en bij een O2-meting de luchtovermaat uit de tabel opzoeken - Ik kan CO2 uitrekenen uit O2 met CO2max - Ik weet waarom O2 bij G-gas betrouwbaarder is dan CO2 - Ik lees de O2-grenzen en de meetconditie altijd uit de handleiding van het model ### Les 4.4: Onvolledige verbranding en het ontstaan van CO URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/onvolledige-verbranding-en-het-ontstaan-van-co/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen waardoor een verbranding onvolledig wordt en hoe je de oorzaak in de installatie herkent. #### Wat er gebeurt als de verbranding tekortschiet Bij onvolledige verbranding, door te weinig lucht of een gekoelde vlam, ontstaat CO in plaats van CO2. Een voorbeeld: 2 CH4 + 3 O2 → 2 CO + 4 H2O. Er komt dan minder warmte vrij dan bij volledige verbranding: het toestel verspilt brandstof en maakt een giftig gas. Onder lambda 1,0 is CO onvermijdelijk, want er is te weinig zuurstof (zie [les 4.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/luchtovermaat-lambda-en-het-verband-tussen-o2-en-co2/)). #### Waar het in de installatie misgaat De oorzaak zit vaak buiten de vlam. In 2025 waren de meest genoemde oorzaken in CO-meldingen de rookgasafvoer (35 meldingen), een algemeen toestelsdefect (24) en een lek in de warmtewisselaar (14). | Oorzaak | Wat er gebeurt | Hoe je het herkent | |---|---|---| | Verstopte uitmonding (vogelnest, vuil) | Lucht of rookgas kan niet vrij stromen | Vlamverlies of blokkeringsbeveiliging (per model verschillend), O2 buiten de grenzen | | Recirculatie: rookgas in de luchttoevoer | Verbrandingslucht bevat al rookgas | CO2 op het meetpunt van de luchttoevoer (gesloten mantel): buitenluchtwaarde, tot circa 1% CO2 door wind toelaatbaar, veel hoger wijst op interne lekkage | | Onderdruk in de woning bij een open toestel | Afzuigkap of mechanische ventilatie zuigt rookgas de woning in | De BRL vraagt onderdruk te controleren als de ruimte-CO tussen 5 en 20 ppm ligt | | Verkeerde gas/luchtverhouding of gassoort | Lambda te laag | O2 buiten de grenzen van de handleiding | | Lekkende collectieve afvoer (CLV, shunt) | Rookgas bij boven- of benedenburen | Lekkende aansluitingen, ontbrekende terugslagkleppen, corrosiegaten | Een afvoerloos toestel (type A, zoals een keukengeiser) voert rookgas niet af: alles komt in de ruimte. #### CO meten: in de ruimte en in het rookgas **Ruimte.** Meet voor je begint op circa 1,7 m hoogte en circa 1 m van het toestel (les [1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/)). Gebruik een instrument met passende uitlezing, bij voorkeur een persoonlijke veiligheidsmeter: een rookgasmeter is voor ruimte-CO alleen indicatief. Ruimte-CO beoordeel je altijd zoals afgelezen. **Rookgas.** Het CO in het rookgas is verdund met de luchtovermaat. Met de luchtvrije waarde corrigeer je daarvoor: het CO dat er in het rookgas zou zitten zonder luchtovermaat. O2 is in procenten van het droge rookgas. CO luchtvrij = CO gemeten × 21 / (21 − O2) - 100 ppm CO gemeten bij 4,0% O2: 100 × 21 / 17 = 123,5 ppm luchtvrij - 50 ppm CO gemeten bij 6,0% O2: 50 × 21 / 15 = 70 ppm luchtvrij Voorbeeldgetallen, geen meetgegevens. De factor 21 / (21 − O2) is gelijk aan CO2max / CO2 (binnen 0,3%) en niet exact gelijk aan lambda: bij G25 en 4,0% O2 is de factor 1,235 en lambda 1,215. Op omgevingslucht (O2 circa 20,9%) is de formule zinloos, want de noemer nadert nul. De Testo 300 toont ook 'CO onverdund': dat is de luchtvrije waarde. Bij open toestellen met trekonderbreker meet je in de trekonderbreker vóór de luchtbijmenging, anders is het monster verdund. #### Grenzen voor CO in het rookgas Geeft de fabrikant geen maximale CO-waarde, dan noemt het schema (BRL 6000-25, naar de Omgevingsregeling) na een goed afgesteld toestel deze maxima: 'niet hoger dan' betekent dat precies de grens nog is toegestaan. De fabrikantgrens gaat voor en is strenger, bijvoorbeeld 160 ppm bij de Intergas Kombi Kompakt HRE (gemeten met gemonteerde voormantel) en onder 250 ppm bij de Remeha Avanta Ace, voorbeelden die per model verschillen. | Toestel | Grens die het schema noemt | |---|---| | Open afvoerloos (type A) | 50 ppm | | Open afvoergebonden (type B) | 200 ppm | | Gesloten (type C) | 400 ppm | > **Luchtvrij is een rekenmethode: of de wettelijke grenzen luchtvrij zijn, is niet vastgesteld** > Of de grenzen in de tabel luchtvrij zijn of zoals afgelezen, is niet vastgesteld: de tekst van de Omgevingsregeling en van de schema's zegt het niet, en BRL 6000-25 zegt dat de op het instrument aangegeven waarde leidend is. Gebruik de luchtvrije omrekening om metingen bij verschillende luchtovermaat te vergelijken. Beroep je er niet op als wettelijke beoordeling. Twijfel je, vraag je certificerende instelling of docent. Les [10.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-rookgasmeting-uitvoeren-en-beoordelen/) werkt dit verder uit, met de letterlijke tekst van de wet en van beide meetprotocollen. > **Verdieping: de giftigheidsindex** > Kiwa definieert de giftigheidsindex als (%CO / %CO2) × 100 en eist in de tegendruktesten van BRL Gaskeur CV een waarde van hoogstens 2. Voorbeeld: 100 ppm CO (0,0100%) bij 9,0% CO2 geeft (0,0100 / 9,0) × 100 = 0,11. CO en CO2 worden door luchtovermaat even sterk verdund, dus de verhouding hangt niet van de verdunning af. De eis geldt voor de keuring van het toestel, niet als grens in het veld. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom te weinig lucht of een gekoelde vlam CO geeft - Ik kan een CO-meting in het rookgas omrekenen naar luchtvrij en weet dat niet vaststaat of de wettelijke grenzen luchtvrij zijn - Ik weet dat ruimte-CO altijd zoals afgelezen wordt beoordeeld - Ik kan opnoemen waar in de installatie de oorzaak kan zitten en hoe ik hem herken ### Les 4.5: Koolmonoxide en het lichaam URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/koolmonoxide-en-het-lichaam/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe CO het lichaam aantast en welke klachten bij welke concentratie en duur horen. #### Wat CO in het bloed doet CO bindt aan de heemgroepen van hemoglobine en vormt carboxyhemoglobine (COHb). Die hemoglobine kan dan geen zuurstof meer vervoeren, en organen krijgen zuurstofgebrek. CO bindt ruim 200 keer sterker aan hemoglobine dan zuurstof (RIVM: ongeveer 200, WHO: 245), dus ook een klein aandeel CO in de lucht telt mee. CO werkt daarnaast op andere heme-eiwitten in weefsels, zoals in hart en zenuwstelsel. Daardoor zijn er al bij lage concentraties effecten die je niet uit het COHb-percentage kunt afleiden. Extra gevoelig zijn zwangere vrouwen en de foetus, pasgeborenen, ouderen, mensen met hart- en longziekten en mensen met bloedarmoede of bloedziekten. #### Klachten - **Mild:** hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, braken en wazig zien. - **Matig:** verwardheid, flauwvallen, pijn op de borst en ademnood. - **Ernstig:** bloeddrukdaling, hartritmestoornissen, insulten, coma en hartstilstand. De klachten lijken op griep of voedselvergiftiging, en dat maakt herkenning moeilijk. Een bewoner met hoofdpijn en misselijkheid denkt niet snel aan CO. Daarom meet jij, en vertrouw je niet op wat mensen voelen. > **Er bestaat geen vaste tabel van ppm × tijd × klacht** > Het RIVM stelt dat het niet mogelijk en niet zinvol is om precies aan te geven bij welk COHb-percentage klachten ontstaan. Wat wel bestaat zijn richtwaarden en handelingskaders. Elk heeft een eigen doel en eigen doelgroep: verwar ze niet met elkaar. #### Richtwaarden en handelingskaders | Kader | Waarde | Voor wie en waarvoor | |---|---|---| | WHO binnenlucht (2010) | 100 mg/m³ per 15 min (circa 86 ppm), 35 mg/m³ per 1 uur (circa 30 ppm), 10 mg/m³ per 8 uur (circa 9 ppm), 7 mg/m³ per 24 uur (circa 6 ppm) | Gezondheidsrichtlijn voor de algemene bevolking, geen keuringsgrens voor toestellen | | Wettelijke grenswaarde beroepsmatig (Arbeidsomstandighedenregeling) | 23 mg/m³ (20 ppm) als 8-uursgemiddelde, 117 mg/m³ (100 ppm) als 15-minutengemiddelde | Werknemers, niet bewoners | | Schema voor installateurs (BRL 6000-25) | Ruimte onder 5 ppm: in bedrijf stellen. 5 tot 20 ppm: onderzoeken en oorzaak wegnemen. Boven 20 ppm: melden | Jouw handelen als certificaathouder ([les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/)) | | Handelingskader voor gemeenten | 20 tot 400 ppm: onderzoek door BWT, het kader koppelt dit bereik aan milde klachten. Boven 400 ppm: ernstige hoofdpijn en levensgevaar, brandweer en ontruiming | Handreiking voor gemeenten, geen gezondheidsnorm. Milde klachten betekent niet ongevaarlijk: boven 20 ppm meld je altijd | De Gezondheidsraad adviseerde in 2024 een lagere advieswaarde voor beroepsmatige blootstelling van 7,5 mg/m³ (6,4 ppm) als 8-uursgemiddelde. In de bijlage XIII die is nagelopen voor deze cursus (september 2026) staat nog 20 ppm. #### Rekenvoorbeelden **Omrekenen.** 1 ppm CO is 1,165 mg/m³. De WHO-waarde voor 1 uur is 35 mg/m³, dus 35 / 1,165 = 30 ppm. **Afname van COHb.** COHb halveert in 3 tot 6 uur bij gewone lucht, in 0,5 tot 2 uur bij 100% zuurstof en in 20 tot 30 minuten bij hyperbare zuurstof. Neem als voorbeeldgetal (geen medisch advies) 10% COHb: - gewone lucht, 6 uur: 10 × 0,5^(6 / 6) = 5% bij de langzame halfwaardetijd, 10 × 0,5^(6 / 3) = 2,5% bij de snelle - 100% zuurstof, 2 uur: 10 × 0,5^(2 / 2) = 5% bij de langzame halfwaardetijd, 10 × 0,5^(2 / 0,5) = 0,6% bij de snelle Wie in frisse lucht is, herstelt dus langzaam, en zuurstof versnelt dat. Ter vergelijking: niet-rokers hebben van nature 0,5 tot 1,5% COHb, iemand die een pakje per dag rookt 5 tot 6%. > **Verdieping: de GGD-richtlijn** > De GGD-richtlijn (uit 2008, aangehaald door de Gezondheidsraad in 2019) is bedoeld voor GGD-medewerkers met handmeters, niet voor monteurs. Ze noemt: 10 tot 25 ppm altijd extra metingen, 25 tot 50 ppm ingrijpen binnen 30 minuten, 50 tot 100 ppm ingrijpen binnen 15 minuten en boven 100 ppm het pand ontruimen en hulpdiensten waarschuwen. Het laat zien hoe verschillend kaders per doelgroep zijn: jouw kader is het schema, met 112 bij acuut gevaar. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen hoe CO het zuurstoftransport in het bloed blokkeert - Ik kan de klachten bij milde, matige en ernstige vergiftiging opnoemen - Ik weet dat er geen vaste ppm × tijd × klacht-tabel bestaat en waarom niet - Ik kan de richtwaarden en handelingskaders uit elkaar houden: wie ze gebruikt en waarvoor - Ik kan mg/m³ omrekenen naar ppm en een halfwaardetijd doorrekenen ### Les 4.6: Condensatie: dauwpunt, condensaat en rendement URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/condensatie-dauwpunt-condensaat-en-rendement/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wanneer een ketel condenseert, waarom dat rendement oplevert en wat er met het condensaat gebeurt. #### Het dauwpunt hangt af van lambda Bij de verbranding ontstaat waterdamp: 2 mol per mol methaan. Die damp condenseert als het rookgas afkoelt tegen een wand die kouder is dan het **dauwpunt**. Het dauwpunt hangt af van het aandeel waterdamp in het rookgas, en dat wordt kleiner naarmate er meer luchtovermaat is: de damp raakt verdund. | Lambda | Dauwpunt rookgas aardgas | |---|---| | 1,0 | circa 59 °C | | 1,1 | circa 57 °C | | 1,2 | circa 55,5 °C | | 1,3 | circa 54 °C | | 1,5 | circa 51 °C | | 2,0 | circa 46 °C | Rekenwaarden voor G25-achtig gas (86% CH4, 14% N2) bij 101,325 kPa. Voor G20 zijn ze 0,2 tot 0,4 °C hoger. Het vaak genoemde 'circa 57 °C' geldt dus bij lambda 1,1. Bij de gangbare lambda 1,2 tot 1,3 is het dauwpunt 54 tot 56 °C. Viessmann noemt 57 °C als retourtemperatuur waaronder condensatie is gegarandeerd. #### Rekenvoorbeeld: dauwpunt uit het waterdampaandeel Per m³ G25-achtig gas ontstaat 2 × 0,86 = 1,72 m³ waterdamp. Het droge rookgas is 7,49 m³ bij lambda 1,0 en 7,49 + 0,3 × 8,21 = 9,95 m³ bij lambda 1,3. - lambda 1,0: 1,72 / (7,49 + 1,72) = 18,7% waterdamp, dus 18,7% × 101,325 kPa = 18,9 kPa. Water verzadigt bij 18,9 kPa op circa 59 °C. - lambda 1,3: 1,72 / (9,95 + 1,72) = 14,7%, dus 14,9 kPa, dauwpunt circa 54 °C. > **Condenseren kan alleen onder het dauwpunt** > Het water in de warmtewisselaar moet onder het dauwpunt van het rookgas blijven. Hoe lager de retourtemperatuur en hoe kleiner de luchtovermaat, hoe meer condensatie en hoe hoger het rendement. Bij een retour van 56 °C en lambda 1,3 (dauwpunt 54 °C) is in de warmtewisselaar geen condensatie te verwachten. #### Condensaat: hoeveel en hoe zuur Volledig condenseren levert maximaal 2 m³ damp × 18,015 g/mol / 22,414 l/mol = 1,61 kg water per m³(n) methaan, en 0,86 × 1,61 = 1,38 kg voor G25-achtig gas. In de praktijk condenseert maar een deel. Bij G-gas en lambda 1,25 (rekenaanname, verzadigd rookgas) is dat circa 75% (1,05 liter per m³) bij 30 °C rookgas, 56% (0,78 l/m³) bij 40 °C, 22% (0,31 l/m³) bij 50 °C en niets vanaf circa 55 °C. Het cijfer '1,5 liter per m³' is dus geen praktijkwaarde: het ligt boven het theoretische maximum voor G-gas (1,38) en is alleen bij (bijna) volledige condensatie van methaan haalbaar. Condensaat is zuur: Remeha noemt pH 3,5 tot 4,5 (uit de handleiding van een grote gasboiler van 90 tot 120 kW), Buildwise pH onder 5. Daarom is voor de rookgasafvoer een weerstandsklasse W (natte condensatie) nodig, en moet dunwandig aluminium worden vermeden. Voorbeeld van een condensafvoer: de Remeha Avanta (v.13) eist een kunststof pijp van minimaal 32 mm naar het riool met stankafsluiter of sifon, afschot van minimaal 30 mm per meter, maximaal 5 m horizontaal, nooit afdichten, en lozen op een dakgoot is niet toegestaan. Het verschilt per model. Wat de wet zegt over lozen en neutraliseren van condensaat, is voor deze cursus nog niet vastgesteld: volg het voorschrift van de fabrikant. #### Rendement en de retourtemperatuur De bovenwaarde Hs neemt aan dat het water condenseert, de onderwaarde Hi dat het damp blijft. Voor aardgas is Hi/Hs = 0,902. Een rendement op Hi kan daarom boven 100% komen: de condensatiewarmte (circa 10% van Hs, 11% van Hi) wordt benut maar staat niet in de noemer. Het maximum is 1 / 0,902 = 110,9% op Hi, terwijl op Hs 100% niet te overschrijden is. HR107 betekent 107% op de onderwaarde, dat is 96,5% op de bovenwaarde. | Voorbeeld: Remeha Avanta 24c (v.13) | Rendement Hs | Rendement Hi | |---|---|---| | Vollast 80/60 °C | 89,3% | 99,1% | | Vollast 50/30 °C | 94,0% | 104,4% | | Laaglast, retour 60 °C | 84,9% | 94,3% | | Deellast (Gaskeur HR-methode), retour 30 °C | 97,9% | 108,7% | Van 30 naar 60 °C retour daalt het Hs-rendement 13 procentpunt. Reken dat door voor een nuttig vermogen van 17,8 kW (voorbeeld, per model verschillend) en 8,792 kWh/m³(n) Hi: - 80/60 °C: 17,8 / (0,991 × 8,792) = 2,04 m³(n)/h - 50/30 °C: 17,8 / (1,044 × 8,792) = 1,94 m³(n)/h, dat is 5% minder gas Rendement en calorische waarde moeten op dezelfde basis (Hi of Hs) staan, anders maak je 10% fout. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom het dauwpunt daalt als de luchtovermaat stijgt - Ik kan bepalen of een ketel bij een gegeven retourtemperatuur en lambda condenseert - Ik kan uitleggen waarom een rendement op onderwaarde boven 100% kan komen, en wat HR107 betekent - Ik weet dat condensaat zuur is en welke gevolgen dat voor afvoer en materiaal heeft ### Les 4.7: CO in de woning: bronnen, melders en eerste maatregelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/co-in-de-woning-bronnen-melders-en-eerste-maatregelen/ **Leerdoel:** Je kent de bronnen van CO in een woning, de werking van een CO-melder en de eerste maatregelen bij een alarm. #### Waar CO in een woning vandaan komt Naast cv-ketels zijn er veel andere bronnen: afvoerloze geisers, gashaarden en open haarden, hout-, kolen- en pelletkachels, gasfornuizen, roken, waterpijp (ook shishalounges onder woningen), tafelbarbecues, opslag van houtpellets, kaarsen en wierook, en verkeer (circa 1 tot 2 ppm nabij drukke wegen). In woningen zonder bronnen is de gemiddelde CO-concentratie circa 0,4 ppm en in de buitenlucht onder 1 ppm. Bij afvoerloze toestellen meet je al snel 1 tot 2 ppm. Kiwa Technology schatte in 2022 dat de kans op een CO-incident bij een geiser ongeveer 20 keer groter is dan bij een cv-installatie. Hoe CO bij een cv-installatie ontstaat, staat in [les 4.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/onvolledige-verbranding-en-het-ontstaan-van-co/). #### De CO-melder: wat hij wel en niet doet Een melder volgens NEN-EN 50291 alarmeert niet direct. De norm, zoals de Gezondheidsraad hem weergeeft (uitgave 2010/A1:2012), eist: | CO-concentratie | Wat de melder moet doen | |---|---| | 30 ppm | Gedurende 120 minuten geen alarm | | 50 ppm | Alarm na minimaal 60 en uiterlijk 90 minuten | | 100 ppm | Alarm na minimaal 10 en uiterlijk 40 minuten | | 300 ppm | Alarm binnen 3 minuten | NEN-EN 50291 is een niet-wettelijke norm waaraan de NVWA melders toetst. Melders op de Nederlandse markt alarmeren pas vanaf circa 50 ppm, de gevoeligste tonen vanaf 10 ppm een waarde op het display. Reken het na: bij 30 ppm mag de melder 2 uur lang zwijgen, terwijl 30 ppm ongeveer de WHO-richtwaarde voor 1 uur is (35 mg/m³) en ruim boven de WHO-waarde van circa 9 ppm voor 8 uur ligt. > **Een stille melder is geen bewijs dat de ruimte veilig is** > Een melder beschermt tegen acuut gevaar, niet tegen lage concentraties over langere tijd. De Onderzoeksraad voor Veiligheid constateerde bovendien dat de melder niet altijd werkte. Meten met een eigen instrument blijft dus nodig, en een melder vervangt dat niet. Hoe je een melder test en wanneer je hem vervangt, staat in de handleiding van de melder en verschilt per model. #### Adviseren en plaatsen Rijksoverheid en Brandweer presenteren een CO-melder als aanbeveling. Een wettelijke plicht voor een melder in woningen is in de bronnen die voor deze cursus zijn nagelopen niet gevonden: controleer dat voor je het aan een klant vertelt. Het schema (BRL 6000-25) verplicht wel om te adviseren, en niet om te plaatsen. Je adviseert een melder in de opstellingsruimte in deze gevallen: 1. Een open of afvoerloos toestel zonder melder 2. Een collectieve rookgasafvoer (CLV) zonder geschiktheidsverklaring 3. Als niet te bewijzen is dat de installatie aan alle eisen voldoet, bijvoorbeeld bij twijfel over de kwaliteit van de rookgasafvoer: dan adviseer je ook nader onderzoek Bij plaatsing raadpleeg je het advies van Brandweer Nederland, en je legt vast of je een melder hebt geadviseerd (ja of nee). Het Brandweeradvies: koop alleen een melder met NEN-EN 50291 op de verpakking. Hang hem in de ruimte met het toestel aan het plafond, op 1 tot 3 m horizontale afstand van de CO-bron en minimaal 30 cm van muren. In de slaapkamer hang je hem op ademhoogte. Een combinatiemelder voor rook en CO hoort alleen in de ruimte met het toestel. Bij toestellen op een CLV noemt de BRL een melder op minder dan 2 m afstand. #### Eerste maatregelen bij een alarm > **Bij een CO-alarm: waarschuwen, naar buiten, 112** > Bij een CO-alarm waarschuw je iedereen, ga je direct naar buiten en bel je 112 (Brandweer Nederland). Bij acuut gevaar of een ernstig vergiftigde bewoner bel je altijd 112. Bij CO boven 400 ppm in de ruimte schakelt de gemeente volgens het handelingskader de brandweer in en wordt zo nodig ontruimd. Melden en oorzaak zoeken komt daarna. Wat je als certificaathouder daarna doet (het toestel buiten bedrijf stellen, melden aan vier partijen, vastleggen) staat in [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/). Voor je eigen veiligheid neem je bij voorkeur een persoonlijke CO-veiligheidsmeter mee. De BRL 6000-25 noemt die als voorkeursinstrument naast de rookgasmeter. **Controleer jezelf:** - Ik kan de belangrijkste CO-bronnen in een woning noemen - Ik ken de alarmtijden van NEN-EN 50291 en weet waarom een stille melder geen bewijs van veiligheid is - Ik weet in welke gevallen ik een CO-melder adviseer en dat ik dat vastleg - Ik weet waar een melder hoort te hangen volgens Brandweer Nederland - Ik weet wat de eerste maatregelen bij een CO-alarm zijn ## Module 5: De HR-ketel van binnen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/de-hr-ketel-van-binnen/ Hoe een moderne HR-ketel werkt: brander, gasblok, ontsteking, vlambewaking, warmtewisselaar en de startvolgorde. Wie de ketel als keten begrijpt, hoeft geen storingscodes uit het hoofd te leren. Een HR-ketel lijkt een zwarte doos, maar er stromen maar vier dingen doorheen: gas, verbrandingslucht, water en rookgas. Op twee plekken komen ze samen: gas en lucht in het mengsel voor de brander (bij de Remeha Calenta in de venturi) en rookgas en water in de warmtewisselaar. Wie die keten kent, weet bij een storing waar hij moet zoeken en waarom een meetwaarde wel of niet klopt. In deze module loop je de ketel van voren naar achteren door: van de gasaansluiting en de brander tot de sensoren en de startvolgorde. Waarden als ionisatiestroom, O2 bij vollast of testdruk verschillen per fabrikant en model. Daarom staan ze hier steeds als voorbeeld uit een handleiding, met merk en model erbij. Voor het toestel waaraan je werkt geldt de handleiding van dat toestel. Regeling en OpenTherm komen aan bod in module 6. De voorbeelden komen uit deze handleidingen: Remeha Calenta 25s, 28c, 35s en 40c (installatie- en servicehandleiding 2017), Remeha Calenta Ace (25ds, 28c, 35ds en 40c), Remeha Tzerra Ace 24C, 28C en 39C (servicehandleiding), Remeha Avanta (uitgaven 2014, 2019 en versie 13 van 2020), Intergas Kombi Kompakt HRE (installatievoorschriften 2018 en 2021) en Prestige (2020), ATAG i-Serie (uitgave 2018) en XL (2016), Nefit ProLine NxT HRC 24/CW3 en CW4 (uitgave 2014), Vaillant ecoTEC plus VHR en Bosch Condens 7800i W (serviceanleiding). Bij nieuwere toestellen of andere uitgaven kunnen de waarden afwijken. **Na deze module kun je:** - De vier stromen door een ketel (gas, lucht, water, rookgas) beschrijven - De werking van brander, venturi en gas-luchtverhouding uitleggen - Gasblok, ontsteking en vlambewaking en hun veiligheidsfunctie uitleggen - De rol van warmtewisselaar, pomp, 3-wegklep en sensoren beschrijven - De startvolgorde van een ketel stap voor stap doorlopen ### Les 5.1: Het hoofdstromingspad: gas, lucht, water en rookgas URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-hoofdstromingspad-gas-lucht-water-en-rookgas/ **Leerdoel:** Je kunt de vier stromen door een HR-ketel beschrijven en aanwijzen waar ze elkaar ontmoeten. #### Vier stromen, twee ontmoetingen Een HR-ketel bestaat uit tientallen onderdelen, maar er stromen maar vier dingen doorheen: gas, verbrandingslucht, water en rookgas. Twee plekken zijn beslissend. Gas en lucht komen samen en er ontstaat het brandbare mengsel: bij de Remeha Calenta (handleiding 2017) gebeurt dat in de venturi, maar de opbouw verschilt per merk. In de warmtewisselaar komen rookgas en water samen, gescheiden door een wand, en gaat de warmte van het een naar het ander. Wie dit plaatje in zijn hoofd heeft, kan bij elke klacht beginnen met de vraag: welke van de vier stromen klopt niet? | Stroom | Waar komt hij binnen | Wat gebeurt ermee | Waar gaat hij heen | |---|---|---|---| | Gas | Gasaansluiting en gasblok | Wordt bij de lucht gevoegd (Remeha Calenta: in de venturi) | Brander | | Lucht | Luchttoevoer, aangezogen door de ventilator | Wordt met het gas gemengd | Brander, daarna als deel van het rookgas verder | | Water | Retour van de installatie | De pomp voert het langs de warmtewisselaar, waar het warmte opneemt | Aanvoer naar de radiatoren of, bij een combiketel, naar de tapwaterwisselaar | | Rookgas | Ontstaat bij de brander | Geeft warmte af aan het water | Condensaat naar de sifon, rookgas naar de afvoer | #### Het pad van gas en lucht Volgens Remeha zuigt in de Calenta (handleiding 2017) de ventilator de lucht aan, wordt het gas in de venturi aan de inlaatzijde van de ventilator ingespoten en gaat het gas-luchtmengsel naar de brander bovenin de warmtewisselaar. Het mengsel wordt dus gemaakt voordat het de brander bereikt: dat is wat 'voorgemengd' betekent. Dit is een voorbeeld van één merk en model: de opbouw verschilt per fabrikant. Hoe gas en lucht op elkaar worden afgestemd, lees je in [les 5.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/brander-venturi-en-gas-luchtverhouding/). #### Het pad van water en rookgas Het rookgas geeft zijn warmte af aan het cv-water. Komt het rookgas onder het condensatiepunt (volgens Remeha ongeveer 55 °C voor dit toestel), dan condenseert de waterdamp in het onderste deel van de warmtewisselaar. De latente warmte gaat naar het cv-water en het condenswater loopt via een sifon af. Het condensatiepunt is geen vast getal: berekeningen geven een dauwpunt van ongeveer 59 °C bij lambda 1,0 en ongeveer 54 °C bij lambda 1,3. Hoe koud het water terugkomt, bepaalt dus of de ketel kan condenseren. De sifon werkt als waterslot. Remeha vraagt bij de Calenta de sifon vóór de inbedrijfstelling met water te vullen tot de markeringsstreep, om te voorkomen dat rookgassen in het vertrek komen. Het rookgas is bovendien nat: de afvoer van een condenserende ketel heeft een weerstandsklasse tegen condensaten W nodig (volgens het installatievoorschrift van de Intergas Kombi Kompakt HRE, 2018). Zie [module 8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/). > **Waar de stromen elkaar raken** > Gas en lucht mengen voor de brander (Remeha Calenta: in de venturi), rookgas en water wisselen warmte uit in de warmtewisselaar. Een storing zit in een van de vier stromen of op een van die twee plekken: dat is je eerste ordening. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel lucht slikt een ketel? Volledige verbranding van methaan is CH4 + 2 O2 -> CO2 + 2 H2O + warmte. Per m3 methaan is dus 2 m3 zuurstof nodig. Lucht bevat 20,94% zuurstof. Voor G20 (bijna zuiver methaan) geldt daarom: 1. Zuurstofbehoefte: 2 m3 per m3 gas. 2. Luchtbehoefte: 2 / 0,2094 = 9,55 m3 lucht per m3 gas. 3. Voor gas met 86% methaan en 14% stikstof (G25-achtig) is dat 8,21 m3 lucht per m3 gas. Neem de Remeha Avanta 24c (handleiding versie 13, 2020) bij 80/60 °C: 17,8 kW nuttig vermogen bij 99,1% rendement op onderwaarde geeft ongeveer 2,04 m3(n) gas per uur (m3(n) is het volume bij 0 °C en 101,325 kPa). De theoretische luchtbehoefte is dan 2,04 x 8,21 = 16,7 m3(n) per uur. Kiwa meet het rendement bij een luchtovermaat van lambda 1,2: dan is de luchtstroom 16,7 x 1,2 = 20,1 m3(n) per uur. Per m3(n) gas gaan er dus minstens 8 tot 10 m3(n) lucht door de ketel: luchttoevoer en rookgasafvoer zijn een groot deel van wat een ketel verwerkt. In [les 1.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/wat-een-cv-monteur-doet-en-waarom-dit-vak-levens-redt/) staat de rookgasafvoer bovenaan de CO-meldingen; wat daar de oorzaak van is, volgt niet uit dit rekenvoorbeeld. #### Praktijkgeval: wel vonk, geen vlam De Remeha Avanta (handleiding 2019) noemt bij 'wel ontstekingsvonk maar geen vlam' onder meer: gaskraan, gasvoedingsdruk, ontluchte gasleiding, lucht-/rookgasleiding, gevulde en niet verstopte sifon, netvoeding, elektrode en O2 op vol- en laaglast. Leg die lijst op de vier stromen en je ziet de keten: - Gas: kraan, voedingsdruk, ontluchting van de leiding. - Lucht en rookgas: luchttoevoer, afvoer, sifon. - Elektra: netvoeding. - Brander en afstelling: elektrode, O2 bij vol- en laaglast. Wie alleen aan de elektrode denkt, vervangt onderdelen die niet stuk zijn. Bij een combiketel komt er nog een route bij, de platenwarmtewisselaar voor tapwater: zie [les 5.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/pomp-3-wegklep-en-tapwaterbereiding/). **Controleer jezelf:** - Ik kan de vier stromen door een ketel opnoemen en aanwijzen waar ze samenkomen - Ik kan uitleggen waar condensaat ontstaat en waarom de sifon gevuld moet zijn - Ik kan uit een gasverbruik in m3(n) per uur de luchtbehoefte schatten - Ik orden een storingslijst per stroom in plaats van op volgorde van gemak ### Les 5.2: Brander, venturi en gas-luchtverhouding URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/brander-venturi-en-gas-luchtverhouding/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe een voorgemengde brander werkt en hoe de ketel gas en lucht op elkaar afstemt. #### Waarom gas en lucht op elkaar moeten passen Bij een voorgemengde brander wordt het gas in de venturi bij de lucht gevoegd en gaat het mengsel als geheel naar de brander (Remeha Calenta, zie [les 5.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-hoofdstromingspad-gas-lucht-water-en-rookgas/)). Te weinig lucht geeft onvolledige verbranding en dus CO. Te veel lucht voert onnodig veel warmte met het rookgas af, wat het rendement drukt. Remeha beschrijft daarom voor de Calenta een continu geregelde gas-/luchtkoppeling, zodat gas en lucht over het hele belastingbereik op elkaar zijn afgestemd. Hoe die koppeling is gebouwd, verschilt per toestel. Je hoort dat sommige gasblokken het gas 'pneumatisch' op de luchtdruk in de venturi regelen en andere elektronisch. Dat onderscheid is in onze bronnen niet met een fabrikant- of normbron bevestigd, dus we stellen het niet als regel. Wat wel vaststaat: een elektronisch zelfinstellend gasblok van Remeha vergelijkt de ionisatiestroom, het aantal start-stops, de primaire rookgastemperatuur en het PWM-signaal met krommen in de printplaat en past daarmee de gas-luchtverhouding automatisch aan. Bij andere toestellen lees je in de handleiding hoe het werkt. #### Lambda en O2: zo beoordeel je het mengsel Lambda is de verhouding tussen de werkelijke en de theoretisch benodigde hoeveelheid lucht. Je meet het niet direct, je leidt het af uit de O2 of CO2 in droog rookgas. De Kiwa-tabellen gaan uit van lucht met 20,94% O2: | Lambda | O2 (droog rookgas, G20) | CO2 (droog rookgas, G20) | |---|---|---| | 1,1 | 2,10% | 10,56% | | 1,2 | 3,82% | 9,60% | | 1,3 | 5,26% | 8,80% | | 1,4 | 6,47% | 8,13% | Kiwa meet het rendement bij lambda 1,2 (G20: 9,6% CO2). Voor G25 zijn de waarden iets lager (lambda 1,2: 3,77% O2). Voor G25.3, het gas in de meeste woningen, geeft Kiwa alleen O2, dicht bij G25. Gebruik de tabel en niet de vuistformule 20,94 / (20,94 - O2): die overschat lambda, bij G20 en 4,0% O2 geeft de formule 1,236 terwijl de exacte waarde 1,211 is. Remeha stelt af op O2 en niet meer op CO2, omdat de samenstelling van het geleverde gas kan verschillen. Volgens Kiwa kan het gedistribueerde gas tot 10,5% CO2 bevatten, waardoor het rookgas ongeveer 1 procentpunt extra CO2 kan bevatten en CO2 geen betrouwbare maat is voor de luchtovermaat. > **Er is geen algemene waarde** > Procedure, meetstand, met of zonder mantel, wachttijd, streefwaarde en zelfs de vraag of je O2 of CO2 gebruikt, verschillen per merk en model. De BRL 6000-25 eist dat je de branderdruk en de gas-luchtverhouding instelt volgens de voorschriften van de fabrikant. Een getal uit je hoofd is geen voorschrift. #### Zo verschillen de voorbeelden Elke waarde komt uit de handleiding van dat model en die uitgave (vollast, aardgas). Een nieuwer toestel of een andere uitgave kan andere waarden hebben. | Model en uitgave (voorbeeld) | O2 bij vollast | Instellen | |---|---|---| | Remeha Tzerra Ace 24C, 28C, 39C (servicehandleiding) | 3,5 tot 4,0% (G25.3), gemeten zonder frontmantel | Afstelschroef A, via de schoorsteenvegerstand | | Intergas Kombi Kompakt HRE (installatievoorschrift 2018) | 3,15 tot 5,70% (G25.3), gemeten met open mantel | Hooglast eerst meten, laaglast hangt daarvan af, schroef B alleen voor laaglast | | ATAG i-Serie (uitgave 2018) | 4,7% nominaal, tussen 3,6 en 5,5% (aardgas), gemeten met gesloten mantel | Alleen bijstellen met schroef b als de waarde buiten de grenzen valt | | Nefit ProLine NxT HRC 24/CW3 en CW4 (uitgave 2014) | 5,3% plus of min 0,3 (aardgas) | Op laaglast de gas-luchtverhouding als verschildruk: min 5 Pa plus of min 3 Pa | Vaillant ecoTEC plus VHR heeft geen instelschroef: de gas-luchtverhouding wordt via diagnosecode D.158 gecorrigeerd. De spreiding is groot: 3,5 tot 4,0% bij de Remeha Tzerra Ace, 5,3% bij de Nefit ProLine NxT. Daarom zeg je nooit 'O2 moet 4,7% zijn'. #### Modulatie en pendelen Een moderne ketel moduleert: hij past zijn vermogen aan de warmtevraag aan. De Remeha Calenta 25s heeft een belasting voor CV van 5,2 tot 25,0 kW (onderwaarde), de 35s van 7,3 tot 35,1 kW: een modulatiebereik van ongeveer 1 op 4,8. Is de warmtevraag lager dan de minimale belasting, bijvoorbeeld 3 kW bij de 25s, dan slaat de ketel aan en uit. Dat is pendelen of takten. #### Praktijkgeval: 5,6% O2 bij vollast Je meet bij een Remeha Tzerra Ace 24C op vollast op G25.3 5,6% O2. De handleiding noemt 3,5 tot 4,0%. Voordat je aan afstelschroef A draait, controleer je de meting: een te hoge O2-waarde kan wijzen op een lekkend meetsysteem (sonde, slang, meetpunt). Laat de sonde het meetpunt afdichten en wacht tot de waarde stabiel is. Ook het gas speelt mee, maar in beperkte mate: een toestel afgesteld op G25.3 (Wobbe 45,07 MJ/m3) met lambda 1,3 en 5,2% O2 meet op G25 (Wobbe 43,88 MJ/m3) lambda 1,335 en 5,6% O2, dus 0,4 procentpunt meer. Een lagere Wobbe-index geeft meer luchtovermaat. De afwijking in dit praktijkgeval (5,6% tegen 3,5 tot 4,0%) is veel groter dan dat verschil, dus controleer eerst de meting. Pas daarna stel je bij, volgens de handleiding. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom gas en lucht over het hele bereik op elkaar moeten passen - Ik kan uit een O2-waarde in droog rookgas de luchtovermaat afleiden met een tabel - Ik weet waarom instellen op O2 de voorkeur heeft boven CO2 - Ik controleer eerst de meting en het gas voordat ik aan een afstelschroef draai - Ik zoek de instelwaarden altijd op in de handleiding van het toestel ### Les 5.3: Gasblok en gasafsluiting URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gasblok-en-gasafsluiting/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wat een gasblok in de keten doet, hoe je de gasvoordruk controleert en waarom de gasafsluiting bij storing zo belangrijk is. #### Wat het gasblok in de keten doet Het gasblok hoort bij de stroom gas in de ketel: het gas gaat er doorheen op weg naar het punt waar het bij de lucht komt (bij de Remeha Calenta de venturi). In de fabrikantdocumenten zie je wat je er als monteur mee doet: op het gasblok zit het meetpunt voor de voordruk (Intergas Kombi Kompakt HRE: meetnippel D, Remeha Calenta Ace: meetpunt C), bij een ander gas dan aardgas moet het gasblok worden aangepast voordat de ketel wordt aangezet (Remeha Calenta Ace) en hoe de gas-luchtverhouding wordt bijgesteld, verschilt per toestel (zie [les 5.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/brander-venturi-en-gas-luchtverhouding/)). Bij de eerste inbedrijfstelling ontluchten Intergas en Remeha de gasleiding via het voordrukmeetpunt, waarna alle koppelingen op lekkage worden gecontroleerd en de voordruk wordt gemeten. Hoe je dat bij jouw toestel doet, staat in de handleiding: volg die procedure. #### Gasafsluiting: wat vaststaat Dat de ketel het gas moet kunnen afsluiten, staat vast. Kiwa laat in zijn blokkeringstests de toevoer of afvoer van een toestel tot 144 kW geleidelijk sluiten en eist dat de beveiliging de gastoevoer afsluit voordat het rookgas 0,1% CO (1000 ppm) bereikt. De Intergas Kombi Kompakt HRE kent een aparte foutcode voor een defect gasklep-relais (codes 29 en 30). Wat je hier niet als algemene regel leert, is de opbouw van het gasblok. Je leest vaak dat er 'twee veiligheidsafsluiters in serie' in zitten en dat sommige gasblokken 'pneumatisch' werken en andere elektronisch. Dat is in de documenten waarop deze cursus steunt niet met een fabrikant- of normbron bevestigd: de norm voor gasblokken (EN 13611) is niet gelezen. Ook getallen als 'het gasblok sluit binnen 1 seconde' zijn in de nagelopen handleidingen niet gevonden. Hoe het gasblok van een toestel is opgebouwd en hoe snel het sluit, lees je in de technische documentatie van dat toestel. Neem het niet aan. #### Gasvoordruk: het getal dat het toestel nodig heeft De voordruk is de druk van het gas vlak voor het toestel. Fabrikanten noemen een nominale aansluitdruk en een toegestaan bereik. Voor gewone Nederlandse woningen (G-gas uit de K-groep, met referentiegas G25.3) noemen Remeha (Calenta Ace) en Intergas (Kombi Kompakt HRE) een nominale aansluitdruk van 25 mbar; in de praktijk ligt de druk bij het toestel rond 25 tot 30 mbar. De 20 mbar die je ook ziet, is de nominale druk voor G20 (H-gas) en dus niet de gangbare huisdruk. G-gas en K-gas zijn hier dus hetzelfde gas. | Toestel en uitgave (voorbeeld) | Wat de handleiding zegt voor G25.3 | |---|---| | Remeha Avanta (versie 13, 2020), Remeha Calenta Ace, Nefit ProLine NxT (uitgave 2014), Vaillant ecoTEC plus VHR | Toegestaan 20 tot 30 mbar | | Intergas Kombi Kompakt HRE (2018) | Nominaal 25 mbar, meldt 'voordruk te laag' onder 20 mbar | | ATAG i-Serie (uitgave 2018) | Dynamische gasvoordruk hoger dan 20 mbar | Je meet de voordruk dynamisch, dus met het toestel in bedrijf. Nefit meet op vollast met een digitale manometer op de voordrukmeetnippel (manometer op nul, tijdens de meting in dezelfde positie) en Vaillant meet de gasstroomdruk met testprogramma P.001 op vollast. ATAG en de BRL 6000-25 noemen alleen 'dynamisch': de BRL zet 'gasvoordruk (dynamisch)' in de onderhoudslijst. De logica: op vollast stroomt er het meeste gas en zakt de druk het diepst, dus een goede statische druk zegt niet dat het toestel op vollast genoeg krijgt. Na de meting controleer je de nippel op gasdichtheid. > **De voordruk meet je met het toestel in bedrijf** > Statisch goed betekent niet dynamisch goed. Lees de voordruk af met het toestel in bedrijf (Nefit en Vaillant: op vollast) en vergelijk hem met het bereik van dat model. Buiten het bereik stel je het toestel niet in bedrijf, stel je de oorzaak vast en informeer je het gasbedrijf (Nefit ProLine NxT en Vaillant ecoTEC plus VHR). #### Testdruk: het toestel is geen leidingwerk Fabrikanten beperken de testdruk als het toestel aangesloten is: Remeha Calenta Ace maximaal 60 mbar, Vaillant ecoTEC plus VHR maximaal 110 mbar. Daarboven kan het gasblok beschadigen. Daaruit volgt (afleiding, per model verifiëren) dat de sterkteproef van 5 bar uit de BRL 6000-25 en een dichtheidsproef op werkdruk plus 100 mbar niet met het toestel aangesloten horen: sluit de toestelkraan of koppel het toestel los. Sluit de gaskraan voordat je aan gasvoerende delen werkt (Nefit ProLine NxT) en controleer daarna alle gasvoerende delen op dichtheid. > **Lekzoeken nooit met een vlam** > De BRL 6000-25 noemt lekzoekspray of een gaslekzoeker met display en akoestisch signaal. Lekzoeken met een vlam is uitgesloten. #### Praktijkgeval: geen vlamsignaal (fictief) Een Intergas Kombi Kompakt HRE toont code 4, geen vlamsignaal. Onder de oorzaken staat onder meer een gasvoordruk lager dan 20 mbar. Stel dat je statisch 26 mbar meet en dynamisch op vollast 17 mbar. Dan zit de oorzaak in de toevoer en niet in het toestel: vervang je nu de elektrode of het gasblok, dan vervang je onderdelen die niet stuk zijn. Stel de oorzaak vast en informeer het gasbedrijf. Bij een te hoge voordruk en luidruchtig ontsteken noemt Intergas een mogelijk defecte huisdrukregelaar (gasbedrijf). **Controleer jezelf:** - Ik weet waar op het gasblok ik de voordruk meet en waarom ik dat dynamisch doe, met het toestel in bedrijf - Ik ken het nominale en het toegestane bereik van de voordruk voor G25.3 als voorbeeld per model - Ik plaats geen hogere testdruk op een aangesloten toestel dan de fabrikant toestaat - Ik zoek gaslekken met lekzoekspray of een gaslekzoeker en nooit met een vlam ### Les 5.4: Ontsteking en vlambewaking URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/ontsteking-en-vlambewaking/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe de ketel de vlam ontsteekt en met ionisatie bewaakt, en wat er bij verlies van de vlam gebeurt. #### Van vonk naar vlam De Remeha Calenta gaat na het voorventileren door naar: brander aan, voorontsteking, hoofdontsteking en vlamdetectie. De Intergas Kombi Kompakt HRE start met de ventilator op starttoerental, ontsteekt met elektrische vonken, doet na ongeveer 15 seconden een nieuwe poging en valt na 4 ontsteekpogingen in storing. De ATAG i-Serie meldt storing 133 na 5 pogingen, en de Remeha Avanta noemt maximaal 5 startpogingen. Het aantal pogingen verschilt dus per merk. Hoe lang de ketel na het openen van het gas op een vlamsignaal wacht (de veiligheidstijd), staat per toestel in de handleiding. In de handleidingen die we hebben nagelopen is die tijd niet als getal gevonden: gebruik geen getal uit je hoofd. #### Hoe ionisatie de vlam ziet Een gasvlam ioniseert de lucht eromheen. Over de elektroden staat een wisselspanning. Doordat de geladen deeltjes de stroom asymmetrisch geleiden, ontstaat een kleine gelijkstroomcomponent: de vlamgelijkrichting. Die stroom is het vlamsignaal. De stroom is heel klein, in microampère (µA), en dus gevoelig voor alles wat de stroomkring verstoort. Remeha noemt bij de Calenta bij geen vonk of onvoldoende ionisatie als controle: controleer de aarding. Een stroom heeft een gesloten kring nodig: dat past bij die controle. Het signaal doet meer dan 'vlam ja of nee': een elektronisch zelfinstellend gasblok gebruikt het ook voor de gas-luchtverhouding (zie [les 5.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/brander-venturi-en-gas-luchtverhouding/)). > **De ionisatiestroom is het bewijs dat er vlam is** > Ziet de ketel geen of te weinig stroom, dan beslist hij dat er geen vlam is, ook als er wel een vlam brandt. Lage ionisatie is dus niet altijd een gasprobleem: het kan ook de pen, de afstand, de aarding of de verbranding zijn. #### Wat is een goede ionisatiestroom? Er bestaat geen algemene waarde. Een 'venster van 5 tot 15 µA' klopt niet: de Remeha Calenta toont in de handleiding zelfs 70 µA als voorbeeld. Wat de handleidingen zeggen, is per model verschillend: | Model en uitgave (voorbeeld) | Wat de handleiding zegt | |---|---| | Remeha Calenta (2017), Tzerra Ace, Avanta (uitgave 2020) | Controleer in vollast en laaglast (na 1 minuut stabiel). Reinigen of vervangen bij minder dan 3 µA | | Remeha Avanta (uitgave 2014) | Vervangen bij minder dan 3 of meer dan 9 µA. De uitgave van 2020 noemt alleen de 3 µA | | ATAG XL (uitgave 2016) | Meer dan 2,0 µA op vollast. Ontstekingselektrode minimaal elke 4 jaar vervangen | | Intergas Kombi Kompakt HRE (2021), Prestige (2020) | Toont de stroom op het display in testbedrijf. Noemt geen drempel en geen maat | Waarden veranderen zelfs tussen uitgaven van hetzelfde model. Lees de ionisatie uit op het display of via de servicefunctie en vergelijk met de handleiding. Bij de Vaillant ecoTEC plus VHR mag de regelelektrode alleen aan het keramische deel worden aangeraakt en reinigen is verboden; hij wordt na 5 jaar of 20.000 bedrijfsuren vervangen. #### Praktijkgeval: wat zegt de ketel je? Bij de Remeha Avanta onderscheidt de handleiding (uitgave 2019) na de startpogingen drie situaties: | Wat je waarneemt | Wat je controleert | |---|---| | Geen ontstekingsvonk | Ontstekingstransformator, kabel, elektrodeafstand 3 tot 4 mm, aarding | | Wel vonk, geen vlam | Gaskraan, gasvoedingsdruk, ontluchte gasleiding, lucht-/rookgasleiding, sifon, netvoeding, elektrode reinigen of vervangen, O2 bij vol- en laaglast | | Wel vlam, te weinig ionisatie | Verbrandingsstabiliteit, aarding, elektrode, elektrodeafstand | Stel: je leest bij een Remeha Calenta in vollast na 1 minuut 2,6 µA af (fictieve meting). Dat is onder de drempel van 3 µA: reinigen of vervangen. Zoek ook de oorzaak. Nefit noemt bij de ProLine NxT bij onvoldoende ionisatie vervuiling, de dynamische gasvoordruk, de gas-luchtverhouding, de connectoren en de bekabeling van de pen. #### Meldingen als voorbeeld Codes zijn per merk en model. Leer het patroon, niet de nummers: | Merk, model en uitgave | Code | Betekenis volgens de handleiding | |---|---|---| | Vaillant ecoTEC plus VHR | F.028 en F.029 | Vlamsignaal in de ontstekingsfase niet herkend, en ontsteking na een vlamuitval tijdens het bedrijf mislukt | | Nefit ProLine NxT HRC 24/CW3 en CW4 (uitgave 2014) | 6A 227 | Onvoldoende ionisatiestroom na het ontsteken | | ATAG i-Serie (uitgave 2018) | 133 | Geen vlam na 5 ontsteekpogingen | | Intergas Kombi Kompakt HRE (2018) | 4 en 5 | Geen vlamsignaal en slecht vlamsignaal | > **Onder spanning** > Op de klemmen L en N van een Vaillant ecoTEC plus VHR staat continu spanning en bij de Nefit ProLine NxT voeren branderautomaat, ventilator, pomp en driewegklep 230 V. Fabrikanten beperken elektrische aansluitingen tot erkende installateurs of elektromonteurs. Volg de handleiding voor spanningsloos maken en zie de Cursus Elektrotechniek. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen hoe ionisatie het vlamsignaal levert - Ik weet dat de grenswaarde van de ionisatiestroom per merk en model verschilt en zoek hem op - Ik onderscheid geen vonk, vonk zonder vlam en vlam met te weinig ionisatie - Ik zoek bij lage ionisatie ook de oorzaak en vervang niet alleen de elektrode ### Les 5.5: Warmtewisselaar en condensafvoer URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/warmtewisselaar-en-condensafvoer/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe de warmtewisselaar warmte overdraagt, waar condensaat ontstaat en hoe de sifon werkt. #### Waar de warmte van het rookgas naar het water gaat Bij de Remeha Calenta zit de brander bovenin de warmtewisselaar. Het rookgas stroomt door de wisselaar en geeft zijn warmte door de wand af aan het cv-water. Komt het rookgas onder het condensatiepunt (volgens Remeha ongeveer 55 °C), dan condenseert de waterdamp in het onderste deel van de warmtewisselaar. De latente warmte gaat naar het cv-water en het condenswater loopt via een sifon af. Het materiaal en het reinigen verschillen sterk per merk: | Merk, model en uitgave (voorbeeld) | Materiaal volgens de fabrikant | Reinigen volgens de handleiding | |---|---|---| | Remeha Calenta Ace | Aluminium (Ace-Matic: roestvast staal) | Aan de verbrandingszijde niet reinigen: water, chemie, perslucht en gereedschap zijn niet toegestaan | | Intergas Kombi Kompakt HRE (2018) | Aluminium met twee gescheiden koperen circuits (CV en tapwater) | Lamellen met borstel of stofzuiger, brander en isolatieplaat nooit met borstel of perslucht | | Vaillant ecoTEC plus VHR | Roestvast staal (typeletter S of F) | Met water of zo nodig azijn (maximaal 5% zuur, 20 minuten), scherpe waterstraal of kunststofborstel | | Nefit ProLine NxT HRC 24/CW3 en CW4 (uitgave 2014) | Niet in de nagelopen bron | Zachte borstel en stofzuiger, geen staalborstel, geen perslucht | ATAG noemt op zijn site een volledig roestvast staal warmtewisselaar voor alle cv-ketels. > **Reinigen is merk- en modelspecifiek** > Vaillant laat de warmtewisselaar van de ecoTEC plus VHR met water of azijn reinigen, Remeha verbiedt het bij de Calenta Ace en Intergas laat de lamellen van de Kombi Kompakt HRE borstelen. Wie 'standaard even doorspoelen' doet, kan een toestel beschadigen. Lees het onderhoudshoofdstuk van dat toestel. #### Condensatie en rendement De bovenwaarde (Hs) veronderstelt dat het gevormde water volledig condenseert, de onderwaarde (Hi) veronderstelt dat het damp blijft. Voor aardgas is Hi/Hs ongeveer 0,902. Daarom kan een ketel op onderwaarde boven 100% komen (theoretisch tot ongeveer 110,9%) en op bovenwaarde niet. De Remeha Avanta 24c geeft in de handleiding (versie 13, 2020): | Situatie | Rendement op Hs | Rendement op Hi | |---|---|---| | Vollast, 80/60 °C | 89,3% | 99,1% | | Vollast, 50/30 °C | 94,0% | 104,4% | | Laaglast, 60 °C retour | 84,9% | 94,3% | | Deellast, 30 °C retour | 97,9% | 108,7% | Van 30 naar 60 °C retour daalt het rendement op bovenwaarde met 13 procentpunten. Bij de Remeha Calenta 25s levert de ketel bij 25,0 kW belasting 24,8 kW bij 80/60 en 25,5 kW bij 50/30: ongeveer 99% tegen 102% op onderwaarde. Een lage retourtemperatuur is geen detail maar een groot deel van het rendement. #### Hoeveel condensaat? Bij volledige condensatie ontstaat maximaal 1,61 kg water per m3(n) methaan en 1,38 kg per m3(n) G-gas. In de praktijk is het minder. Volgens het rekenmodel (G-gas, lambda 1,25, verzadigd rookgas) condenseert bij 30 °C rookgas ongeveer 1,05 liter per m3(n) gas, bij 40 °C 0,78 liter, bij 50 °C 0,31 liter en vanaf ongeveer 55 °C niets. Bij 2 m3(n) gas per uur en 40 °C rookgas is dat ongeveer 2 x 0,78 = 1,6 liter per uur: een berekening, geen meting. Het condensaat is zuur. Buildwise noemt een pH onder 5 en Remeha noemt voor een grote gasboiler (90 tot 120 kW) pH 3,5 tot 4,5 en eist daarom een kunststof afvoer. Voor de Avanta (versie 13, 2020) eist Remeha een kunststof pijp van minimaal 32 mm naar het riool met stankafsluiter of sifon, afschot van minimaal 30 mm per meter, maximaal 5 m horizontaal, nooit afdichten en niet lozen op een dakgoot. Dat zijn eisen van dit toestel. #### De sifon Remeha vult de sifon van de Calenta Ace met water tot de markeringsstreep, Vaillant die van de ecoTEC plus VHR tot 10 mm onder de condensafvoerleiding met de vlotter teruggeplaatst. De handleiding van het toestel bepaalt hoe. > **Geen ketel aan met een lege sifon** > Remeha vraagt de sifon vóór de inbedrijfstelling te vullen om te voorkomen dat rookgassen in het vertrek komen. Na onderhoud stel je een ketel dus niet in bedrijf zolang de sifon leeg is. #### Praktijkgeval: F.028 en de sifon Een Vaillant ecoTEC plus VHR meldt F.028: vlamsignaal in de ontstekingsfase niet herkend. In de oorzakenlijst staat naast gas, elektrode en aarding ook 'condenswater in de verbrandingskamer door een verstopte condensafvoer'. Het probleem kan dus onder de ketel liggen. Na de laatste ontstekingspoging voert Vaillant zelf een condenswater-blokkadetest uit, waardoor codes als F.028, F.029 en F.347 later verschijnen: wacht op de foutmelding voordat je conclusies trekt. Bij de Remeha Avanta en de Intergas Kombi Kompakt HRE staat een verstopte sifon of condensafvoer ook in de oorzakenlijst bij geen vlam. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waar het condensaat ontstaat en waar het heen gaat - Ik weet dat reinigen van de warmtewisselaar per merk en model verschilt en lees het onderhoudshoofdstuk - Ik kan een rendement op bovenwaarde omrekenen naar onderwaarde met Hi/Hs van ongeveer 0,902 - Ik stel geen ketel in bedrijf met een lege sifon ### Les 5.6: Pomp, 3-wegklep en tapwaterbereiding URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/pomp-3-wegklep-en-tapwaterbereiding/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe pomp en 3-wegklep het water door de ketel sturen bij verwarming en bij tapwater. #### Twee routes voor het warme water De pomp voert het water door de warmtewisselaar. Bij verwarming gaat het verwarmde water naar de radiatoren en komt het als retour terug. Bij een combiketel komt er een tweede route bij: de platenwarmtewisselaar voor tapwater. De driewegklep bepaalt welke route het water neemt. Bij de Remeha Calenta is de klep veerbelast en verbruikt hij alleen stroom wanneer hij naar een andere stand loopt. Hoe de klep is aangedreven, kan per merk verschillen: lees het in de handleiding van dat toestel. Bij tapwater werkt het zo: een tapsensor signaleert dat een kraan opengaat, de driewegklep schakelt naar de warmwaterstand en de pomp start. De Remeha Calenta 25s en 35s maken alleen verwarming, de 28c en 40c verwarming en tapwater. #### De pomp De Remeha Calenta heeft een modulerende pomp die de besturing regelt op basis van het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour. Remeha noemt EEI 0,20 de benchmark. Bij de Intergas Kombi Kompakt HRE stelt de installateur de pompstand in op het gewenste maximale vermogen en de waterzijdige weerstand en moduleert de pompcapaciteit mee met de CV-belasting. Remeha laat bij de Calenta bij stromingsgeluid de maximale pompsnelheid verlagen (na ontluchten) en bij onvoldoende doorstroming van radiatoren de minimale pompsnelheid verhogen, via installateursparameters. Het werkpunt ligt waar de pompkarakteristiek de installatiekarakteristiek snijdt. De drukval in een gelijkblijvend leidingnet neemt ongeveer met het kwadraat van het debiet toe: verdubbel je het debiet, dan is de drukval ongeveer viermaal zo groot. #### Bypass en overstroomklep Een overstroomklep (bypass) hoort bij sommige ketels: de Vaillant ecoTEC plus VHR heeft er een als component. Werking en instelling staan in de handleiding van dat model. Bij de Remeha Calenta combiketel (handleiding 2017) moet in een installatie waarin de aanvoer geheel van de retour kan worden afgesloten, bijvoorbeeld door thermostaatkranen, een bypassleiding worden gemonteerd of het expansievat in de aanvoerleiding worden geplaatst. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel water moet er rond? Het debiet volgt uit vermogen en temperatuurverschil: debiet (l/h) = vermogen (W) / (1,163 x delta T). De 1,163 volgt uit de soortelijke warmte van water (4,19 kJ per kg per K), bij 1 kg per liter. - 20 kW bij delta T 20 K: 20.000 / (1,163 x 20) = ongeveer 860 l/h. - 20 kW bij delta T 30 K: 20.000 / (1,163 x 30) = ongeveer 570 l/h. Let bij fabrikantgetallen op wat ze zijn. De Intergas Kombi Kompakt HRE noemt in zijn installatievoorschrift debieten van 155 tot 1150 l/h bij 5,4 tot 40,9 kW, bijvoorbeeld 510 l/h bij 17,8 kW. Dat zijn minimale doorstroomhoeveelheden, geen ontwerpdebieten. Reken na: 17.800 / (510 x 1,163) = 30 K, dus zo'n debiet hoort bij een temperatuurverschil van ongeveer 30 K. Voor het inregelen vraagt Intergas zelf een temperatuurverschil tussen aanvoer en retour van ongeveer 20 graden: daarvoor stel je het maximale vermogen, de pompstand en zo nodig de radiatorafsluiters in. Remeha gebruikt voor het restopvoerhoogte-diagram van de Calenta (handleiding 2017) delta T 20 K. Een groter delta T betekent minder water, en door het kwadraat een veel lagere drukval. > **Debiet, delta T en vermogen horen bij elkaar** > Weet je er twee, dan weet je de derde: 20 kW bij delta T 20 K vraagt ongeveer 860 l/h, bij delta T 30 K ongeveer 570 l/h. Een pomp die te weinig water rondpompt, geeft een te groot delta T en te weinig warmte bij de radiatoren. #### Tapwater: instelling, kalk en de klasse De Intergas Kombi Kompakt HRE laat de tapwatertemperatuur instellen tussen 40 en 65 °C (standaard 60 °C) en heeft een tapcomfortfunctie die de warmtewisselaar warm houdt (aan, eco of uit). Kalkafzetting hangt volgens Remeha (Calenta) af van de waterhardheid, de samenstelling van de kalk, het aantal bedrijfsuren, het tapgedrag en de ingestelde tapwatertemperatuur. Het Waterwerkblad adviseert bij 60 °C of hoger thermostatische mengkranen vanwege verbrandingsgevaar voor risicogroepen. De instelling heeft twee kanten. Te heet geeft verbrandingsgevaar. Te laag geeft legionellarisico: legionella groeit bij watertemperaturen tussen ongeveer 25 en 50 °C, en het Waterwerkblad WB 4.4 A (uitgave september 2025, met verwijzing naar NEN 1006) noemt voor een woninginstallatie zonder circulatie minstens 55 °C aan het mengtoestel of tappunt, bij gebruik volgens de ontwerpcondities. Hoe je dat afweegt, komt aan bod in les 6.5 (Legionella en veilig tapwater). De tapcapaciteit staat in de CW-klasse: de Remeha Calenta 28c heeft Gaskeur CW4 (8,2 l/min bij 60 °C), de 40c CW5 (11,1 l/min). Zie ook les 6.4 (Tapwater: combi, boiler en CW-klassen). #### Praktijkgeval: de radiatoren blijven koud Klacht: de ketel brandt, maar de radiatoren worden niet warm. De Intergas Kombi Kompakt HRE noemt voor 'CV komt niet op temperatuur' onder meer: installatiedruk te laag, te lage ingestelde temperatuur, pompstand te laag, geen doorstroming (minimaal 2 of 3 radiatoren open), ketelvermogen niet passend en vervuiling. Bij 'geen verwarming' hoort ook: pomp draait niet (display 80 en 1, connector X2) of geen 24 V spanning op de regeling. Bij de ATAG i-Serie is bij code 118 de eerste maatregel het deblokkeren van de ketelpomp. Hoe je een pomp deblokkeert, verschilt per toestel: volg de procedure uit de handleiding van het toestel en maak het toestel eerst spanningsloos en stel het veilig, zoals het blok hieronder beschrijft. Bij geen warm tapwater noemt de Intergas Kombi Kompakt HRE: tapflow onder 1,5 l/min, geen 5 V op de stromingssensor of een defecte sensor S3. Wordt de cv-installatie tijdens het tappen ook warm, dan is er een thermosifon of tweede pomp: controleer keerklep of tweewegklep. Een vloerverwarmingsverdeler met eigen pomp die niet hydraulisch neutraal is aangesloten, kan ongewenste circulatie over het toestel veroorzaken. Bij merkbaar minder tapwater reinigt Remeha (Tzerra Ace, minder dan 6,2 l/min bij dat model) de platenwarmtewisselaar met de tapwatercartridge, bijvoorbeeld met citroenzuur van pH ongeveer 3, en spoelt grondig na. > **Aan pomp en driewegklep werk je spanningsloos** > Pomp en driewegklep voeren 230 V (Nefit ProLine NxT). Maak het toestel eerst spanningsloos door alle stroomvoorzieningen alpolig uit te schakelen en te beveiligen tegen herinschakelen (Vaillant ecoTEC plus VHR), voordat je een pomp deblokkeert of aan pomp, driewegklep of tapwaterwisselaar werkt. Volg voor het deblokkeren zelf de procedure uit de handleiding van het toestel. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat de driewegklep doet bij verwarming en bij tapwater - Ik kan uit vermogen en delta T het debiet berekenen - Ik weet dat een minimaal debiet uit een handleiding niet hetzelfde is als het temperatuurverschil waarop het toestel wordt ingeregeld - Ik maak het toestel spanningsloos en volg de handleiding voordat ik een pomp deblokkeer - Ik loop bij klachten over koude radiatoren of te weinig tapwater de route van het water na ### Les 5.7: Sensoren en beveiligingen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/sensoren-en-beveiligingen/ **Leerdoel:** Je kunt de sensoren en beveiligingen van een ketel benoemen en uitleggen wat er gebeurt als een meetwaarde niet klopt. #### Wat de ketel meet De ketel regelt en beveiligt op wat hij meet. Een meetwaarde die niet klopt, geeft een melding of een blokkering, ook als het onderdeel in orde is. De volgende tabel toont voorbeelden uit handleidingen. Elke waarde is van dat model en verschilt per toestel. | Meting | Voorbeeld (merk, model en uitgave) | Wat de handleiding zegt | |---|---|---| | Aanvoer- en retourtemperatuur (NTC) | Remeha Calenta (2017) | Aanvoer instelbaar van 20 tot 90 °C, modulerend terug bij het setpunt en uit bij het setpunt plus 5 °C. Maximaalbeveiliging vergrendelt bij 110 °C (code e12) | | Waterdruk | Remeha Calenta (2017), ATAG i-Serie (2018) | Calenta: minimaal 0,8 bar, maximaal 3,0 bar. ATAG: code 118 onder 0,7 bar, code 117 boven 3 bar | | Doorstroming | Intergas Kombi Kompakt HRE, Remeha Calenta (2017) | Intergas heeft een stromingssensor en een druksensor CV. Remeha bewaakt doorstroming op basis van temperatuurmetingen | | Ventilatortoerental | Remeha Calenta (2017), Intergas Kombi Kompakt HRE (2018) | Calenta toont het toerental in omw/min (code Mf). Intergas meldt code 8: ventilatortoerental niet juist | | Vlam | Alle ketels met ionisatie | Zie [les 5.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/ontsteking-en-vlambewaking/) | #### De NTC: weerstand in plaats van temperatuur De aanvoer- en retoursensor is een NTC: de weerstand daalt als de temperatuur stijgt. Bosch geeft in de serviceanleiding van de Condens 7800i W de weerstanden: | Temperatuur | Weerstand | |---|---| | 0 °C | 33.404 ohm | | 25 °C | 10.115 ohm | | 50 °C | 3.624 ohm | | 80 °C | 1.260 ohm | | 90 °C | 918,3 ohm | Remeha noemt voor de aanvoer- en retoursensor van de Avanta (handleiding 2019) een controlewaarde van 12 tot 15 kiloohm bij 20 tot 25 °C. Elke fabrikant geeft de waarden van zijn eigen toestel: andere sensoren (buiten, boiler) en andere merken hebben andere tabellen. Je kunt meten met een multimeter op het juiste weerstandsbereik, maar de waarde zegt alleen iets naast de tabel van dat toestel en bij een bekende temperatuur. Maak het toestel eerst spanningsloos en volg voor hoe en waar je meet de handleiding. Praktijkvoorbeeld: het display van een Bosch Condens 7800i W laat een aanvoer van ongeveer 80 °C zien, terwijl je volgens de handleiding aan de sensor 33.400 ohm meet. Dat past bij 0 °C, niet bij 80 °C (1.260 ohm). De sensor, de connector of de bedrading is verdacht. Welke van de drie het is, weet je nog niet: meet en vergelijk verder voordat je iets vervangt. #### Beveiligingen: van waarschuwing tot vergrendeling Fabrikanten onderscheiden niveaus. Remeha (Calenta Ace en Tzerra Ace): A is een waarschuwing (de ketel blijft in bedrijf), H een blokkering met automatisch herstel en E een vergrendeling met handmatige reset na opheffen van de oorzaak. Nefit (ProLine NxT) heeft soort 2 (blokkerend) en soort 3 (vergrendelend). Vaillant (ecoTEC plus VHR) staat maximaal 3 herhaalde resetpogingen toe en verwijst bij aanhoudende storing naar het serviceteam. Sommige vergrendelingen zijn niet door de installateur te resetten. Bij de Nefit ProLine NxT is 8C 373 (branderthermostaat vaker dan toegestaan te hoge temperatuur) zo'n vergrendeling: het toestel kan niet worden herstart en moet door de fabrikant worden ontgrendeld. De BRL 6000-25 noemt in de controlelijst voor onderhoud onder regeling en beveiliging onder meer: ionisatie-elektrode, ontstekingselektrode, droogkookbeveiliging, thermostaten, afvaltijd vlambeveiliging en rookgas-/luchttransportbeveiliging. Onder de metingen noemt dezelfde lijst het functioneren van de luchtdrukverschilschakelaar. Beveiligingen worden dus niet alleen uitgelezen: je controleert ze ook. #### Druk als beveiliging Het veiligheidsventiel van een woninginstallatie opent meestal bij 3 bar (Remeha Calenta: maximale waterbedrijfsdruk 3,0 bar, Intergas Kombi Kompakt HRE: overstortventiel 3 bar). De Calenta heeft een minimale waterbedrijfsdruk van 0,8 bar en een geadviseerde vuldruk van 1,5 tot 2 bar. De Vaillant ecoTEC plus VHR zet het product buiten bedrijf onder 0,5 tot 0,8 bar. Ook hier verschilt het per model. Het overstortventiel moet zijn werk kunnen doen. Bij de Intergas Kombi Kompakt HRE (installatievoorschrift 2021) zit het overstortventiel van 3 bar in de aanvoerleiding op maximaal 500 mm van het toestel, en mag er tussen het toestel en het overstortventiel geen afsluiter of vernauwing zitten. Ook bij een elektrische afsluiter (tweewegklepset) voor een vloerverwarmingsverdeler met eigen pomp vraagt Intergas de positie zo te kiezen, dat het veiligheidsventiel en het expansievat niet van het toestel geïsoleerd kunnen raken. > **Een afwijkende meetwaarde is niet hetzelfde als een defecte sensor** > Vaillant F.083 (ecoTEC plus VHR) betekent dat bij branderstart geen of een te langzame temperatuurtoename aan de aanvoer- of retoursensor is geregistreerd. Dat kan de sensor zijn, maar ook water dat niet stroomt of een brander die niet brandt. Meet en vergelijk eerst, vervang daarna. De Intergas Kombi Kompakt HRE controleert zelfs of de sensoren goed zijn aangesloten: code 2 is verwisseling van sensor S1 en S2. > **Spanning op de ketel** > Branderautomaat, ventilator, pomp en driewegklep voeren 230 V (Nefit ProLine NxT). Op de netaansluitklemmen L en N van een Vaillant ecoTEC plus VHR staat continu spanning: maak het product spanningsloos door alle stroomvoorzieningen alpolig uit te schakelen en te beveiligen tegen herinschakelen. Fabrikanten beperken elektrische aansluitingen tot erkende installateurs of elektromonteurs. Wat jij als cv-monteur precies zelf aan de elektra mag doen, is in deze cursus niet als wettelijke regel vastgesteld: volg de handleiding en de Cursus Elektrotechniek. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom de weerstand van een NTC daalt bij hogere temperatuur - Ik onderscheid waarschuwing, blokkering en vergrendeling - Ik weet dat een sensor niet defect hoeft te zijn als een meetwaarde niet klopt - Ik weet dat druk- en temperatuurgrenzen per model verschillen en zoek ze op ### Les 5.8: De startvolgorde van begin tot eind URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-startvolgorde-van-begin-tot-eind/ **Leerdoel:** Je kunt de startvolgorde van een ketel doorlopen en bij een storing aanwijzen in welke stap het misgaat. #### Een storing is een stap die niet lukt Een ketel doorloopt bij elke warmtevraag dezelfde stappen. Een storing is bijna altijd een stap die niet lukt, en de melding laat zien welke. Wie de volgorde kent, weet wat er al wel is gelukt en waar hij dus niet meer hoeft te zoeken. Alles hieronder is een voorbeeld: de Remeha Calenta beschrijft de stappen als 'status' en 'sub-status'. Volgorde en namen verschillen per merk en model. | Stap | Wat gebeurt er | |---|---| | 1 Warmtevraag en anti-pendel | De ketel wacht kort na een vorige stop, zodat hij niet te snel opnieuw start | | 2 Driewegklep en pomp | De driewegklep wordt aangestuurd en de pomp start | | 3 Wachten op temperaturen | De ketel wacht tot de temperaturen goed zijn | | 4 Ventilator | Rookgasklep open (indien aanwezig), ventilator naar hoger toerental, voorventileren | | 5 Vrijgave | De ketel wacht op release | | 6 Ontsteking | Brander aan, voorontsteking, hoofdontsteking | | 7 Vlamdetectie | De ketel ziet het vlamsignaal | | 8 Bedrijf | De ketel moduleert en bewaakt | | 9 Stop | Brander uit, naventileren, pomp nadraaien | De anti-pendelfunctie zie je bij de Remeha Calenta in de statussen: na het stoppen van de warmtevraag komt status 6 sub-status 63, bij een nieuwe start status 1 sub-status 1 'anti-pendel'. Hoe lang de ketel voorventileert en na het openen van het gas op het vlamsignaal wacht, staat per toestel in de handleiding: in de nagelopen handleidingen zijn die tijden niet als getal gevonden. #### De ontsteekpogingen en wat daarna volgt De Intergas Kombi Kompakt HRE doet na ongeveer 15 seconden een nieuwe poging en valt na 4 ontsteekpogingen in storing. De ATAG i-Serie meldt storing 133 na 5 pogingen, en de handleiding van de Remeha Avanta onderscheidt na maximaal 5 startpogingen zonder vlam drie situaties (geen vonk, wel vonk geen vlam, te weinig ionisatie). De Vaillant ecoTEC plus VHR voert na de laatste ontstekingspoging zelf een condenswater-blokkadetest uit, waardoor codes als F.028 en F.029 later verschijnen. Niet elke melding is een storing. De Remeha Calenta doorloopt na inschakelen bij voldoende waterdruk een ontluchtingsprogramma van ongeveer 3 minuten (vullen binnen 30 minuten, anders start het programma alsnog). De ATAG i-Serie toont bij het ontluchtingsprogramma code 105 en noemt het geen storing (ongeveer 7 minuten). #### Waar in de keten zit het? Zet de waarneming naast de tabel: | Waarneming | Waar in de keten | Eerste richting | |---|---|---| | Ketel start helemaal niet, ventilator draait niet | Stap 1 tot 3 | Warmtevraag, sensoren, pomp en klep | | Ventilator draait niet op toerental (Intergas code 8) | Stap 4 | Ventilator, aansturing | | Ventilator draait, geen vonk | Stap 6 | Transformator, kabel, elektrodeafstand, aarding | | Vonk, geen vlam | Stap 6 | Gas: kraan, voordruk, ontluchting; ook lucht/rookgas en sifon | | Vlam, dan storing | Stap 7 | Ionisatie: elektrode, aarding, verbranding | Begin altijd met de foutcode en de foutgeschiedenis. Vaillant (ecoTEC plus VHR) bewaart de 10 laatste foutmeldingen, Nefit (ProLine NxT) heeft een historiemenu en Remeha (Calenta Ace) noemt de storingscode belangrijk voor het snel opsporen van de aard van de storing. > **Denk in stappen** > Bepaal de laatste stap die wel lukte en de eerste die niet lukte. Daar ligt je zoekgebied. Meet in dat gebied voordat je iets vervangt: een onderdeel vervangen zonder bewijs is gokken. #### Praktijkgeval: geen verwarming, foutcode 4 Een Intergas Kombi Kompakt HRE meldt code 4: geen vlamsignaal. Je hoort de ventilator en de vonken. Dus stap 1 tot 6 werken. Vonken zijn er, dus de ontsteking geeft in elk geval een vonk. Dat zegt niets over de ontsteekafstand of over de ionisatie. Blijft over: komt er wel gas (kraan, voordruk 20 mbar en hoger), en is er wel vlam die de ketel niet ziet (ionisatie, aarding, ontsteekafstand)? Je meet de voordruk dynamisch, met het toestel in bedrijf (zie [les 5.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gasblok-en-gasafsluiting/)) en leest de ionisatie uit (zie [les 5.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/ontsteking-en-vlambewaking/)). #### Veilig werken tijdens het zoeken Nefit (ProLine NxT) eist het sluiten van de gaskraan voordat aan gasvoerende delen wordt gewerkt en controle van alle gas- en rookgasvoerende delen op dichtheid na afloop. ATAG (i-Serie) laat na onderhoud alle gasvoerende delen met lekzoekspray controleren. Meet ook de CO in de opstellingsruimte. De BRL 6000-25 vraagt die meting voor de werkzaamheden, op ongeveer 1,7 m hoogte en ongeveer 1 m van het toestel; de waarde op het instrument is leidend. Na het werk mag je het toestel pas in bedrijf stellen als de CO-concentratie lager is dan 5 ppm en het toestel naar het oordeel van de Vakbekwaam Persoon veilig is. Bij 5 tot 20 ppm neem je eerst de oorzaak weg en meld je de constatering aan de opdrachtgever. Boven 20 ppm geldt een wettelijke meldplicht (Omgevingsregeling art. 5.52, Bbl art. 6.46): de certificaathouder meldt onverwijld en schriftelijk. Weet waar je bevoegdheid ophoudt. Repareren, onderhouden en in bedrijf stellen van een cv-ketel mag wettelijk alleen een certificaathouder (Bbl art. 6.45). In de BRL 6000-25 is het in bedrijf stellen voorbehouden aan de Vakbekwaam Persoon: een Voldoende Onderricht Persoon werkt onder toezicht en verantwoordelijkheid van een Vakbekwaam Persoon. Deze cursus geeft geen Bewijs van Vakmanschap CO. > **Verdieping: waarom staan er meerdere codes in een rij?** > Bij Remeha (Calenta Ace) staan in de tabel met vergrendelingscodes meerdere codes in een rij. Ze moeten in volgorde met de omschrijvingen worden gelezen. Volgens die tabel hoort E.01.04 bij vijf keer onbedoeld vlamverlies en E.01.24 bij meerdere verbrandingsfouten binnen 24 uur. Lees in de handleiding zelf welke omschrijving bij welke code hoort. **Controleer jezelf:** - Ik kan de stappen van een start doorlopen van warmtevraag tot vlamdetectie - Ik kan uit een waarneming afleiden in welke stap het misgaat - Ik begin bij een storing met de foutcode en de foutgeschiedenis - Ik weet dat niet elke melding een storing is, zoals een ontluchtingsprogramma - Ik ken de veiligheidsregels tijdens het storingzoeken: gaskraan, spanning, dichtheid en CO in de ruimte - Ik meet de CO in de opstellingsruimte en ken de grenzen van 5 ppm en 20 ppm - Ik weet waar mijn bevoegdheid ophoudt: alleen een certificaathouder werkt aan een cv-ketel ## Module 6: Regeling en tapwater URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/regeling-en-tapwater/ De regeling en het tapwater: thermostaten, OpenTherm, weersafhankelijk regelen, combi en boiler, CW-klassen en legionella. Het gedrag van de installatie bepaalt comfort, rendement en veel klachten. Een ketel die perfect is afgesteld, kan alsnog klachten geven als de regeling niet klopt: een huis dat niet warm wordt, een ketel die de hele tijd aan- en uitslaat, of te koud of juist gevaarlijk heet tapwater. In deze module ga je van de thermostaat aan de muur naar de kraan in de badkamer: hoe een thermostaat de ketel aanstuurt, hoe een weersafhankelijke regeling de aanvoertemperatuur aanpast aan het weer, wat een zoneregeling hydraulisch met de installatie doet, hoe een combiketel zich verhoudt tot een voorraadvat, en hoe je veilig en legionellavrij tapwater levert. Net als in module 5 geldt: instelwaarden, parameters en drempels verschillen per merk en model. Wat hier als voorbeeld staat (Remeha, Intergas, ATAG, Vaillant) is precies dat, een voorbeeld. Voor het toestel waaraan je werkt geldt de handleiding van dat toestel. **Na deze module kun je:** - Aan/uit, modulerend en OpenTherm regelen uit elkaar houden - Weersafhankelijk regelen en de stooklijn uitleggen - Uitleggen wat slimme thermostaten en zoneregeling met de ketel doen - Combi en voorraadvat vergelijken en CW-klassen begrijpen - De risico's van tapwater herkennen ### Les 6.1: Thermostaten: aan/uit, modulerend en OpenTherm URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/thermostaten-aan-uit-modulerend-en-opentherm/ **Leerdoel:** Je kunt de regelvormen uit elkaar houden en uitleggen wat OpenTherm de ketel vertelt en wat modulatie met het rendement doet. #### Wie vertelt de ketel wat hij moet doen? Een ketel doet niets uit zichzelf: hij wacht op een signaal van de thermostaat. Dat signaal kan drie vormen hebben, en het verschil bepaalt hoe zuinig en hoe rustig de installatie draait. Bij een **aan/uit-thermostaat** is er maar een schakelaar: contact dicht is warmtevraag, contact open is geen warmtevraag. De ketel kent geen "een beetje warmte" of "veel warmte": zodra er een vraag is, warmt hij het cv-water op tot de temperatuur die op de ketel zelf staat ingesteld, ongeacht hoeveel warmte de woning op dat moment echt nodig heeft. Bij **modulerend regelen** past de ketel zijn vermogen aan de warmtevraag aan, bijvoorbeeld via een 0 tot 10 V-signaal of via een eigen bus van de fabrikant (Remeha R-bus, Vaillant eBUS, Nefit/Bosch EMS). Deze protocollen zijn niet uitwisselbaar met een thermostaat van een ander merk zonder adapter. **OpenTherm** is geen merk maar een open protocol: een taal waarin een compatibele thermostaat en een compatibele ketel met elkaar praten. Een OpenTherm-thermostaat geeft door wanneer en hoe ver de ketel de aanvoertemperatuur moet aanpassen, in plaats van steeds naar dezelfde vaste temperatuur te regelen. Zo kan bijvoorbeeld een Google Nest-thermostaat via OpenTherm zowel de tapwater- als de cv-temperatuur van de ketel regelen, op basis van gegevens als de gemeten binnentemperatuur, de buitentemperatuur en het aantal mensen in huis. > **OpenTherm is een taal, geen merk** > Een OpenTherm-ketel en een OpenTherm-thermostaat kunnen met elkaar praten omdat ze hetzelfde protocol spreken, niet omdat ze van hetzelfde merk zijn. Een ketel met een eigen bus (R-bus, eBUS, EMS) spreekt die taal niet zonder adapter: controleer dit voor je een nieuwe thermostaat aansluit. #### Het bericht achter de knop: hoe OpenTherm technisch werkt Een OpenTherm-bericht is een pakketje van 32 bits, met een start- en een stopbit eromheen: een pariteitsbit, het berichttype, een data-ID die aangeeft waar het bericht over gaat, en een datawaarde van 16 bits. Elke seconde moet de thermostaat (de "master") minstens een keer met de ketel (de "slave") communiceren. Elke data-ID heeft een vaste betekenis. Een paar voorbeelden uit de specificatie: | Data-ID | Betekenis | |---|---| | 1 | Gewenste aanvoertemperatuur (control setpoint) | | 17 | Relatief modulatieniveau (%) | | 18 | Cv-waterdruk (bar) | | 25 | Ketelwatertemperatuur (aanvoer) | | 27 | Buitentemperatuur | | 28 | Retourwatertemperatuur | Temperaturen worden verstuurd in een vast-kommaformaat: het hoge byte is het aantal hele graden, het lage byte is een fractie van 1/256 graad. Zo kun je uit twee bytes precies berekenen welke temperatuur is bedoeld. #### Rekenvoorbeeld: een OpenTherm-temperatuurbericht decoderen Een OpenTherm-bericht voor data-ID 25 (aanvoertemperatuur) bevat de bytes 0x14 (hoog) en 0x80 (laag). Wat is de aanvoertemperatuur? 1. Het hoge byte 0x14 is 20 in decimaal: dat zijn de hele graden. 2. Het lage byte 0x80 is 128 in decimaal: dat is de fractie, 128 / 256 = 0,5 graad. 3. Samen: 20 + 0,5 = 20,5 graden Celsius. Zo'n bericht zie je nooit rechtstreeks als monteur, maar het verklaart waarom een OpenTherm-thermostaat op tiende graden nauwkeurig met de ketel kan communiceren. #### Wat modulatie met het rendement doet Modulatie is niet alleen comfort, het raakt ook direct het rendement. Een HR-ketel condenseert meer waterdamp uit het rookgas naarmate de retourtemperatuur lager is. Een weersafhankelijke of modulerende regeling houdt de aanvoer- en dus de retourtemperatuur bij mild weer laag, in plaats van steeds op de vaste, hoge waarde van een handbediende thermostaat. Milieu Centraal noemt voor een modulerende slimme thermostaat een besparing van ongeveer 3% op de verwarmingskosten ten opzichte van een gewone aan/uit-thermostaat: de ketel brandt minder hard zodra er minder warmte nodig is, in plaats van steeds vol vermogen te leveren tot de temperatuur is bereikt. Modulatie heeft wel een ondergrens. Een Remeha Calenta 25s heeft een minimale belasting van 5,2 kW. Is de warmtevraag van de woning lager, bijvoorbeeld 3 kW op een milde dag, dan kan de ketel niet verder terugregelen: hij slaat aan en uit. Dat heet pendelen en is geen storing, het is de ketel die zijn ondergrens heeft bereikt. Hoe je dat herkent en wat je eraan doet bij zoneregeling, lees je in [les 6.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/slimme-thermostaten-en-zoneregeling/). #### Praktijkgeval: "mijn slimme thermostaat doet niks" Een klant heeft zelf een OpenTherm-thermostaat gekocht en aangesloten op een ketel met een eigen bus (bijvoorbeeld Vaillant eBUS). De thermostaat schakelt aan en uit, maar moduleert niet: hij "praat" niet dezelfde taal als de ketel verwacht, of de ketel staat nog op aan/uit-aansturing ingesteld. Voor je een dergelijke storing zoekt in de elektronica, controleer je eerst of het protocol van de thermostaat en van de ketel bij elkaar passen, en of de klemmen zijn aangesloten zoals de handleiding van de ketel voorschrijft (zie ook [les 5.1 tot 5.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gasblok-en-gasafsluiting/) voor hoe je een storing systematisch ordent per stroom). **Controleer jezelf:** - Ik kan aan/uit, modulerend en OpenTherm-regelen van elkaar onderscheiden - Ik weet dat OpenTherm een protocol is, geen merk, en dat sommige fabrikanten een eigen bus gebruiken - Ik kan uitleggen waarom een lagere retourtemperatuur het rendement verhoogt - Ik controleer bij een nieuwe thermostaat altijd of het protocol bij de ketel past voordat ik hem aansluit - Ik herken pendelen als een ketel onder zijn minimale belasting komt, niet als storing ### Les 6.2: Weersafhankelijk regelen en de stooklijn URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/weersafhankelijk-regelen-en-de-stooklijn/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe een weersafhankelijke regeling werkt, hoe je de stooklijn instelt en wat nachtverlaging doet met de retourtemperatuur. #### Wat een buitenvoeler toevoegt Zonder buitenvoeler regelt een ketel op een vaste, door jou of de bewoner ingestelde aanvoertemperatuur: die verandert niet vanzelf als het buiten warmer of kouder wordt. Sluit je een buitenvoeler aan, dan kan de regeling weersafhankelijk gaan werken: ze meet de buitentemperatuur en de aanvoerwatertemperatuur, en berekent daaruit het vermogen dat nodig is. Het gevolg is dat de ketel langer en op een lager niveau in bedrijf is, in plaats van kort en op hoog vermogen: precies het soort modulerend gedrag dat je in [les 6.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/thermostaten-aan-uit-modulerend-en-opentherm/) al zag, maar dan aangestuurd door het weer in plaats van door de kamertemperatuur alleen. Bij Intergas bepaalt bij een aan/uit-thermostaat de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn de gewenste aanvoertemperatuur, met de op het display ingestelde temperatuur als maximum. Bij een OpenTherm-thermostaat neemt de thermostaat die rol over. Bij Remeha regelt de Calenta met een buitensensor bij een aan/uit-thermostaat via een interne, instelbare stooklijn. #### De stooklijn: van buitentemperatuur naar aanvoertemperatuur De stooklijn is de rekenregel die de gemeten buitentemperatuur omzet naar een gewenste aanvoertemperatuur. Hoe fabrikanten dat instelbaar maken, verschilt. Intergas werkt met vier hoekpunten: een fabrieksinstelling van Tmax CV 80 graden, Tmin CV 25 graden, Tmin buiten -7 graden en Tmax buiten 25 graden. Dat betekent: bij -7 graden buiten of kouder regelt de ketel op 80 graden aanvoer, bij 25 graden buiten of warmer op 25 graden aanvoer, en daartussenin loopt de lijn recht op. Vaillant werkt bij de ecoTEC plus VHR met een dimensieloos stooklijngetal tussen 0,1 en 4,0 (in stappen van 0,05), gekoppeld aan een gewenste kamertemperatuur. > **De stooklijn is een instelling, geen vast recept** > Precies zoals bij de gas-luchtverhouding in [les 5.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/brander-venturi-en-gas-luchtverhouding/) geldt: er bestaat geen "juiste" stooklijnwaarde in het algemeen. De juiste stooklijn hangt af van het merk toestel, de isolatie van de woning en het afgiftesysteem (radiatoren of vloerverwarming). Stel bij, meet het effect en pas opnieuw aan, in plaats van een vast getal uit je hoofd te gebruiken. #### Rekenvoorbeeld: de stooklijn van een Vaillant ecoTEC plus VHR De handleiding van de Vaillant ecoTEC plus VHR geeft dit voorbeeld: met stooklijn 0,4 ingesteld voor een gewenste kamertemperatuur van 20 graden, regelt het toestel bij een buitentemperatuur van -15 graden op een aanvoertemperatuur van 40 graden. | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Ingestelde stooklijn | 0,4 | Bepaalt de helling van de lijn | | Gewenste kamertemperatuur | 20 graden | Instelling van de gebruiker | | Buitentemperatuur | -15 graden | Gemeten door de buitenvoeler | | Berekende aanvoertemperatuur | 40 graden | Resultaat van de stooklijnberekening | Wordt de gewenste kamertemperatuur bijgesteld naar 21 graden, dan verschuift de hele stooklijn evenwijdig mee: bij dezelfde buitentemperatuur van -15 graden regelt het toestel dan op een iets hogere aanvoertemperatuur dan 40 graden. Dit is een voorbeeld van een merk en model: bij een ander toestel hoort een andere schaal en dus een ander getal bij dezelfde situatie. #### Nachtverlaging en de invloed op de retourtemperatuur Nachtverlaging betekent de kamertemperatuur 's nachts of bij afwezigheid tijdelijk lager instellen. Milieu Centraal adviseert bij een cv-ketel met gewone radiatoren de thermostaat te verlagen naar ongeveer 15 graden, met als reden dat het minder energie kost om 's ochtends weer op te stoken dan om de hele nacht door te stoken op de hoge, ingestelde temperatuur. Een lagere ingestelde temperatuur betekent ook een lagere aanvoer- en dus een lagere retourtemperatuur (zie de stooklijn hierboven: minder warmtevraag geeft een lagere berekende aanvoertemperatuur). Dat is aantrekkelijk voor het rendement: hoe lager de retourtemperatuur, hoe meer waterdamp een HR-ketel uit het rookgas kan laten condenseren. Voor een warmtepomp of een aansluiting op een warmtenet geldt een ander advies: daar is maar 1 tot 2 graden lager verstandig, of helemaal niet verlagen, omdat opwarmen daar langer duurt en minder efficient is dan de temperatuur constant houden. #### Praktijkgeval: "'s ochtends duurt het te lang voor het warm is" Een bewoner klaagt dat de woning 's ochtends na de nachtverlaging te langzaam opwarmt. Voor je de stooklijn zomaar steiler zet, controleer je eerst het afgiftesysteem: bij vloerverwarming ligt de aanvoertemperatuur en dus het beschikbare vermogen veel lager dan bij radiatoren, en de vloer heeft door zijn massa meer tijd nodig om op te warmen. Een kleinere nachtverlaging (bijvoorbeeld 2 graden in plaats van 5) geeft dan vaak een beter resultaat dan een agressievere stooklijn, die het rendement bij mild weer juist verslechtert. Zie ook [les 3.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/delta-t-en-debiet/) voor de relatie tussen delta T, debiet en afgifte. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een buitenvoeler toevoegt aan de regeling - Ik kan een stooklijn lezen: welke aanvoertemperatuur hoort bij welke buitentemperatuur - Ik weet dat de stooklijnschaal per merk verschilt en zoek de waarden op in de handleiding - Ik kan uitleggen waarom nachtverlaging de retourtemperatuur en dus het rendement beinvloedt - Ik controleer bij een klacht over langzame opwarming eerst het afgiftesysteem voor ik de stooklijn aanpas ### Les 6.3: Slimme thermostaten en zoneregeling URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/slimme-thermostaten-en-zoneregeling/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wat slimme thermostaten en zoneregeling met de ketel doen en welke hydraulische gevolgen dat heeft. #### Wat een slimme thermostaat toevoegt aan modulerend regelen In [les 6.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/thermostaten-aan-uit-modulerend-en-opentherm/) zag je het verschil tussen aan/uit, modulerend en OpenTherm. Een slimme thermostaat bouwt daarop voort: hij is meestal via een app te bedienen, kan zelfprogrammerend zijn (het weekritme van de bewoner leren) en is soms uit te breiden met losse slimme radiatorknoppen op de radiatoren of te koppelen aan een slimme energiemeter. Niet elke slimme thermostaat werkt overigens even goed: de functies verschillen sterk per merk en model, dus een merk aanraden hoort niet bij het werk van een monteur, wel uitleggen wat de functies technisch betekenen. #### Zoneregeling: comfort met een hydraulische prijs Zoneregeling betekent dat je zones of kamers apart van elkaar kunt verwarmen, in plaats van het hele huis te sturen op de temperatuur in de woonkamer alleen. Dat kan met een cv-ketel die dat ondersteunt en kleppen in de verwarmingsbuizen, in combinatie met een of meer extra thermostaten, of met een slimme thermostaat die is uitgebreid met slimme radiatorknoppen. Comfort en energiebesparing zijn de voordelen, maar zoneregeling heeft ook een hydraulische keerzijde. Sluiten in veel zones tegelijk de kranen (bijvoorbeeld op een milde dag, of 's nachts in slaapkamers), dan daalt het totale debiet door de installatie sterk. Dat kan twee dingen doen: - **Pendelen.** Fabrikant Resideo (Honeywell Home) noemt dat overcapaciteit tijdens het voor- en naseizoen ervoor kan zorgen dat de ketel gaat pendelen, omdat er te weinig warmtevraag overblijft. Een modulerende aansturing van de zoneregeling via OpenTherm biedt hier uitkomst: de ketel kan dan op laag vermogen doorbranden in plaats van steeds aan en uit te schakelen. - **Te weinig debiet voor de pomp.** Sluiten bijna alle thermostatische radiatorkranen tegelijk, dan kan de pomp het water niet meer rondpompen: de ketel kan de opgewekte warmte niet meer kwijt. Intergas noemt in het installatievoorschrift bij vloerverwarmingszones expliciet: zorg voor een minimale watercirculatie en plaats eventueel een bypassventiel. Vaillant bouwt bij de ecoTEC plus VHR een instelbare bypass-functie in (parameter met standen als "zonder bypass" en "bypass"), die de warmteopwekker hydraulisch kan ontkoppelen van bijvoorbeeld een open verdeler of een buffer. > **Een bypass houdt de installatie draaiende, niet de bewoner warm** > Een automatische bypassklep of een ingebouwde bypass-functie zorgt dat er altijd een minimum aan water blijft circuleren, ook als alle kranen dicht staan. Dat voorkomt dat de ketel tegen een (bijna) gesloten circuit aan pompt en in storing valt of gaat pendelen. Zonder minimale doorstroming leidt in [les 3.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-pomp-opvoerhoogte-weerstand-en-werkpunt/) al de pompkarakteristiek naar dit probleem: een pomp die tegen een steeds hogere weerstand werkt, levert steeds minder debiet. #### Rekenvoorbeeld: waarom sluiten alle kranen tegelijk een probleem is Een installatie heeft 8 radiatoren met elk een thermostatische kraan. Op een zonnige middag hebben 7 van de 8 kamers hun ingestelde temperatuur al bereikt en sluiten hun kranen. Nog maar 1 radiator (bijvoorbeeld in een noordkamer) vraagt warmte. Het leidingnet naar die ene radiator moet dan bijna het volledige debiet van de pomp verwerken, wat kan leiden tot suizend water (te hoge stroomsnelheid, zie [les 3.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/delta-t-en-debiet/)) of, in het ergste geval, dat ook die laatste kraan dichtklapt en de pomp tegen een vrijwel gesloten circuit werkt. Een bypass (los ventiel of ingebouwde functie) geeft de pomp dan altijd een uitweg. #### Praktijkgeval: geluidsklachten na installatie van slimme radiatorknoppen Een klant heeft zelf slimme radiatorknoppen op alle radiatoren laten zetten en meldt een half jaar later "gesuis" in de leidingen en een ketel die vaker aan- en uitschakelt dan voorheen. Voor je een nieuwe pomp of een ander toerental instelt, controleer je eerst of er een bypass aanwezig is en of die goed functioneert: als de installatie voor de komst van de radiatorknoppen altijd voldoende open kranen had om te circuleren, en dat nu niet meer zo is, ligt de oorzaak vaak in de ontbrekende of verkeerd ingestelde bypass, niet in de pomp zelf. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een slimme thermostaat toevoegt aan modulerend regelen - Ik kan uitleggen wat zoneregeling is en welke twee hydraulische risico's erbij horen - Ik weet waarom een bypass nodig kan zijn bij veel gesloten thermostatische kranen tegelijk - Ik controleer bij geluid of pendelen na een zoneregeling-installatie eerst de bypass voor ik de pomp vervang ### Les 6.4: Tapwater: combi, boiler en CW-klassen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/tapwater-combi-boiler-en-cw-klassen/ **Leerdoel:** Je kunt een combi en een voorraadvat vergelijken, de CW-klasse van een toestel uitleggen en de voorrangsschakeling herkennen. #### Combi tegenover boiler: twee manieren om tapwater te maken Een combiketel maakt tapwater op het moment dat je de kraan opendraait: een ingebouwde platenwarmtewisselaar verwarmt het water direct, een tapsensor signaleert het openen van de kraan en de driewegklep schakelt naar de warmwaterstand. Niet elke ketel uit dezelfde serie doet dit: bij de Remeha Calenta maken de 25s en 35s alleen verwarming, tapwater loopt dan via een apart toestel, terwijl de 28c en 40c ook tapwater maken. Het alternatief is een los voorraadvat of een indirect gestookte boiler: een ketel die alleen cv maakt, stuurt via een driewegklep (intern of extern) en een boilersensor een apart vat aan waarin een voorraad warm water wordt bewaard en op temperatuur gehouden. Zo'n boiler heeft als voordeel dat er een voorraad klaarstaat (handig bij groot, kortdurend verbruik zoals een bad), maar kost meer stilstandsverlies dan een combiketel die alleen verwarmt op het moment van tappen. #### Voorrang voor tapwater: de voorrangsschakeling Zowel bij een combiketel als bij een boiler geldt hetzelfde principe: warm tapwater krijgt voorrang op de verwarming. Bij de Intergas Kombi Kompakt HRE (een combiketel met gescheiden cv- en warmwatercircuits) betekent dit concreet: zodra de stromingssensor een vraag naar warm tapwater van meer dan 1,5 l/min detecteert, wordt een lopende cv-vraag onderbroken. Cv en tapwater kunnen bij dit toestel niet gelijktijdig werken. Bij een soloketel met een indirect gestookte boiler heet dit een boilervoorkeurschakeling: Remeha noemt dat de boiler voorrang krijgt bij gelijktijdige warmtevraag van boiler en cv, uitgevoerd via de driewegklep. > **Voorrang voor tapwater is geen storing** > Merkt een bewoner dat de verwarming even "wacht" terwijl er een douche wordt genomen: dat is normaal gedrag, geen storing. De ketel kan op dat moment geen twee dingen tegelijk doen en kiest voor het tapwater, zodat niemand met koud water blijft staan. #### CW-klassen: wie bepaalt hoeveel warm water er komt De Gaskeur CW-klasse (Kiwa, vastgelegd in de BRL Gaskeur CW) deelt toestellen in op basis van het tapdebiet bij 60 graden: CW1 is de laagste klasse (minstens 2,5 l/min), CW6 de hoogste (onder meer een bad van 200 liter in 10 minuten zonder gelijktijdig gebruik van een ander tappunt). Een Remeha Calenta 28c heeft bijvoorbeeld CW4, de 40c CW5. Een hogere CW-klasse betekent niet automatisch "beter": het Waterwerkblad noemt bij de keuze van een warmtapwatertoestel ook de toestelwachttijd (maximaal 15 seconden volgens het werkblad), het drukverlies van het toestel bij de minimaal benodigde gebruiksdruk, en het jaargebruiksrendement op tapwater. Een groot toestel met een hoge CW-klasse dat zelden op vollast wordt gebruikt, is niet per se zuiniger dan een kleiner toestel dat goed bij het werkelijke verbruik past. #### Rekenvoorbeeld: gelijktijdig tappen Volgens het Waterwerkblad reken je bij het ontwerp van een woninginstallatie met deze volumestromen warm tapwater (60 graden): een keuken of douche 5,0 l/min, een bad 6,0 l/min, een ander tappunt (bijvoorbeeld een wastafel) 2,5 l/min. Bij gelijktijdig gebruik van keuken en douche reken je met 7,5 l/min, en bij keuken, douche en bad samen met 12,5 l/min. | Situatie | Volumestroom (60 graden) | |---|---| | Douche alleen | 5,0 l/min | | Bad alleen | 6,0 l/min | | Keuken + douche | 7,5 l/min | | Keuken + douche + bad | 12,5 l/min | Een toestel met CW4 (minstens 7,5 l/min bij 60 graden) is dus voldoende voor keuken plus douche tegelijk (7,5 l/min). Voor keuken, douche en bad samen (12,5 l/min) garandeert de CW-klasse op zich niet genoeg debiet: de Gaskeur CW-klasse en de Waterwerkblad-ontwerptabel gebruiken niet dezelfde debieten. Kijk bij twijfel naar het specifieke debiet warm water uit de fabrikantspecificatie van het toestel, niet alleen naar het CW-nummer. #### Praktijkgeval: eco- of comfortstand Een combiketel kan voor de warmwaterproductie in de ecostand of de comfortstand staan. In de comfortstand houdt de ketel de warmwaterwisselaar continu op temperatuur, zodat er direct warm water komt (bijvoorbeeld handig in een kapperszaak). In de ecostand leert het toestel het gebruikspatroon en houdt de wisselaar 's nachts of bij langere afwezigheid niet warm. Een klacht als "het duurt langer voor het water warm is dan vroeger" kan dus simpelweg een verkeerd ingestelde stand zijn, in plaats van een defect: controleer eerst de instelling voor je onderdelen gaat vervangen. **Controleer jezelf:** - Ik kan een combiketel en een boiler (voorraadvat) met elkaar vergelijken - Ik weet dat warm tapwater voorrang heeft op cv, zowel bij een combi als bij een boiler - Ik kan uitleggen waarop de CW-klasse van een toestel is gebaseerd - Ik reken bij gelijktijdig tappen met de volumestromen uit het Waterwerkblad, niet uit mijn hoofd - Ik controleer bij een klacht over trage warmwaterlevering eerst de eco/comfortstand ### Les 6.5: Legionella en veilig tapwater URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/legionella-en-veilig-tapwater/ **Leerdoel:** Je kent de legionellarisico's en de verbrandingsgevaren van tapwater en weet hoe je een installatie daarop instelt. #### Waar legionella groeit, en waarom 60 graden de norm is Legionella is een bacterie die groeit bij watertemperaturen tussen ongeveer 25 en 50 graden; stilstaand water, een lange verblijftijd in de leiding en biofilm (een laagje aanslag waarin de bacterie voedsel en bescherming vindt) vergroten het risico. Daarom stelt het Waterwerkblad eisen die stilstand en de groeizone vermijden: elke leiding moet minstens eenmaal per week ververst of gebruikt worden, een leidingdeel dat dat niet is moet een terugstroombeveiliging krijgen, en een dode leiding of een dood eind mag niet voorkomen. De temperatuureisen volgen uit diezelfde logica: hoe hoger de temperatuur boven de groeizone, hoe kleiner het risico. Bij een woninginstallatie zonder circulatie moet de temperatuur aan het tappunt bij normaal gebruik minstens 55 graden zijn; met circulatie, of bij een collectief leidingnet (bijvoorbeeld een appartementengebouw met een gezamenlijke ketel), geldt een strenger minimum van 60 graden, en bij circulatie ook in de retourleiding. | Situatie | Minimale temperatuur aan het tappunt | |---|---| | Woning zonder circulatie | 55 graden | | Woning met circulatie | 60 graden | | Collectief leidingnet (zonder of met circulatie) | 60 graden | Haalt een warmwatervoorraadtoestel (boiler) niet continu overal de vereiste temperatuur, dan moet het wekelijks thermisch worden gedesinfecteerd: kortstondig op een hogere temperatuur brengen om eventuele bacterien te doden. Incidentele pieken in het verbruik mogen de temperatuur tijdelijk laten zakken, mits die binnen 24 uur weer op de vereiste waarde is. Structureel lager instellen dan vereist is niet toegestaan, ook niet in combinatie met periodieke desinfectie. #### Wat wel en niet onder jouw verantwoordelijkheid valt Niet elk gebouw valt onder dezelfde regels. Het Drinkwaterbesluit wijst "prioritaire instellingen" aan waarvoor een zwaarder regime geldt: onder meer ziekenhuizen en bepaalde zorginstellingen, hotels en andere logiesverblijven (met uitzondering van recreatiewoningen), asielzoekerscentra, gebouwen met een celfunctie, zwembaden en jachthavens. Daar is een risicoanalyse en een beheersplan verplicht, opgesteld door een daarvoor gecertificeerd bedrijf, en werkt ISSO-publicatie 55.1 de eisen verder uit. > **Een gewone woning is geen prioritaire instelling** > Een gewone eengezinswoning of appartement staat niet op de lijst van prioritaire instellingen. Dat betekent niet dat legionella daar geen risico is: de basisregels uit NEN 1006 en de Waterwerkbladen (temperatuur, wekelijkse desinfectie als nodig, geen dode leidingen) gelden gewoon. Het betekent wel dat de zware verplichting tot een formele risicoanalyse en een beheersplan daar niet geldt. Weet dit onderscheid, zodat je een klant niet onnodig bang maakt voor iets dat wettelijk niet op hem van toepassing is, en niet onterecht denkt dat "gewoon een woning" betekent dat temperatuur er niet toe doet. #### Verbrandingsgevaar: dezelfde temperatuur, een ander risico Hier ontstaat een spanningsveld: dezelfde hoge temperatuur die legionella tegengaat, kan verbranding veroorzaken. Het Waterwerkblad noemt expliciet dat het instellen van de warmwatertemperatuur op 60 graden of hoger verbrandingsgevaar kan geven bij risicogroepen: kinderen, ouderen, psychiatrische patienten en mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Een kindveiligheidsorganisatie noemt als indicatie dat water van 55 graden bij een kind al binnen enkele tientallen seconden ernstige brandwonden kan veroorzaken; deze cijfers zijn niet met een tweede, onafhankelijke bron gecontroleerd, maar de kern (hoge temperatuur is voor kwetsbare mensen gevaarlijk) staat vast in het Waterwerkblad zelf. > **Heet tapwater kan direct verbranden** > Water van 60 graden of hoger is nodig tegen legionella, maar kan bij aanraking al na korte tijd ernstige brandwonden veroorzaken, vooral bij kinderen en ouderen. Stel een toestel nooit hoger in dan nodig, en plaats bij risicogroepen altijd een thermostatische mengkraan met temperatuurbegrenzing tussen het toestel en het tappunt. De oplossing is niet de temperatuur van het toestel zelf verlagen (dat vergroot het legionellarisico), maar een thermostatische mengkraan met temperatuurbegrenzing tussen het warmwatertoestel en het tappunt plaatsen. Zo blijft de temperatuur in de leiding en het voorraadvat hoog genoeg tegen legionella, terwijl het water dat uit de kraan komt begrensd is op een veilige temperatuur. Wordt zo'n mengkraan toegepast bij een niet-modulerend doorstroomtoestel, dan moet die volgens het Waterwerkblad voldoen aan de eisen van Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K610. De temperatuurbegrenzing van een mengkraan vraagt jaarlijkse controle: een kraan die vastloopt of verkeerd is afgesteld, beschermt niet meer. #### Rekenvoorbeeld: waarom "lager instellen" geen oplossing is Een boiler staat op 65 graden. Een bewoner met jonge kinderen vraagt de temperatuur te verlagen naar 45 graden uit angst voor brandwonden. Wat gebeurt er dan met het legionellarisico? Bij 45 graden zit de boiler midden in de groeizone van 25 tot 50 graden: het risico op legionellagroei neemt juist toe in plaats van af. De juiste oplossing is de boiler op minstens 60 graden te laten staan (of, bij een woning zonder circulatie, minstens 55 graden) en een thermostatische mengkraan te plaatsen die het water vlak voor het tappunt afkoelt tot een veilige temperatuur, bijvoorbeeld rond 38 graden voor een gezin met kinderen. #### Praktijkgeval: renovatie van een badkamer met kinderen in huis Bij een renovatie vraagt een klant met twee jonge kinderen om "gewoon veilig warm water". Je legt uit dat de boiler op minstens 60 graden blijft staan (tegen legionella), en dat je een thermostatische mengkraan met temperatuurbegrenzing plaatst bij de badkraan en de douche. Je wijst erop dat die begrenzing jaarlijks gecontroleerd moet worden, en dat dit geen vervanging is van gewoon toezicht: ook met een mengkraan test je bij een baby de temperatuur van het badwater altijd eerst met je elleboog of een badthermometer, zoals ook kindveiligheidsorganisaties adviseren. **Controleer jezelf:** - Ik weet in welk temperatuurbereik legionella groeit en waarom stilstaand water een risico is - Ik ken de minimale temperaturen aan het tappunt voor een woning zonder en met circulatie, en voor een collectief net - Ik weet dat een gewone woning geen prioritaire instelling is, maar dat de basisregels wel gelden - Ik kan uitleggen waarom lager instellen tegen verbranding het legionellarisico juist vergroot - Ik pas bij verbrandingsgevaar een thermostatische mengkraan toe in plaats van de toesteltemperatuur te verlagen - Ik weet dat de temperatuurbegrenzing van een mengkraan jaarlijkse controle nodig heeft ## Module 7: Afgiftesystemen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/afgiftesystemen/ Radiatoren, convectoren en vloerverwarming: hoe ze warmte afgeven, welke temperatuur ze nodig hebben en hoe je ze combineert met een ketel of warmtepomp. Zo beoordeel en optimaliseer je een afgiftesysteem dat past bij de warmtebron. **Na deze module kun je:** - Radiatoren en convectoren beoordelen op vermogen en temperatuurregime - Uitleggen waarom een lagere aanvoertemperatuur het rendement van de ketel verhoogt - De opbouw en werking van vloerverwarming beschrijven - De verdeler, regeling en aanvoertemperatuur van vloerverwarming beoordelen - Afgiftesystemen combineren en koppelen aan de warmtebron - Een afgiftesysteem beoordelen en optimaliseren ### Les 7.1: Radiatoren en convectoren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/radiatoren-en-convectoren/ **Leerdoel:** Je kunt het vermogen van een radiator of convector bij een bepaald temperatuurregime beoordelen en uitleggen wat dat voor de ketel betekent. #### Waarom een radiator een temperatuurregime nodig heeft Een radiator geeft warmte af aan de lucht en aan de omgeving, en hoeveel dat is hangt sterk af van hoe warm het water is dat erdoorheen stroomt. Fabrikanten geven daarom niet een enkel vermogen op, maar een vermogen bij een **referentieregime**: aanvoer 75 graden, retour 65 graden, ruimtetemperatuur 20 graden. Dat schrijf je als 75/65/20. Het verschil tussen de gemiddelde watertemperatuur en de ruimte heet de overtemperatuur (delta T): bij dit regime is dat (75 + 65) / 2 - 20 = 50 K. Werkt de installatie op een andere temperatuur, dan verandert het vermogen niet lineair mee. Het vermogen volgt de formule: Phi = Km x (delta T)^n Km is een constante die per radiator verschilt (afhankelijk van het type en de afmeting), en n is een exponent die voor een gewone paneelradiator met een convectieplaat (type 22) meestal tussen 1,30 en 1,35 ligt bij het normale debiet, en iets lager bij een verminderd debiet. Een radiator zonder convectieplaat (een kale ledenradiator) volgt de formule doorgaans nauwkeuriger; bij een radiator met convectieplaat kan de formule bij een laag debiet de werkelijke afgifte tot ongeveer 10 procent overschatten. > **Het vermogen daalt sneller dan de temperatuur** > Een radiator die bij 75/65/20 zijn volle vermogen geeft, geeft bij een lagere temperatuur niet een beetje minder, maar veel minder. De exponent (ongeveer 1,3) maakt dat het vermogen sneller daalt dan het temperatuurverschil zelf. Dat is de reden waarom je een radiator niet zomaar op een lagere temperatuur kunt laten draaien zonder de afgifte te controleren. #### Rekenvoorbeeld: vermogen bij een ander regime Een radiator heeft een genormeerd vermogen van 1800 W bij het referentieregime 75/65/20 (delta T 50 K). Met n = 1,3 reken je het vermogen bij een ander regime uit met (delta T_nieuw / 50)^1,3 keer het genormeerde vermogen. | Regime | Delta T | Factor (delta T / 50)^1,3 | Vermogen | |---|---|---|---| | 75/65/20 (referentie) | 50 K | 1,00 | 1800 W | | 70/50/20 | 40 K | 0,75 | ongeveer 1350 W | | 55/45/20 | 30 K | 0,52 | ongeveer 930 W | | 45/35/20 | 20 K | 0,30 | ongeveer 540 W | Bij 45/35/20 levert deze radiator dus nog maar ongeveer 30 procent van zijn genormeerde vermogen. Wil je op die temperatuur stoken, dan moet de radiator van tevoren al groter zijn gekozen, of moet je vermogen bijzetten met een ventilator (zie hieronder) of vloerverwarming (les 7.3). #### Typen: paneelradiator, ledenradiator, convector en LT-radiator Een **paneelradiator** is een platte, geperste stalen radiator, vaak met een of meer convectieplaten aan de achterkant die extra lucht langs het paneel laten stromen. Een **ledenradiator** is opgebouwd uit gietijzeren of stalen leden en heeft geen convectieplaat: hij straalt meer warmte uit en convecteert minder. Een **convector** bestaat uit een warmtewisselaar met lamellen in een ombouw, met veel oppervlak in weinig ruimte: bij dezelfde afmeting heeft een convector meestal meer vermogen dan een radiator, doordat de lamellen veel lucht laten passeren. Een **LT-radiator** (lage temperatuur) is een radiator die zonder ventilator is ontworpen op een aanvoertemperatuur van ongeveer 35 tot 45 graden, met een warmtewisselaar die veel warmte uit weinig water haalt (Jaga noemt voor de Strada Hybrid ongeveer 90 procent minder waterinhoud dan een gewone paneelradiator). Een **LT-convector met ventilator** (Jaga noemt de Mini Canal Hybrid als voorbeeld) gebruikt een ingebouwde ventilator om bij lage temperatuur 3 tot 4 keer zoveel warmte af te geven als zonder ventilator. #### Waarom een ventilator helpt bij lage temperatuur Bij een lage aanvoertemperatuur is het temperatuurverschil tussen de radiator en de lucht klein. Daardoor is de thermische trek (de natuurlijke opwaartse luchtstroming langs een warm oppervlak) gering, en convecteert een gewone radiator minder goed. Een ventilator dwingt lucht langs het warmteafgevend oppervlak en kan het vermogen van een bestaande radiator daardoor met ongeveer 25 procent verhogen; een nieuwe ventilatorunit kan tot 100 procent meer leveren dan een vergelijkbare radiator zonder ventilator. Dat maakt een ventilator een goedkoper alternatief voor het vervangen van een radiator, zie ook les 7.6. > **Verdieping: aritmetisch of logaritmisch delta T?** > Er zijn twee manieren om de overtemperatuur te berekenen: aritmetisch, als (aanvoer + retour) / 2 - ruimte, en logaritmisch, met een natuurlijke-logaritmeformule die rekening houdt met de afkoeling van het water langs de radiator. De aritmetische formule (die in dit lesmateriaal wordt gebruikt) is voldoende nauwkeurig zolang het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour niet te groot is ten opzichte van het verschil met de ruimte. Bij een klein delta T, zoals bij vloerverwarming (les 7.3), is het verschil tussen de twee methodes klein. #### Wat dit betekent voor de ketel Een radiator die op lage temperatuur te weinig vermogen geeft, dwingt de ketel niet harder te stoken dan nodig, maar dwingt de bewoner de aanvoertemperatuur weer omhoog te zetten, waardoor het rendementsvoordeel van een lagere temperatuur (les 7.2) verdwijnt. Andersom geldt: hoe beter de radiatoren of convectoren passen bij een lage temperatuur, hoe lager de ketel of warmtepomp kan stoken. Dat is het uitgangspunt van de rest van deze module. **Controleer jezelf:** - Ik kan het vermogen van een radiator met de exponentformule omrekenen naar een ander temperatuurregime - Ik weet dat het referentieregime 75/65/20 is, met een overtemperatuur van 50 K - Ik herken dat een convector bij gelijke afmeting meer vermogen heeft dan een radiator - Ik weet wanneer een ventilator een radiator of convector geschikt kan maken voor lage temperatuur - Ik gebruik de exponentformule als schatting, niet als exacte waarde voor elk radiatortype ### Les 7.2: Lage temperatuur en het rendement van de ketel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/lage-temperatuur-en-het-rendement-van-de-ketel/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen waarom een lagere aanvoer- en retourtemperatuur het rendement van een HR-ketel verhoogt en wat dat vraagt van de afgifte. #### Waarom een lagere retourtemperatuur meer rendement geeft Een HR-ketel haalt zijn extra rendement uit condensatie: als de rookgassen onder het condensatiepunt komen, condenseert de waterdamp in de rookgassen en komt de vrijkomende warmte (de latente warmte) bij het cv-water terecht. Remeha noemt voor de Calenta een condensatiepunt van ongeveer 55 graden. Hoe lager de **retourtemperatuur** van het cv-water, hoe meer rookgas onder dat punt komt en hoe meer er condenseert. > **Niet de aanvoer, maar de retourtemperatuur bepaalt het rendement** > Het is de temperatuur van het water dat terugkomt van de radiatoren of vloerverwarming naar de ketel die de condensatie bepaalt, niet de temperatuur die de ketel erin stuurt. Een installatie die met een hoge aanvoer maar een lage retour werkt (een groot delta T) condenseert dus ook al goed. Een lagere aanvoer helpt vooral omdat de retour dan vaak ook lager wordt. #### Rekenvoorbeeld: rendement bij twee regimes Remeha noemt voor de Calenta 25s bij een nominale belasting van 25,0 kW (op onderwaarde, Hi) een geleverd vermogen van 24,8 kW bij regime 80/60 en 25,5 kW bij regime 50/30. | Regime | Geleverd vermogen | Rendement op onderwaarde | |---|---|---| | 80/60 | 24,8 kW | 24,8 / 25,0 = 99,2 % | | 50/30 | 25,5 kW | 25,5 / 25,0 = 102,0 % | Het verschil van bijna 3 procentpunt komt volledig door de retourtemperatuur: bij 30 graden retour ligt de rookgastemperatuur ver onder het condensatiepunt van ongeveer 55 graden, bij 60 graden retour condenseert er veel minder. #### Wat nodig is om met 55/45 of 45/35 te stoken Lager stoken levert dus rendement op, maar de afgifte moet dat kunnen bijbenen. Uit les 7.1 volgt dat een radiator bij een lager regime veel minder vermogen geeft: bij lage temperatuur (aanvoer onder 45 graden, volgens Buildwise) geeft een radiator bij gelijke afmeting ongeveer 3 keer minder vermogen dan bij hoge temperatuur. Om op 55/45 of 45/35 te stoken heb je dus of een groter afgiftesysteem (grotere of extra radiatoren, of vloerverwarming, zie les 7.3), of een radiator of convector die daarvoor is ontworpen (een LT-radiator of een ventilatorunit, les 7.1). Milieu Centraal noemt ter vergelijking voor de opwarming van cv-water door een warmtepomp een maximale temperatuur van ongeveer 55 graden, tegenover ongeveer 75 graden bij een klassieke cv-ketel op hoge temperatuur. Vaillant noemt voor zijn hogetemperatuurwarmtepomp aroTHERM plus een aanvoertemperatuur tot 75 graden mogelijk, maar met de kanttekening dat het rendement (de COP) daalt naarmate de aanvoertemperatuur hoger is. Vaillant beschrijft ook een eenvoudige praktijktest: op een koude dag alle radiatorkranen volledig open zetten, de aanvoertemperatuur via de stooklijn stapsgewijs verlagen, en controleren of de woning warm blijft bij een aanvoertemperatuur van 55 graden of lager. Is dat het geval, dan werken de bestaande radiatoren economisch efficiënt met een warmtepomp op die temperatuur. #### Gevolgen voor het benodigde oppervlak Hoe lager je wilt stoken, hoe groter het afgiftesysteem moet zijn om hetzelfde vermogen te leveren. Dat raakt ook de hydraulica uit module 3: bij een kleiner temperatuurverschil tussen aanvoer en retour is voor hetzelfde vermogen een groter debiet nodig (zie de debietformule in [les 3.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/delta-t-en-debiet/)). Een radiatorcircuit is bijvoorbeeld vaak ontworpen op een delta T van ongeveer 20 K; vloerverwarming werkt met een veel kleiner delta T (les 7.4) en dus met een ander debiet per vermogen. > **Verdieping: waarom stijgt het rendement niet onbeperkt door?** > Onder het condensatiepunt condenseert er steeds meer waterdamp naarmate de retourtemperatuur daalt, maar de winst wordt kleiner naarmate je al lager zit: het grootste deel van de winst komt bij de eerste stap onder het condensatiepunt. Reken daarom niet automatisch met "hoe lager, hoe evenredig meer rendement": het is een dalende meeropbrengst, geen rechte lijn. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen dat de retourtemperatuur, niet de aanvoertemperatuur, het condensatie-effect bepaalt - Ik kan met een voorbeeld het rendementsverschil tussen twee regimes berekenen uit geleverd vermogen en nominale belasting - Ik weet dat een lagere temperatuur een groter of beter afgiftesysteem vraagt - Ik ken de vierstappentest om te beoordelen of bestaande radiatoren op lage temperatuur kunnen werken - Ik leg uit dat een groter delta T bij hetzelfde vermogen een kleiner debiet geeft, en omgekeerd ### Les 7.3: Vloerverwarming: opbouw en werking URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vloerverwarming-opbouw-en-werking/ **Leerdoel:** Je kunt de opbouw van een vloerverwarmingssysteem beschrijven en uitleggen waarom het met een lage temperatuur werkt. #### Waarom vloerverwarming met een lage temperatuur toe kan Een radiator geeft zijn warmte af via een klein, warm oppervlak. Vloerverwarming doet het omgekeerde: de hele vloer van een ruimte is het warmteafgevend oppervlak, en dat oppervlak is vaak tientallen vierkante meters groot. Doordat het oppervlak zo groot is, hoeft het maar weinig warmer te zijn dan de ruimte om toch genoeg vermogen te leveren. Dat is de kernreden waarom vloerverwarming van nature geschikt is voor lage temperatuur, terwijl een radiator daarvoor eerst groter gemaakt moet worden (les 7.1). > **Groot en koel oppervlak in plaats van klein en heet** > Hoeveel warmte een vloer afgeeft, hangt af van het temperatuurverschil tussen het water in de buizen en de ruimte, en van de warmteweerstand van de opbouw ertussen (isolatie, dekvloer, vloerafwerking). Een dikkere of beter isolerende laag tussen buis en oppervlak geeft minder warmteafgifte bij hetzelfde watertemperatuur: de opbouw bepaalt dus mee hoeveel vermogen je uit een vloer krijgt. #### Opbouw: nat systeem en droog systeem Bij een **nat systeem** liggen de buizen rechtstreeks in een cement- of anhydrietdekvloer, op een isolatielaag. De opbouwhoogte (isolatie plus dekvloer) ligt gewoonlijk tussen 18 en 20 cm. De grote hoeveelheid dekvloer geeft de installatie veel thermische massa: hij warmt langzaam op, maar houdt de warmte ook lang vast en koelt langzaam af. Bij een **droog systeem** liggen de buizen in voorgevormde isolatieplaten (bijvoorbeeld van piepschuim of polystyreen) die de warmte naar de vloerafwerking geleiden, zonder dikke dekvloer. De minimale inbouwhoogte is ongeveer 6 cm. Met minder massa warmt een droog systeem sneller op en reageert het sneller op een veranderende warmtevraag, maar het houdt de warmte ook minder lang vast. | | Nat systeem | Droog systeem | |---|---|---| | Opbouwhoogte | ongeveer 18 tot 20 cm | vanaf ongeveer 6 cm | | Thermische massa | groot (dekvloer) | klein (isolatieplaten) | | Opwarming en reactie | langzamer | sneller | | Typische toepassing | nieuwbouw, renovatie met voldoende hoogte | renovatie met weinig inbouwhoogte, ook op een houten vloerconstructie | #### Praktijkgeval: welk systeem past in deze renovatie? Een woonkamer wordt gerenoveerd. Tussen de bestaande vloer en de gewenste vloerafwerking is maar 7 cm ruimte beschikbaar, en de vloer is een houten vloerconstructie. Een nat systeem vraagt 18 tot 20 cm en past hier niet, en een dikke, natte dekvloer is ook geen goede combinatie met een houten vloerconstructie (extra gewicht, vocht tijdens het drogen). Een droog systeem met een minimale inbouwhoogte van ongeveer 6 cm past wel binnen de beschikbare 7 cm en is bovendien geschikt op een houten ondergrond. In dit geval is een droog systeem dus de logische keuze, niet omdat het per definitie beter is, maar omdat het bij de beschikbare hoogte en de constructie past. #### Maximale vloertemperatuur De temperatuur van het water in de buis is niet de temperatuur die je onder je voeten voelt: de opbouw (isolatie, dekvloer, afwerking) verlaagt de temperatuur naar het oppervlak. De maximale oppervlaktetemperatuur van de vloer is begrensd op ongeveer 29 graden in de verblijfszone en ongeveer 35 graden in de randzone (waar meer warmteafgifte nodig is, bijvoorbeeld langs een grote raampartij). Die grens is er niet toevallig: bij een hogere vloertemperatuur kan langdurig contact onprettig worden voor de huid, en niet elke vloerafwerking verdraagt een hogere temperatuur zonder te kromtrekken of te verkleuren. #### ISSO 49 en de link met EN 1264 ISSO-publicatie 49 is de Nederlandse richtlijn voor het ontwerpen van vloerverwarming en vloerkoeling. De herziene uitgave sluit aan bij de Europese norm EN 1264 (van kracht sinds 2021) en bevat een bijlage met rekenvoorbeelden om het systeemvermogen te bepalen. ISSO 49 gaat ervan uit dat een goed geïsoleerde woning vaak voldoende heeft aan vloerverwarming, zonder aanvullende wandverwarming. > **Verdieping: wat bepaalt de warmteafgifte per vierkante meter?** > De opwarmtijd en de warmteafgifte per vierkante meter hangen af van de buisafstand (hoe dichter de buizen bij elkaar liggen, hoe gelijkmatiger en hoger de afgifte), de aanvoertemperatuur, en de warmteweerstand van de vloerafwerking. Een dikke tapijtlaag isoleert bijvoorbeeld meer dan tegels, en vraagt dus een hogere watertemperatuur voor hetzelfde vermogen, tot de grens van de maximale vloertemperatuur hierboven. Voor de exacte getallen bij een specifiek systeem gebruik je de tabel van de fabrikant van dat systeem, niet een algemene vuistregel: die tabellen verschillen per merk, buisafstand en vloerafwerking. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom een groot oppervlak lage temperatuur mogelijk maakt - Ik kan het verschil tussen een nat en een droog systeem beschrijven, met opbouwhoogte en traagheid - Ik kan bij een gegeven inbouwhoogte en ondergrond beoordelen welk systeem past - Ik weet dat de maximale vloertemperatuur ongeveer 29 graden is in de verblijfszone en ongeveer 35 graden in de randzone - Ik weet dat ISSO 49 de Nederlandse richtlijn is die aansluit bij EN 1264 ### Les 7.4: Vloerverwarming: verdeler, regeling en aanvoertemperatuur URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vloerverwarming-verdeler-regeling-en-aanvoertemperatuur/ **Leerdoel:** Je kunt de verdeler, de kamerregeling en de aanvoertemperatuur van vloerverwarming beoordelen en instellen. #### Wat de verdeler doet De **verdeler** van een vloerverwarmingssysteem verdeelt het aangevoerde water gericht over de aangesloten kringen (de afzonderlijke buiscircuits die elk een deel van de vloer verwarmen). Op de aanvoerbalk zitten debietmeters waarmee de installateur het debiet per kring instelt, afhankelijk van het vermogen dat die kring moet leveren en het gewenste temperatuurverschil tussen aanvoer en retour. Sommige verdelers doen dat automatisch: de Rehau Easyflow-verdeler heeft bijvoorbeeld zelfregelende inserts die de balancering tussen kringen zelf uitvoeren, in plaats van dat de installateur elke kring met de hand instelt. Verdelers verschillen ook in schaal en uitvoering. Rehau levert onder meer de HKV-D-verdeler voor maximaal 12 groepen met flowmeter, de modulaire 3001 ESP-verdeler met optionele automatische flowregeling, en de RAUTHERM SPEED HKV-D P: een pomploze verdeler met insteekfittingen die door zijn compacte bouw ongeveer 15 cm inbouwhoogte bespaart. Dit zijn voorbeelden van dit merk: andere fabrikanten hebben vergelijkbare, maar niet identieke producten. > **De verdeler verdeelt, de mengunit verlaagt de temperatuur** > Een verdeler op zichzelf verandert de watertemperatuur niet: hij verdeelt alleen het debiet over de kringen. Het verlagen van de temperatuur naar het niveau dat de vloer nodig heeft, is de taak van de mengklep of mengverdeler. #### Mengklep en pompgroep: van ketelwater naar vloertemperatuur Een cv-ketel werkt vaak op een hogere temperatuur (Rehau noemt als voorbeeld ongeveer 80 graden) dan een vloer verdraagt. Daarom is bij een hogetemperatuurbron een **mengverdeler met een eigen pomp** nodig: die mengt het hete aanvoerwater met retourwater van de vloerverwarming tot de lagere temperatuur die de vloer nodig heeft. Rehau noemt voor een van zijn verdelersystemen een maximale aanvoertemperatuur naar de vloer van niet hoger dan 50 graden, vanwege de constructie van het systeem. Let op het verschil tussen twee grenzen die makkelijk worden verward: de maximale **aanvoertemperatuur van het water** naar de vloer (een grens die per fabrikant en systeem verschilt, hier 50 graden als voorbeeld) is niet hetzelfde als de maximale **oppervlaktetemperatuur van de afgewerkte vloer** (ongeveer 29 graden in de verblijfszone, les 7.3). Het watertemperatuur ligt hoger dan de vloertemperatuur die je voelt, omdat de opbouw (dekvloer, afwerking) de temperatuur naar het oppervlak verlaagt. > **Een falende mengklep kan de vloer beschadigen** > Blijft de mengklep in de verkeerde stand hangen of valt de aansturing uit, dan kan de volledige, hogere ketelaanvoertemperatuur in de vloercircuits terechtkomen in plaats van de gemengde, lagere temperatuur. Dat kan de vloerafwerking beschadigen (kromtrekken, verkleuren) en de oppervlaktetemperatuur boven de veilige grens van ongeveer 29 tot 35 graden brengen (les 7.3), wat op de huid onprettig kan aanvoelen bij langdurig contact. Merk je dat een vloer duidelijk warmer aanvoelt dan gebruikelijk, controleer dan eerst de mengklep en de aanvoertemperatuur voor je verder werkt. Uponor levert bijvoorbeeld pompgroepen (voorbeeld: Fluvia Move) met een driewegmengklep met 230 V-motoraandrijving en een geregelde circulatiepomp, die de aanvoertemperatuur naar de vloerverwarming weersafhankelijk regelen: bij een lagere buitentemperatuur mengt de klep een iets hogere aanvoertemperatuur bij. #### Kamerregeling Naast de aanvoertemperatuur kan elke ruimte een eigen kamerregeling krijgen. Uponor T-Push-12-pompgroepen hebben bijvoorbeeld een ingebouwde ruimtetemperatuurregeling voor kleine systemen en renovaties, uitbreidbaar met een kamerthermostaat per ruimte. Rehau-verdelers zijn standaard uitgerust met een pompgroep, een thermostaatknop met sensor en een balanceerventiel of een terugslagklep tussen aanvoer en retour; er zijn ook varianten met een thermostaatventiel en een zonemotor waarmee een kring per ruimte apart aan en uit kan worden gezet. Welke uitvoering nodig is, hangt af van of elke ruimte een eigen kamerthermostaat krijgt of dat de hele vloer als één zone wordt geregeld. #### Kringlengtes en debiet per kring Bij vloerverwarming is het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour per kring meestal klein: kleiner dan bij een radiatorcircuit, dat vaak op ongeveer 20 K wordt ontworpen ([les 3.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/delta-t-en-debiet/)). Met de debietformule (debiet in l/h is vermogen in W gedeeld door 1,163 keer delta T in K) geeft een klein delta T bij een gelijk vermogen een groter benodigd debiet dan bij een radiatorcircuit. Rekenvoorbeeld: een kring verwarmt een ruimte van ongeveer 15 m2 met een geschat vermogen van 750 W. Neem als aanname een delta T van 5 K (een typische, kleinere waarde voor vloerverwarming; controleer bij een echt ontwerp altijd de opgave van de fabrikant van het gekozen systeem): Debiet = 750 / (1,163 x 5) = ongeveer 129 l/h Vergelijk dat met een radiatorcircuit van hetzelfde vermogen op een delta T van 20 K: 750 / (1,163 x 20) = ongeveer 32 l/h. Bij hetzelfde vermogen vraagt de vloerverwarmingskring dus ongeveer vier keer zoveel debiet als het radiatorcircuit, precies omdat het delta T vier keer zo klein is. Sluit je een vloerverwarmingsverdeler met een eigen pomp aan op de ketel, zorg dan voor een hydraulisch neutrale aansluiting: is die er niet, dan kan er ongewenste circulatie over het ketelcircuit ontstaan, ook als er geen warmtevraag is. Het daadwerkelijk instellen van het debiet per kring (inregelen) hoort bij het onderwerp van [module 14](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/waterzijdig-inregelen/): hier gaat het om wat de verdeler en de kring zijn, niet om de inregelprocedure zelf. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een verdeler doet en waarom hij de watertemperatuur niet zelf verandert - Ik ken het verschil tussen de aanvoertemperatuur van het water en de oppervlaktetemperatuur van de vloer - Ik herken wanneer een mengverdeler met pomp nodig is - Ik kan met de debietformule het benodigde debiet van een vloerverwarmingskring schatten bij een gegeven aanname voor delta T - Ik weet dat een vloerverwarmingsverdeler met eigen pomp hydraulisch neutraal moet worden aangesloten ### Les 7.5: Afgiftesystemen combineren en koppelen aan de warmtebron URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afgiftesystemen-combineren-en-koppelen-aan-de-warmtebron/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe je radiatoren en vloerverwarming combineert en wat ketel of warmtepomp daarvan verwacht. #### Radiatoren en vloerverwarming op een ketel Veel woningen hebben radiatoren op de verdieping en vloerverwarming in een aanbouw of begane grond, of krijgen vloerverwarming toegevoegd bij een verbouwing terwijl de bestaande radiatoren blijven staan. Dat kan op een ketel, maar niet zomaar op dezelfde leiding. Intergas biedt hiervoor bijvoorbeeld een driewegklepset die de installatie opsplitst in een **hogetemperatuurzone** (de radiatoren, op de temperatuur die de ketel aanstuurt) en een **laagtemperatuurzone** (de vloerverwarming, op een lagere temperatuur). Een aanlegsensor bewaakt de laagtemperatuurzone en schakelt de brander uit als de veiligheidstemperatuur wordt overschreden. > **Twee temperaturen, twee zones, nooit rechtstreeks aftakken** > Radiatoren en vloerverwarming vragen elk hun eigen temperatuur. Vloerverwarming rechtstreeks aftakken van de radiatoraanvoer, zonder mengunit, geeft een te hoge temperatuur in de vloer: dat overschrijdt zowel de constructiegrens van het vloersysteem als de toegestane oppervlaktetemperatuur (les 7.3 en 7.4). #### Mengen tegenover directe aansluiting De radiatorzone kan rechtstreeks op de ketelaanvoer blijven werken (eventueel begrensd door de ketelinstelling of een stooklijn). De vloerverwarmingszone loopt altijd via een mengverdeler die de temperatuur omlaag mengt naar het niveau dat de vloer verdraagt (les 7.4). Er is dus geen keuze tussen mengen of direct aansluiten voor de vloerverwarming: mengen is de enige juiste optie zodra de warmtebron warmer werkt dan de vloer toestaat. Directe aansluiting is alleen mogelijk als de hele installatie al op de lage temperatuur van de vloerverwarming werkt, bijvoorbeeld bij een warmtepomp die overal laag genoeg stookt. #### Wat een warmtepomp of hybride systeem vraagt Een warmtepomp levert het meeste rendement bij een lage aanvoertemperatuur: Vaillant noemt vloerverwarming het meest efficiënte afgiftesysteem, omdat daar maar ongeveer 35 graden watertemperatuur voor nodig is. Klassieke radiatoren die op hoge temperatuur zijn ontworpen, vragen een hogere aanvoertemperatuur dan optimaal is voor een warmtepomp: de warmtepomp moet dan harder werken, wat het rendement (de COP) verlaagt. Bij een lagere aanvoertemperatuur moet ook het waterdebiet omhoog om hetzelfde vermogen te leveren (les 7.2 en 7.4), wat kan betekenen dat bestaande leidingdiameters te klein worden voor de nieuwe situatie. Dat is een reden om bij het combineren van systemen niet alleen naar de radiator of de vloer te kijken, maar naar de installatie als geheel: pomp, leidingen en debiet moeten meegroeien. Vaillant noemt ventilo-convectoren als alternatief voor radiatoren bij een warmtepomp: die kunnen in de zomer ook actief koelen, wat een gewone radiator niet kan. Dat maakt ze een overweging bij een volledig elektrische warmtepomp, waar koeling soms gewenst is. #### Praktijkgeval: uitbreiding met vloerverwarming Een woning heeft radiatoren op de bovenverdieping, aangesloten op een bestaande HR-ketel. Bij een aanbouw met vloerverwarming op de begane grond wordt gekozen voor een driewegklepset zoals bij Intergas: de radiatorzone blijft op de bestaande instelling werken, de nieuwe vloerverwarmingszone krijgt een eigen mengverdeler die de temperatuur naar het niveau van de vloer brengt, bewaakt door een aanlegsensor. Komt er later een hybride warmtepomp bij, dan verandert er niets aan deze zone-indeling: de warmtepomp of de ketel levert het water op de temperatuur die de radiatorzone nodig heeft, en de mengverdeler blijft de vloerverwarmingszone op zijn eigen, lagere temperatuur houden. > **Verdieping: wat als de hele woning naar lage temperatuur overgaat?** > Gaat de hele installatie (ook de radiatorzone) naar een temperatuur die de vloerverwarming ook aankan, dan kan de aparte laagtemperatuurzone met mengverdeler in principe vervallen: de hele installatie werkt dan op een temperatuur die overal past. Dat is precies wat een goed voorbereide overstap naar een volledig elektrische warmtepomp betekent: niet alleen de warmtebron vervangen, maar het hele afgiftesysteem laten passen bij één lage temperatuur. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom radiatoren en vloerverwarming op een ketel elk hun eigen temperatuurzone nodig hebben - Ik weet dat vloerverwarming nooit rechtstreeks op een hetere radiatoraanvoer mag worden aangesloten zonder mengunit - Ik kan uitleggen waarom vloerverwarming het meest efficiënte afgiftesysteem is voor een warmtepomp - Ik weet dat een lagere aanvoertemperatuur ook meer debiet en dus mogelijk andere leidingen vraagt - Ik kan een ventilo-convector als alternatief voor een radiator benoemen, met het voordeel van koeling in de zomer ### Les 7.6: Een afgiftesysteem beoordelen en optimaliseren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-afgiftesysteem-beoordelen-en-optimaliseren/ **Leerdoel:** Je kunt een bestaand afgiftesysteem beoordelen en gericht verbeteren voor meer comfort en een lager gasverbruik. #### Nagaan of het systeem bij een lagere temperatuur kan Voor je radiatoren vervangt of vloerverwarming aanlegt, is het de moeite waard om eerst te testen wat het bestaande systeem al aankan. Milieu Centraal biedt daarvoor de **Verwarmingstest** aan: de bewoner zet de aanvoertemperatuur van de cv-ketel het hele stookseizoen op 50 graden en houdt dagelijks bij of de woonkamer 's ochtends op temperatuur komt. Blijft het huis warm genoeg, dan is de installatie waarschijnlijk geschikt voor lage temperatuur en een volledig elektrische of hybride warmtepomp. Wordt het bij een koude periode (Milieu Centraal noemt als voorbeeld -5 graden, 24 uur aanhoudend) niet warm genoeg, dan is een aparte berekening van het benodigde vermogen verstandiger dan alleen op de test te vertrouwen. Vaillant beschrijft een vergelijkbare, snellere test: op een koude dag alle radiatorkranen volledig open zetten, de aanvoertemperatuur via de stooklijn stapsgewijs verlagen, en controleren of de woning warm blijft bij een aanvoertemperatuur van 55 graden of lager. > **Eerst een praktijktest, dan pas vervangen** > Een praktijktest op een koude dag geeft in korte tijd een goed beeld van wat een bestaand afgiftesysteem al aankan, zonder dat je meteen een radiator vervangt. Vervang je op basis van een vermoeden, dan loop je het risico geld uit te geven aan iets dat niet nodig was, of juist te weinig te doen als het probleem ergens anders zit (zoals bij het debiet, zie hieronder). #### Wat je meet Blijkt een ruimte bij een lagere temperatuur niet warm te worden, ga dan niet meteen uit van "de radiator is te klein". Onvoldoende debiet door een te hoge drukval bij een lager delta T (de drukval neemt kwadratisch toe met het debiet, [les 3.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/druk-drukverschil-en-stroming/)) kan hetzelfde effect geven als een echt te kleine radiator. Controleer daarom eerst: - of de radiatorkranen volledig open staan en niet gedeeltelijk dicht (bijvoorbeeld door een knop die per ongeluk is verdraaid); - of de pompsnelheid voldoende is voor het gewenste debiet, en verhoog die zo nodig (zie de parameterinstelling in [les 3.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-pomp-opvoerhoogte-weerstand-en-werkpunt/)); - of er lucht in het systeem zit die de doorstroming van die ene radiator blokkeert; - pas daarna, met het gemeten resultaat in de hand, of de radiator zelf te klein is voor het gewenste regime. #### Rekenvoorbeeld: is deze radiator groot genoeg bij een lagere temperatuur? Een radiator heeft een genormeerd vermogen van 1500 W bij 75/65/20. De bewoner wil naar regime 55/45/20 (delta T 30 K). Met de exponentformule uit les 7.1 (n = 1,3): Vermogen bij 55/45/20 = 1500 x (30 / 50)^1,3 = 1500 x 0,52 = ongeveer 780 W De ruimte heeft volgens de warmteverliesberekening ongeveer 900 W nodig bij de laagste ontwerptemperatuur. Bij 780 W haalt deze radiator dat niet: er is een tekort van ongeveer 120 W. Mogelijke oplossingen, van eenvoudig naar ingrijpend: een ventilator toevoegen (kan een bestaande radiator ongeveer 25 procent meer vermogen geven, wat hier ruim voldoende is), de radiator vervangen door een groter model of een LT-radiator, of in deze ruimte alsnog op een iets hogere temperatuur stoken dan de rest van de woning. #### Veelgemaakte fouten Een test alleen op een milde dag uitvoeren geeft een te optimistisch beeld: comfortklachten bij een lagere aanvoertemperatuur komen het scherpst naar voren op de koudste dagen van het jaar, niet bij 10 graden buiten. Beoordeel of vraag daarom altijd door naar het gedrag bij vorst, niet alleen naar het gevoel op een gewone dag. Een andere veelgemaakte fout is een radiator vervangen zonder eerst het debiet te controleren: als de eigenlijke oorzaak een te lage pompsnelheid of een dichtstaande kraan is, verdwijnt de klacht niet met een nieuwe, grotere radiator, en heb je onnodig kosten gemaakt. Volg daarom de volgorde hierboven: eerst meten en de eenvoudige oorzaken uitsluiten, dan pas vervangen. #### Checklist voor de beoordeling Een systematische beoordeling van een bestaand afgiftesysteem doorloopt: de gewenste aanvoertemperatuur (bijvoorbeeld met de Verwarmingstest of de vierstappentest), het type en de staat van elke radiator of vloerverwarmingskring, het debiet en de drukval per circuit, en de vraag of elke ruimte afzonderlijk voldoende vermogen krijgt bij de gewenste temperatuur. Het waterzijdig inregelen zelf, waarmee je het debiet definitief per kring afstelt, komt aan de orde in [module 14](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/waterzijdig-inregelen/): deze les gaat over de beoordeling die daaraan voorafgaat. **Controleer jezelf:** - Ik kan de Verwarmingstest en de vierstappentest gebruiken om een bestaand afgiftesysteem op lage temperatuur te beoordelen - Ik controleer debiet, kranen en lucht voor ik een radiator te klein verklaar - Ik kan met de exponentformule berekenen of een radiator bij een lagere temperatuur nog genoeg vermogen geeft - Ik ken de volgorde van maatregelen: eerst eenvoudige aanpassingen, dan pas vervangen - Ik weet dat een test alleen bij mild weer een te optimistisch beeld geeft - Ik weet dat het inregelen zelf in module 14 aan de orde komt, niet in deze les ## Module 8: Rookgasafvoer en luchttoevoer URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/ Rookgasafvoer en luchttoevoer zijn de plek waar CO-incidenten ontstaan. Deze module gaat over toesteltypen, aansluitwijzen, materialen, monteren, uitmonding, opstellingsruimte en het beoordelen van bestaande afvoeren. Rookgasafvoer en luchttoevoer zijn waar het misgaat. In 2025 meldden certificaathouders 106 keer een (bijna-)ongeval met CO boven 20 ppm, en de rookgasafvoer was daarbij met 35 meldingen de meest genoemde oorzaak. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde in 2015 dat de meeste CO-ongevallen met cv-installaties gebeurden met moderne en goed onderhouden installaties. Een ketel die goed brandt is dus nog geen veilige installatie. Deze module volgt de weg van de lucht: van de indeling in open en gesloten toestellen en de aansluitwijzen, via materiaal en montage, naar de uitmonding, de opstellingsruimte en de ventilatie, tot collectieve afvoeren en het beoordelen van een bestaande afvoer. Het Bbl stelt prestatie-eisen en de details staan per fabrikant en per systeem in de voorschriften. Waar een waarde per fabrikant verschilt, staat dat erbij. Het is ook de examenkern: opstellingsruimte, afvoer aanleggen, controleren en gestapelde bouw komen in de toetsmatrijs Vakmanschap CO hier samen. **Na deze module kun je:** - Open en gesloten toestellen uit elkaar houden en de aansluitwijzen benoemen - Materiaal en temperatuurklasse van een afvoer bij het toestel kiezen - Een afvoer correct monteren met afschot, beugels en dilatatie - Uitmonding, verdunning en rookgasrecirculatie beoordelen - Opstellingsruimte en ventilatie beoordelen - Een collectieve afvoer (CLV) begrijpen en veilig aansluiten - Een bestaande afvoer beoordelen en een afkeuring onderbouwen ### Les 8.1: Toesteltypen: open en gesloten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/ **Leerdoel:** Je kunt open (B) en gesloten (C) toestellen uit elkaar houden en uitleggen wat dat betekent voor lucht en afvoer. #### Drie letters: hoe komt de lucht binnen en het rookgas weg? Elk gasverbrandingstoestel heeft lucht nodig en moet zijn rookgas kwijt. De indeling in A, B en C beschrijft hoe dat gebeurt. Ze komt uit EN 1749, een indelingsschema voor gastoestellen. Het is geen installatienorm en geen productnorm. De definities komen uit CEN/TR 1749:2014, de voorganger van NEN-EN 1749:2020 (waarvan de tekst voor deze cursus niet is nagelopen). De Nederlandse uitleg van de toestelaanduidingen staat in NPR 3378-80:2023. | Type | Verbrandingslucht | Rookgas | Voorbeeld | |---|---|---|---| | A | Uit de ruimte | Komt in de ruimte, geen afvoer naar buiten | Afvoerloze keukengeiser | | B (open toestel) | Rechtstreeks uit de opstelruimte | Via een afvoer naar buiten | Open toestel op een afvoer | | C (gesloten toestel) | Van buiten, via een luchtleiding | Via een afvoer naar buiten | Moderne HR-ketel | > **Open betekent: lucht uit de ruimte** > Bij een type B haalt het toestel zijn lucht uit de opstelruimte, dus alles wat die ruimte met lucht doet, raakt het toestel. Bij type C is het hele verbrandingscircuit (luchttoevoer, verbrandingskamer, warmtewisselaar en afvoer) afgesloten ten opzichte van de ruimte. Bij een werkend type C-toestel moet de mantel dan ook gesloten zijn: bij een Nefit-toestel is de mantel gasdicht en een deel van de luchttoevoer. #### De cijfers erachter Het laatste cijfer zegt waar de ventilator zit: - 1: natuurlijke trek, geen ventilator - 2: ventilator na de verbrandingskamer en warmtewisselaar, dus in de rookgasstroom - 3: ventilator voor de verbrandingskamer, dus in de luchttoevoer - 4: alleen bij type B met trekonderbreker: ventilator na verbrandingskamer én trekonderbreker Moderne Nederlandse HR-toestellen hebben de ventilator in de luchttoevoer en eindigen dus op 3. Bij type B zegt het eerste cijfer of er een trekonderbreker is: B1 en B4 hebben er een, B2, B3 en B5 niet. Een B11 is een open toestel met trekonderbreker en natuurlijke trek, en een B11BS heeft daarbij een bewaking die reageert op blokkade of verstopping van de afvoer. Een B23 heeft geen trekonderbreker en een ventilator voor de verbrandingskamer, en B23P is bedoeld voor een afvoer die op overdruk werkt. B33 komt zelden voor. Welke types een toestel toelaat, staat in de installatiehandleiding. #### Wat mag nog? Het verhaal van 2023 Je hoort soms dat open toestellen sinds 2023 verboden zijn. Dat is niet aangetoond. Dit staat wel in het Bbl en de regelgeving: - **Nieuwbouw:** elke ruimte met een verbrandingstoestel moet voorzieningen hebben voor rookgasafvoer en verbrandingslucht. Alleen een kooktoestel tot en met 15 kW in een verblijfsruimte blijft buiten beschouwing (art. 4.135 lid 1). Een afvoerloze keukengeiser (type A) mag er dus niet zijn. - **Bestaande bouw:** die plicht geldt niet voor een verblijfsruimte met open kook- of warmwatertoestellen tot en met 15 kW per toestel, zoals een keukengeiser (art. 3.75 lid 1). De ventilatieregels gelden wel. - **Toilet- en badruimte:** een open verbrandingstoestel mag daar niet staan, in nieuwbouw en in bestaande bouw (art. 4.135 lid 2 en art. 3.75 lid 2). Voor gesloten toestellen geldt dat niet. - **Ecodesign:** sinds 26 september 2015 geldt voor cv-ketels tot 70 kW een minimum voor de seizoensgebonden ruimteverwarmingsefficiëntie (86 procent). Conventionele en VR-ketels worden in de praktijk niet meer verkocht en geplaatst, behalve in gestapelde woningen met een bouwkundig collectief kanaal. - **1 april 2023:** dit is de datum waarop de certificeringsplicht verplicht werd, dus geen verbod op open toestellen. Een streven om open toestellen uit te faseren was een beleidsdoel uit een BZK-handreiking, geen wet. Toch verdienen gesloten toestellen volgens fabrikanten altijd de voorkeur: het rookgasafvoersysteem staat dan alleen met de buitenlucht in verbinding en bij onregelmatigheden belasten verbrandingsproducten het binnenklimaat niet. Dat is een fabrikantadvies en geen Bbl-eis. Open toestellen zijn bovendien gevoelig voor onderdruk door een afzuigkap of mechanische ventilatie (les 8.7). #### Waarom het type ertoe doet in je werk Je legt de toestelindeling A, B of C vast bij het afmelden van je werk. Ze bepaalt ook welke CO-grens in het verbrandingsgas geldt als de fabrikant geen maximum noemt: 50 ppm voor open afvoerloos (A), 200 ppm voor open afvoergebonden (B) en 400 ppm voor gesloten (C). De fabrikantgrens gaat voor. Hoe je meet en beoordeelt, komt in module 10 aan bod. **Controleer jezelf:** - Ik kan A, B en C uitleggen aan de hand van de bron van de verbrandingslucht en de plek van het rookgas - Ik weet wat het laatste cijfer van een typeaanduiding zegt over de ventilator - Ik weet dat "open toestellen zijn verboden sinds 2023" niet aangetoond is en kan zeggen wat wel geldt - Ik weet dat een open toestel niet in een toilet- of badruimte mag staan ### Les 8.2: Aansluitwijzen: van C13 tot C93 URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aansluitwijzen-van-c13-tot-c93/ **Leerdoel:** Je kunt de aansluitwijzen van gesloten toestellen herkennen en per type uitleggen hoe lucht en rookgas lopen. #### Het eerste cijfer: hoe is de uitmonding opgebouwd? Bij een gesloten toestel (type C) zegt het eerste cijfer hoe lucht en rookgas naar buiten en naar binnen worden geleid. Het laatste cijfer is, net als in les 8.1, de plek van de ventilator: 1 natuurlijke trek, 2 ventilator in het rookgas, 3 ventilator in de luchttoevoer. Bij moderne Nederlandse HR-toestellen is dat meestal een 3. Een begrip dat je steeds nodig hebt is het **drukgebied**. Wind drukt niet overal even hard tegen een gebouw. Liggen de lucht- en rookgasopening concentrisch of dicht genoeg bij elkaar, dan staan ze onder gelijke winddruk: de wind verstoort het verschil tussen lucht en rookgas dan niet. Mogen ze in verschillende drukgebieden liggen, dan kan dat verschil wel veranderen. #### De aansluitwijzen op een rij | Type | Uitmonding | Lucht en rookgas | Kort | |---|---|---|---| | C13 | Horizontaal (gevel) | Concentrisch of dicht bij elkaar, gelijke winddruk | Geveldoorvoer | | C33 | Verticaal (dak) | Concentrisch of dicht bij elkaar, hetzelfde drukgebied | Dakdoorvoer | | C43 | Gemeenschappelijk systeem van het gebouw | Twee kanalen (lucht en rookgas) naar een uitmonding met concentrische of dicht bij elkaar liggende openingen | CLV, zie les 8.8 | | C53 | Afzonderlijke uitmondingen | Afzonderlijke leidingen, mogen in verschillende drukgebieden uitmonden | Gescheiden aansluiting | | C63 | Apart goedgekeurd systeem | Toestel wordt zonder afvoermateriaal geleverd | Vrij verkrijgbaar systeem | | C83 | Gemeenschappelijk rookgaskanaal, natuurlijke trek | Lucht individueel van buiten het gebouw | Half CLV | | C93 | Verticale uitmonding | Rookgasleiding naar de uitmonding, luchtleiding op een bestaand verticaal kanaal (schacht) | Bestaande schacht | > **C33 is niet C53** > C33 is een verticale dakuitmonding waarbij lucht en rookgas in hetzelfde drukgebied liggen. Gescheiden leidingen die in verschillende drukgebieden mogen uitmonden zijn C53. "C33 is gescheiden door dak of gevel" is een veelgemaakte fout. Ook C4 is geen "gedeelde schoorsteen": het is het collectieve CLV-systeem dat bij het gebouw hoort en niet bij het toestel. #### Wat je in de praktijk moet weten - **C13 en C33** zijn twee individuele aansluitwijzen: door de gevel en door het dak. Ze bestaan concentrisch (buis in buis) en parallel (twee buizen naast elkaar, dicht bij elkaar). Rogafa (Nederlandse fabrikanten van rookgasafvoer) adviseert concentrisch als standaard: bij lekkage van de rookgaspijp komt het rookgas dan in de luchttoevoer van het toestel in plaats van in de leefomgeving. Dat is een fabrikantclaim over het concept, geen garantie dat elke lekkage een storing geeft. - **C53** heeft een fabrikanteis die je in de handleiding moet nalopen. Nefit noemt bijvoorbeeld dat de rookgas- en luchttoevoeropening niet op tegenover elkaar liggende gevels mogen zitten. - **C63** betekent dat het toestel zonder afvoermateriaal komt. Het materiaal moet aan de voorwaarden van toestel- en systeemfabrikant voldoen, bijvoorbeeld maximaal 10 procent recirculatie en geen uitmondingen op tegenover elkaar liggende gevels (voorbeeld: Remeha Calora Tower 35S, 2021). Dit verschilt per fabrikant. - **C83** komt bij een half CLV: gemeenschappelijk rookgaskanaal met een uitmonding via het dak, lucht via een gevelrooster of schacht. Hoort bij les 8.8. - **C93** gebruikt een bestaande schacht of omkokerd kanaal voor de lucht. De minimale schachtafmetingen staan per systeem in de handleiding (voorbeeld: Remeha Calenta, 2017). - **C2 en C7** zijn verouderd en worden in nieuwe Europese toestelnormen niet meer verwacht. Gebruik ze niet als actuele types. - **C13R:** de extra letter R betekent dat een C1-toestel zowel met een horizontale gevel-uitmonding als met een horizontale uitmonding op een dak mag worden aangesloten. #### Zo herken je het bij een klant 1. Twee buizen of één concentrische buis door de gevel, op één punt: C13 (bij ventilator in de luchttoevoer). 2. Hetzelfde door het dak: C33. 3. Lucht en rookgas apart, elk naar hun eigen uitmonding: C53. 4. Rookgas in een gemeenschappelijk kanaal, lucht via de gevel: C83. 5. Lucht uit een bestaande schacht: C93. 6. Toestel zonder afvoermateriaal geleverd: C63, dus zoek het goedgekeurde systeem erbij. 7. Gemeenschappelijke kanalen voor lucht en rookgas in het gebouw: C4 of C(10), zie les 8.8. Welke aansluitwijzen een toestel toelaat, staat in de installatiehandleiding. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een drukgebied is en waarom bij C1 en C3 de openingen bij elkaar liggen - Ik weet dat C33 een verticale dakuitmonding in hetzelfde drukgebied is en C53 gescheiden uitmondingen in verschillende drukgebieden - Ik weet dat C4 een CLV-systeem is en geen gedeelde schoorsteen - Ik ken C63, C83 en C93 en weet dat de exacte eisen per fabrikant en toestel verschillen ### Les 8.3: Materialen, temperatuurklassen en condens URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/materialen-temperatuurklassen-en-condens/ **Leerdoel:** Je kunt het materiaal en de temperatuurklasse van een afvoer bij het toestel kiezen en uitleggen waarom mengen van systemen niet mag. #### Waarom een HR-afvoer nat is Een HR-toestel koelt zijn rookgas sterk af. Het dauwpunt van het rookgas van aardgas ligt rond 54 tot 56 °C bij een gangbare luchtovermaat (circa 57 °C bij lambda 1,1). Komt het rookgas daaronder, dan condenseert er water in de afvoer. Dat condensaat is zuur, en daarom moet de afvoer van een condenserend toestel bestand zijn tegen natte rookgassen: weerstandsklasse W. Ook de condens die het toestel zelf maakt, moet weg kunnen: hoe die condensafvoer bij een toestel is aangesloten, staat in de handleiding van dat toestel. Twee eisen bepalen de keuze van het materiaal: de **temperatuur** van het rookgas en de **condens**. #### Welke materialen mogen? Volgens fabrikanten zijn voor condenserende toestellen kunststof (T120), roestvast staal en dikwandig aluminium toegestaan, mits CE-gekeurd en geschikt voor HR-toestellen. Wat je per materiaal moet weten: | Materiaal | Voorwaarde | Let op | |---|---|---| | Kunststof (PP, PPs) | Bedoeld voor een rookgastemperatuur tot 120 °C (T120) | PPs is de brandvertragende variant. Wanneer die verplicht is, volgt uit het fabrikantvoorschrift en de brandeisen | | Roestvast staal (RVS) | Metalen afvoer is in het Rogafa-voorschrift bedoeld voor 200 °C. Gastec QA-keur KE83-5 | Geen mix met andere materialen | | Dikwandig aluminium | Gastec QA-keur KE83-3 | Dunwandig aluminium gaat door corrosie lekken | Een fabrikant schrijft bovendien voor dat aluminium alleen mag zonder contact met het bouwkundige deel van het kanaal, en dat condens uit een kunststof of RVS-deel niet ongehinderd in een aluminium deel mag terugstromen (Remeha Calenta, 2017). Dat is een productspecifiek voorbeeld. > **Niet mengen** > In de aansluitleiding mag je componenten van verschillende materialen of fabricaten niet mengen, behalve waar de fabrikant van het systeem dat toelaat. Bij enkelwandig metaal is er een uitzondering voor componenten met Gastec QA-keur KE83-3 en KE83-5. Bij concentrische systemen geldt het verbod zonder die uitzondering. Koppel- en verbindingsmethoden verschillen per fabrikant, en een pijp van de een past niet altijd goed in een mof van de ander. #### Temperatuurklasse en het label Een kunststof afvoer met CE-markering volgens EN 14471 draagt een aanduiding met klassen. Neem als voorbeeld het label van een Ubbink-systeem (Rolux PP T120): de aanduiding begint met **T120 H1 O W 2 O20 I** en gaat daarna verder met meer klassen die je in de productdocumentatie leest. | Code | Betekenis | |---|---| | T120 | Voor toestellen met maximaal 120 °C rookgastemperatuur | | H1 | Maximaal 5000 Pa overdruk | | O | Niet roetbrandbestendig | | W | Geschikt voor natte en droge rookgassen | | 2 | Vloeibare of gasvormige brandstof | | O20 | Minimaal 20 mm afstand tot brandbaar materiaal | | I | Binnen gebouwen | De klassen van schoorstenen zijn gedefinieerd in EN 1443 (temperatuur, druk N, P of H, condens W of D, corrosie en roetbrand). Voor de rookdoorlatendheid volstaat volgens de IPLO voor nieuwbouw een CE-markering klasse N1 of P1 volgens EN 1443, om aan art. 4.141 Bbl te voldoen. De NPR 3378-46 (2016) geldt voor een enkelvoudig afvoersysteem van metaal of kunststof voor een condenserend type C-toestel met ingebouwde ventilator tot 130 kW bovenwaarde in woningen, voor toestellen met een temperatuurklasse van ten hoogste T120. De productnormen zijn EN 14471 (kunststof binnenbuis), EN 1856-1 en -2 (metaal) en EN 13384 (berekening). Installatie-eisen als "geen mengen" en "3 graden afschot" zijn geen eisen uit EN 14471: die staan in de voorschriften van fabrikant en Rogafa. #### Praktijkgeval: oude afvoer, nieuwe ketel Een klant heeft een oud toestel met natuurlijke trek op een bouwkundig kanaal, en wil een HR-ketel. Wat je weet: - Een HR-toestel geeft afgekoeld, condenserend rookgas af. Een bouwkundig collectief kanaal met natuurlijke trek (een shunt) is niet geschikt voor condenserende rookgassen. - Directe aansluiting van de rookgasafvoer op bouwkundige kanalen is volgens fabrikanten niet toegestaan vanwege condensatie. In een bestaand kanaal komt een luchtdichte, dikwandige starre aluminium of RVS voering of een buigbare kunststof of RVS voering, die inspecteerbaar moet zijn. - Bij een VR-toestel dat door een HR-toestel wordt vervangen, moet het afvoersysteem volgens Ubbink altijd worden vervangen (les 8.9). **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen waarom een afvoer van een condenserend toestel bestand moet zijn tegen natte rookgassen - Ik weet dat T120 een maximale rookgastemperatuur van 120 °C betekent en kan de letters van het label uitleggen - Ik weet dat dunwandig aluminium niet mag en dat materialen niet gemengd mogen worden zonder toestemming van de systeemfabrikant - Ik weet dat EN 14471 een productnorm is en dat afschot en mengverbod uit voorschriften komen ### Les 8.4: Monteren: afschot, beugelen en dilatatie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/monteren-afschot-beugelen-en-dilatatie/ **Leerdoel:** Je kunt een afvoer volgens de fabrikantinstructies monteren met correct afschot, beugels en ruimte voor uitzetting. #### Wat staat waar? Het Bbl stelt prestatie-eisen aan de rookgasafvoer en schrijft geen afschot, beugelafstand, insteekdiepte of dilatatie voor. Die staan in de voorschriften van de fabrikant en in NPR 3378. BRL 6000-25 eist dat je het afvoersysteem plaatst volgens de voorschriften van de fabrikant van het afvoersysteem én van het toestel (zie [les 1.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/bronnen-en-hierarchie-wet-norm-fabrikant-werkinstructie/)). De waarden hieronder (Rogafa, Ubbink) verschillen per fabrikant en per systeem: lees altijd het voorschrift van het systeem dat je monteert. #### Afschot: naar het toestel Horizontale rookgasleidingen liggen met een afschot van 3 graden, dus **50 mm per meter**, naar het toestel toe. Dan kan condens terugstromen naar het toestel in plaats van in de leiding te blijven staan. Rekenvoorbeeld: een horizontaal deel van 1,8 m geeft 1,8 x 50 = 90 mm hoogteverschil, met het laagste punt bij het toestel. Rekenkundig is 3 graden circa 52 mm per meter (één Ubbink-document noemt 5,6 cm, wat niet klopt): houd 50 mm per meter als minimum aan. #### Beugelen | Wat | Regel (Rogafa, Ubbink) | |---|---| | Horizontale en niet-verticale leidingen | Maximaal 1 m tussen beugels | | Verticale leidingen | Maximaal 2 m, gelijkmatig verdeeld | | Eerste beugel | Maximaal 0,5 m van het toestel. Elk systeem heeft minstens een beugel | | Elke bocht en verlengbuis | Fixerend beugelen op of nabij de mof. Uitzondering: een kort toestelaansluitstuk waarbij beide verlengbuizen rond de eerste bocht korter zijn dan 0,25 m | | Laatste element voor de doorvoer of schacht | Altijd beugelen | | Element langer dan 1 m (horizontaal) of 2 m (verticaal) | Schuivende beugel(s) tussen twee moffen (Ubbink) | | Vrijstaand deel langer dan 1,5 m, zoals een dakdoorvoer | Zekeren tegen wind en sneeuw (Ubbink) | | Kunststof luchttoevoer naast een metalen rookgasleiding | Minimaal 35 mm afstand (Rogafa) | Oudere documentatie noemt nog 2 m horizontaal: achterhaald. Bij trekvaste verbindingen volg je het productvoorschrift. #### Verbinden en insteken Kunststof rookgasafvoer wordt gemaakt met steekverbindingen met afdichtringen. Verbindingen kitten, schuimen of plakken (bijvoorbeeld met PUR of siliconen) is verboden, en ze worden niet geschroefd of geparkerd. De metalen buitenpijp van een concentrisch systeem mag wel geschroefd of geparkerd worden. Verder: - De minimale insteeklengte van moffen en spie-einden is 40 mm na montage. Bij aansluiting op een schacht steken de stompen na het plaatsen van brandmanchetten minimaal 50 mm vrij in. De aansluiting op het toestel zelf kan een andere insteekdiepte hebben: bij een Remeha Calenta is dat 30 mm. - Smeer afdichtringen alleen in met het door de fabrikant voorgeschreven middel of met water of maximaal 1 procent zeepoplossing, nooit met vet, vaseline of olie. - Zaag haaks, schuin de rand af (afschuinen) en ontbraam, zodat je de afdichtring niet beschadigt. #### Dilatatie: uitzetting Een warme afvoer zet uit. Zit een leiding klem, dan bouwt zich spanning op in de verbindingen. Ubbink schrijft voor de pijpen maximaal in elkaar te schuiven en voor het beugelen 10 mm terug te trekken (10 mm is voldoende voor buizen tot 2 m, en de insteekdiepte blijft minimaal 40 mm). In de herziene Rogafa-checklists (november 2024) staat die regel niet meer, maar wel een maximale beugelafstand, minimaal 40 mm insteeklengte en de eis **monteer spanningsvrij**. Of de 10 mm-regel is vervallen, is niet vastgesteld. Volg daarom het voorschrift van de fabrikant van het systeem dat je monteert, en monteer altijd spanningsvrij. #### Condens onder overdruk Werkt de afvoer op overdruk, dan is een sifon nodig met een waterslot dat groter is dan de maximaal optredende druk. Condensleidingen hebben een doorsnede van minimaal 13 mm en zijn tegen vorst beschermd. De sifon moet bereikbaar zijn voor reiniging en inspectie (Ubbink PP T120). > **Controleer na de montage, en leg het vast** > Loop na de montage elke verbinding na: zit de afdichtring erin en op de juiste plek, is er geen kit of lijm gebruikt, liggen afschot en beugels goed en zit de leiding spanningsvrij? Ontbreekt een afdichtring, dan breng je alsnog een originele ring van de juiste maat aan. Typische fouten: mengen van fabricaten, ontbrekende of beschadigde ringen, te weinig of verkeerd geplaatste beugels, ontbrekend of omgekeerd afschot, kitten of plakken. Het opleveringsrapport van BRL 6000-25 vraagt naar plakken, kitten, lijmen, schroeven, beugeling en lekkage. **Controleer jezelf:** - Ik leg horizontale rookgasleidingen af met het afschot uit het voorschrift van het systeem (Rogafa en Ubbink: minimaal 50 mm per meter) naar het toestel - Ik ken de beugelafstanden (horizontaal 1 m, verticaal 2 m) en weet dat ze per systeem uit het voorschrift komen - Ik weet dat kitten, plakken en schuimen van kunststof verbindingen verboden is en welk smeermiddel wel mag - Ik monteer spanningsvrij en volg voor dilatatie het voorschrift van de fabrikant - Ik controleer na de montage afdichtringen, afschot, beugels en insteeklengte ### Les 8.5: Uitmonding, verdunning en rookgasrecirculatie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/uitmonding-verdunning-en-rookgasrecirculatie/ **Leerdoel:** Je kunt beoordelen of een uitmonding goed zit, de verdunning van rookgas begrijpen en herkennen wanneer rookgas opnieuw wordt aangezogen. #### Waar mag een uitmonding zitten? Drie bronnen bepalen dat, in deze volgorde van gezag: het Bbl (wettelijke prestatie-eisen), de fabrikant van toestel en afvoer, en NPR 3378-60:2022 (een leidraad bij NEN 2757-1 en -2 over goede werking, hinder en verdunning van uitmondingen). De cijfers van de NPR staan achter een betaalmuur en zijn in deze cursus niet overgenomen: hinderafstanden en verdunningsafstanden zoek je op bij de fabrikant en in NPR 3378-60. Wat het Bbl voor **nieuwbouw** vraagt (art. 4.138 en 4.139): | Onderwerp | Waarde | |---|---| | Uitmonding niet boven het dakvlak: afstand tot de perceelsgrens, gemeten langszij aan de uitwendige scheidingsconstructie | Minimaal 1 m | | Idem, gemeten loodrecht daarop | Minimaal 2 m | | Uitmonding boven een constructieonderdeel of aansluitend terrein | Minimaal 0,3 m boven de bovenzijde, tegen afsluiting door vuil of sneeuw | | Verbrandingsluchtopening boven een constructieonderdeel of terrein | Ook minimaal 0,3 m | | Instroomopening voor verbrandingslucht: afstand tot de perceelsgrens, loodrecht (niet voor een opening in een dak) | Minimaal 2 m | | Verdunningsfactor van rookgas van gasgestookte toestellen bij de instroomopening van een voorziening voor luchtverversing | Niet groter dan 0,01 | Grenst het perceel aan een openbare weg, water of groen, dan meet je tot het hart daarvan. Voorzieningen buiten het perceel tellen bij de verdunningsbepaling niet mee. Voor niet-gasgestookte toestellen is de grens 0,0015. Bij **verbouw** gelden de plaatseisen voor een nieuw geïnstalleerde afvoer, behalve bij vervanging van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding niet wijzigt (art. 5.16). In bestaande bouw zonder wijziging is er geen plaatseis voor de uitmonding. #### Wat is verdunning? Rookgas verlaat de uitmonding en mengt met buitenlucht. De verdunningsfactor (bepaald volgens NEN 2757) is een maat voor hoeveel rookgas er nog overblijft op de plek van een opening waardoor lucht het gebouw in kan. Hoe lager de factor, hoe sterker het rookgas verdund is. Zo voorkomt het Bbl dat een uitmonding rookgas naar een ventilatieopening brengt. Een fabrikant noemt daarnaast 0,5 m tot dakranden en gebouwhoeken, en NPR 3378-60 (herzien) staat een uitmonding onder een doorlopend balkon niet meer toe voor nieuwe of gewijzigde systemen (bron: vakblad Installatie.nl). Die 0,5 m is geen wettelijke afstand en de balkonregel staat in een NPR, niet in het Bbl. Een HR-toestel geeft sterk afgekoelde rookgassen af. Bij een geveldoorvoer zie je daardoor een rookpluim. Denk bij de plek ook aan hinder, en houd bij een C53 de openingen niet op tegenover elkaar liggende gevels (fabrikanteis). > **Verdunning beschermt de lucht die het gebouw in gaat** > De uitmonding mag geen rookgas naar een opening brengen waardoor lucht het gebouw inkomt. De wet drukt dat uit in een verdunningsfactor van maximaal 0,01 bij gas. Afstanden en berekeningen: NPR 3378-60 en de fabrikant. #### Rookgasrecirculatie: rookgas dat weer wordt aangezogen Bij recirculatie komt rookgas via de luchttoevoer weer het toestel in. Bij een concentrisch systeem kan dat door winddruk rond de uitmondingskap gebeuren, of door een interne lekkage in het systeem. Je controleert het zo: 1. Meet met gesloten mantel de CO2-concentratie op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer van het toestel. 2. Vergelijk met de buitenluchtwaarde (buitenlucht bevat circa 0,04 procent CO2). 3. Een goed werkend systeem geeft de buitenluchtwaarde. Door winddruk zijn waarden tot circa 1 procent CO2 toelaatbaar. Veel hogere waarden wijzen op interne lekkage en vragen nader onderzoek. Volg voor de meetprocedure de voorschriften van toestel- en afvoerfabrikant. Fabrikanten laten bij storingen met vlamverlies (ionisatiefout) of een recirculatiebeveiliging de luchttoevoer en rookgasafvoer controleren op verstopping en recirculatie. Dat symptoom is toestelspecifiek en de oorzaak is niet altijd recirculatie. Een lekkende of ontbrekende afdichtring is een mogelijke oorzaak van interne lekkage (les 8.4). #### Voorbeeldcasus Een concentrisch C13-toestel geeft af en toe een ionisatiefout (vlamverlies). Je meet met gesloten mantel 0,9 procent CO2 op de luchttoevoer (verzonnen getal). Dat past bij winddruk en wijst niet op interne lekkage. Zoek de oorzaak van het vlamverlies elders, bijvoorbeeld een verstopping. Meet je 4 procent, dan is er interne lekkage: nader onderzoek naar het systeem, bijvoorbeeld naar de afdichtingen. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat het Bbl voor de uitmonding 1 m, 2 m en 0,3 m en een verdunningsfactor van 0,01 noemt, en waar hinderafstanden staan - Ik kan uitleggen wat verdunning is en waarom een uitmonding geen rookgas naar een ventilatieopening mag brengen - Ik weet hoe ik recirculatie controleer: CO2 op de luchttoevoer, gesloten mantel, tot circa 1 procent door wind toelaatbaar - Ik weet dat de plaatseis bij vervanging op dezelfde plaats niet geldt, maar dat de conditie van de afvoer wel telt ### Les 8.6: Opstellingsruimte: eisen aan de ruimte URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/opstellingsruimte-eisen-aan-de-ruimte/ **Leerdoel:** Je kunt beoordelen of een opstellingsruimte geschikt is voor een gasverbrandingstoestel en je oordeel onderbouwen. #### Wat de wet vraagt en wat niet De opstellingsruimte weegt zwaar in de toetsmatrijs Vakmanschap CO. Begin bij wat vaststaat: - **Nieuwbouw:** een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een verwarmingstoestel en een opstelplaats voor een warmwatertoestel, met afmetingen die zijn afgestemd op het te plaatsen toestel (Bbl art. 4.176 en 4.177). Het Bbl geeft geen vaste maten of volume voor een cv-ketelruimte. Alleen aanrecht (1,5 x 0,6 m) en kooktoestel (0,6 x 0,6 m) hebben maten (art. 4.178). - **Bestaande bouw:** in de gelezen artikelen (art. 3.95 en 3.96) stelt het Bbl alleen eisen aan de opstelplaats voor aanrecht en kooktoestel, niet aan een opstelplaats voor een verwarmings- of warmwatertoestel. - **Brandveilige opstelling:** die staat in NEN 3028 en NPR 3378-22, maar NEN 3028 wordt niet in het Bbl of de Omgevingsregeling aangewezen, en NEN 3028:2022 is sinds 11 maart 2026 ingetrokken (of er een opvolger is, is niet geverifieerd). NPR 3378-22:2023 beschrijft waaraan de opstelling van gastoestellen behoort te voldoen. - **Afvoer:** de rookgasafvoervoorziening moet brandveilig zijn (NEN 6062 nieuwbouw, NEN 8062 bestaande bouw). In bestaande bouw moet materiaal van de afvoer en in de nabijheid waar meer dan 90 °C kan optreden brandklasse A1 hebben of onbrandbaar zijn. > **Welke norm hoort hier niet** > NEN 1078 en NEN 8078 gaan over het gasleidingwerk, dus niet over de opstelruimte. NEN 1006 gaat over drinkwater. NEN 2767 gaat over conditiemeting van gebouwen en installatiedelen en is geen gas- of afvoernorm. Voor de opstellingsruimte zoek je in Bbl art. 4.176 tot 4.178, NPR 3378-22:2023 en het voorschrift van de fabrikant. #### Wat de fabrikant vraagt Een groot deel van wat je aan een opstellingsruimte beoordeelt, komt uit de handleiding van het toestel. Dat zijn voorbeelden en de waarden verschillen per model: | Onderwerp | Wat fabrikanten zeggen | |---|---| | Vorst | Een vorstvrije ruimte, zonder temperatuurwaarde. Interne vorstbeveiliging: bij één Nefit-model schakelt de pomp in onder 7 °C cv-water. Een algemene "5 °C"-eis is niet gevonden | | Vrije ruimte | Staat op de maattekening van elk toestel. Een algemene "60 cm vrij"-eis is niet gevonden | | Wand en opslag | Stevige wand die het gewicht van de met water gevulde ketel draagt. Geen brandbare producten of stoffen in of bij de ketel, ook niet tijdelijk (Remeha Calenta) | | Gesloten kast | De door de fabrikant aangegeven minimummaten en openingen tegen gasophoping en verwarming van de kast. Voor de Remeha Calenta is dat S1 + S2 = 150 cm². Dat is kastventilatie voor dat toestel, geen algemene norm en geen eis voor verbrandingslucht | | Badkamer | Een gesloten toestel kan volgens Remeha Calenta in een badkamer bij beveiligingsindex IP X4D (zones 2 en 3), met een vaste voeding en een aangesloten luchttoevoerleiding. Een open toestel mag er wettelijk niet staan | | Kruipruimte, zolder | Geen algemene wettelijke eis gevonden: gebruik het voorschrift van de fabrikant | Een oudere praktijkrichtlijn (BZK-handreiking, 2014) zegt dat een open toestel niet hoort te hangen in een badkamer of in een ruimte kleiner dan 10 m³. Dat is niet verplicht en niet opnieuw bij NPR 3378-22:2023 gecontroleerd. Wettelijk geldt het verbod op een open toestel in een toilet- of badruimte. #### Zo beoordeel je een opstellingsruimte Deze werkvolgorde gebruikt de rubrieken van het opleveringsrapport van BRL 6000-25: 1. Meet vóór je werkzaamheden CO in de opstellingsruimte: circa 1,7 m hoog en circa 1 m van het toestel. De waarde op het instrument is leidend. Onder 5 ppm mag je in bedrijf stellen, 5 tot 20 ppm vraagt nader onderzoek en informeren van de opdrachtgever, boven 20 ppm geldt de meldplicht. 2. Bepaal het type toestel (les 8.1) en de manier van luchttoevoer en afvoer. 3. Controleer de montage en de bouwkundige startsituatie, en of de capaciteit van de luchttoevoer voldoet volgens de voorschriften van de fabrikant (les 8.7). 4. Controleer of onderdruk door ventilatie de afvoer kan verstoren en, bij B11, de trek. Bij open toestellen volgt de onderdrukcontrole alleen bij CO tussen 5 en 20 ppm (les 8.7) en de trekcontrole bij B11 alleen bij CO boven 20 ppm. 5. Kijk naar brandveiligheid: brandbare stoffen, afstand tot brandbaar materiaal en de afvoer. 6. Vergelijk met de handleiding: vorst, vrije ruimte, wand, kastopeningen. #### Praktijkgeval Je vervangt een open geiser die in de badruimte van een bestaande woning hangt. Dat mag niet (art. 3.75 lid 2 Bbl). Je adviseert een gesloten toestel dat volgens de fabrikant in de badruimte mag, of een andere plek. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat het Bbl geen vaste maten of volume voor een cv-ketelruimte geeft en dat de maten uit de handleiding komen - Ik weet welke normen niet over opstellingsruimte gaan (NEN 1078, NEN 8078, NEN 1006) - Ik meet CO in de opstellingsruimte voor mijn werk en ken de drie stappen 5 en 20 ppm - Ik weet dat 60 cm vrij, 5 °C vorstvrij en 140 of 150 cm² geen algemene eisen zijn - Ik weet dat een open toestel niet in een toilet- of badruimte mag ### Les 8.7: Verbrandingslucht en ventilatie: afzuiging, onderdruk en terugslag URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbrandingslucht-en-ventilatie-afzuiging-onderdruk-en-terugslag/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe ventilatie, afzuiging en onderdruk de verbrandingslucht en de afvoer van een toestel beïnvloeden. #### Wat de wet vraagt van de verbrandingslucht Voor toestellen tot 130 kW moet de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht een capaciteit hebben van minimaal de volgens de toestelspecificaties benodigde capaciteit, bepaald volgens NEN 1087 (nieuwbouw) of NEN 8087 (bestaande bouw). Boven 130 kW is de eis dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden. Het Bbl noemt dus geen getal: de benodigde hoeveelheid lucht komt uit de specificaties van het toestel. Ook de richting is voorgeschreven: de luchtstroom loopt van de toevoervoorziening naar het toestel. In een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of een open verbrandingstoestel voor warm water is een voorziening voor luchtverversing van minimaal 21 dm³/s vereist (bestaande bouw, uitgezonderd kook- of warmwatertoestellen boven 15 kW en gesloten warmwatertoestellen). In nieuwbouw geldt 21 dm³/s voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel. #### Open en gesloten: wie is gevoelig? - Bij een **open toestel** komt de verbrandingslucht uit de opstelruimte. De luchttoevoeropening van het toestel mag niet worden afgesloten en de noodzakelijke verbrandingsluchtopeningen van de ruimte mogen niet worden verkleind of afgesloten. - Bij een **gesloten toestel** komt de lucht via een luchttoevoerleiding. Die leiding moet luchtdicht zijn om aanzuiging van valse lucht te voorkomen. Vermijd verbrandingslucht in de nabijheid van een buitenlamp, vanwege aanzuiging van insecten. #### Afzuiging, onderdruk en terugslag Een afzuigkap of mechanische ventilatie voert lucht uit de woning af. Komt er niet genoeg lucht binnen, zoals in een kierdichte woning, dan ontstaat onderdruk. Open toestellen reageren daar gevoelig op: de rookgassen van een open toestel op een afvoer kunnen dan alsnog de woning worden ingezogen. Rookgas dat zo de ruimte in stroomt in plaats van naar buiten, noemen we terugslag. Een B11BS heeft een bewaking die op blokkade of verstopping van de afvoer reageert (les 8.1). > **Bij een open toestel is de hele woning je afvoer** > Een open toestel trekt zijn lucht en levert zijn rookgas via dezelfde woning. Verandert er iets aan de ventilatie of afzuiging (nieuwe kap, mechanische ventilatie, kierdichting), dan verandert de druk in de woning en dus de werking van je afvoer. De BRL 6000-25 vraagt bij open toestellen onderdruk als gevolg van ventilatieapparatuur te controleren als de CO-waarde in de opstellingsruimte tussen 5 en 20 ppm ligt. Voor kierdichtheid kun je bijlage C van NPR 3378-45 volgen. Bij een gesloten toestel op een overdruk-CLV zijn ontbrekende terugslagkleppen een genoemd risico (les 8.8). Verschildruk en trek meet je met apparatuur volgens EN 50379 deel 2. #### Vervuilde lucht De verbrandingslucht moet vrij zijn van chloor- en fluorverbindingen. Die zijn uitermate corrosief en zitten in spuitbussen, verf, oplosmiddelen, reinigingsmiddelen, waspoeder, wasmiddelen, lijm en pekel. Er mag geen lucht worden aangezogen via ruimten waar deze producten worden gebruikt, zoals een kapsalon, een stomerij, industriële ruimten of ruimten met koelinstallaties. Bij corrosie hierdoor vervalt de garantie. Fabrikanten (ATAG, Vaillant) verbieden sprays, chloorhoudende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen en verf in de omgeving van het toestel. #### Getallen die je zult horen | Bewering | Wat we weten | |---|---| | "140 cm² ventilatierooster voor de opstelruimte" | In geen enkele geraadpleegde bron gevonden | | "150 cm²" | Een fabrikantvoorschrift voor de kastventilatie van één model, geen algemene eis (les 8.6) | | "120 cm² luchttoevoer" | Een risicofactor voor open toestellen in een BZK-handreiking uit 2014, geen norm | #### Praktijkgeval (verzonnen getallen) Een klant heeft in een kierdichte woning een nieuwe, krachtige afzuigkap laten plaatsen en klaagt over hoofdpijn en misselijkheid. Je meet in de opstellingsruimte van het open toestel 12 ppm CO. Dat is tussen 5 en 20 ppm: je onderzoekt de oorzaak, waaronder onderdruk door de afzuigkap, neemt die weg voor je in bedrijf stelt, en je informeert de klant. Tot de oorzaak is weggenomen blijft het toestel uit. Is er geen CO-melder, dan adviseer je er een (open toestel zonder melder). > **Boven 20 ppm: stop en meld** > Meet je in de opstellingsruimte meer dan 20 ppm CO, dan stel je het toestel niet in bedrijf of neem je het buiten bedrijf, en geldt de meldplicht van art. 6.46 Bbl aan bewoner, eigenaar, gemeente en certificerende instelling. Bij acuut gevaar bel je 112 (zie [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/)). **Controleer jezelf:** - Ik weet dat het Bbl voor verbrandingslucht geen vast getal noemt: de capaciteit volgt uit de toestelspecificaties, bepaald volgens NEN 1087 of NEN 8087 - Ik kan uitleggen waarom een afzuigkap in een kierdichte woning een open toestel kan laten terugslaan - Ik weet dat ik bij open toestellen tussen 5 en 20 ppm CO onderdruk door ventilatie controleer - Ik weet dat ik verbrandingslucht niet mag aanzuigen via ruimten met chloor- of fluorverbindingen - Ik weet dat 140, 150 en 120 cm² geen algemene eisen zijn ### Les 8.8: Collectieve afvoer (CLV) en gestapelde bouw URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/collectieve-afvoer-clv-en-gestapelde-bouw/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe een collectief lucht- en rookgassysteem werkt, waarom het extra risico's heeft en waarop je let als je er een toestel op aansluit. #### Wat is een CLV? Een CLV is een collectief systeem waarin elk toestel via een eigen aansluiting is aangesloten op een gemeenschappelijk gecombineerd luchttoevoer- en rookgasafvoerkanaal. De gangbare uitschrijving is Combinatie Luchttoevoer en Verbrandingsgasafvoer. CLV is geen wettelijk gedefinieerde term. Het systeem hoort bij het gebouw en niet bij het toestel. #### De soorten op een rij | Systeem | Type | Werking | Let op | |---|---|---|---| | Onderdruk-CLV | C4 (bijvoorbeeld C43) | Thermische trek, natuurlijke trek in het verticale deel | Historisch type. Volgens het Rogafa/VFK-voorschrift niet geschikt voor moderne HR-toestellen, terwijl BRL 6000-25 bijlage 5 HR-toestellen van type C42 en C43 als vervangingstype op een bestaand CLV noemt (zie hieronder). Vervang dus alleen door exact hetzelfde type | | Half CLV | C83 | Gemeenschappelijke rookgasafvoer door een schacht, lucht individueel via gevelrooster of schacht | Rookgaszijdig natuurlijke trek | | Overdruk-CLV | C(10), met ventilator in de luchttoevoer C(10)3 | Ventilatoren in de toestellen persen rookgas en lucht door de kanalen (overdruk in het afvoerkanaal) | Sinds 2004 op de markt | | Shuntkanaal | Bouwkundig collectief kanaal met natuurlijke trek | Collectieve afvoer, geen CLV | Niet geschikt voor condenserende rookgassen | Een overdruk-CLV werd aanvankelijk per fabrikant beoordeeld, waarbij het mengen van fabricaten niet was toegestaan. Sinds januari 2017 kunnen dankzij de C(10)-toepassing meerdere merken op één systeem, mits toestellen en systeem aan het voorschrift voldoen. Bij een C(10)3-CLV zijn de gemeenschappelijke kanalen concentrisch met CE-markering, zonder trekonderbreker en met een condensafvoervoorziening onderaan het rookgaskanaal (Rogafa/VFK, een industriedocument en geen wet). #### Waarom heeft een CLV extra risico's? Fouten in het ene toestel raken de andere woningen: - **Overdruk-CLV:** lekkende aansluitingen, ontbrekende terugslagkleppen, corrosiegaten in de leiding, en het aansluiten van een open toestel zonder ventilator en zonder terugslagklep. - **Onderdruk-CLV:** recirculatie via de drukvereffeningsopening bij oudere systemen en een ontbrekende of niet werkende condensopvang onderaan. - **Shunt:** een HR-toestel met ventilator kan rookgas bij boven- of benedenburen naar binnen blazen. - **Uitmonding:** verstopping door vogelnestjes of vuil, en een uitmonding die door dakopbouwen of nieuwe hogere bebouwing niet meer in het vrije uitmondingsgebied uitkomt (minder kritisch bij gesloten toestellen onder overdruk). > **Sluit nooit een toestel aan op iets wat je niet kent** > Een bestaand toestel op een CLV vervang je alleen door exact hetzelfde type (bijlage 5 van BRL 6000-25 noemt bijvoorbeeld HR door HR van type C42, C43, C62, C63, C(10)2 of C(10)3), omdat het werkingsprincipe van het CLV niet mag veranderen. Het systeem staat bij het gebouw en jij stelt het toestel in bedrijf: je bent verantwoordelijk voor de veiligheid van de gehele installatie. #### Wat je doet als je op een CLV werkt 1. **Geschiktheidsverklaring:** is er geen geschiktheidsverklaring van het CLV-systeem, dan adviseer je CO-melders in de opstelruimten van de toestellen (BRL 6000-25 par. 5.2.11), en bij twijfel over de kwaliteit nader onderzoek. 2. **Type:** bepaal het systeem (C4, C8, C(10), shunt) en vervang alleen door hetzelfde type. 3. **Meten:** meet CO in de omgevingslucht van de opstellingsruimte. Bij een concentrisch systeem hoort daar een recirculatiemeting bij: CO2 op de verbrandingsluchttoevoer met gesloten mantel (les 8.5). 4. **Condensafvoer:** een CLV moet een condensafvoer hebben die toegankelijk is voor inspectie en onderhoud. Het condensaat uit het gemeenschappelijke kanaal mag niet via een van de aangesloten toestellen worden afgevoerd. 5. **Terugslag:** bij een overdruk-CLV laat een fabrikant (Intergas) de rookgasklep bij elk onderhoud controleren. Voor tijdelijk doorgebruik van een bestaand CLV bij gedeeltelijke vervanging gelden strikte voorwaarden (NPR 3378-45:2022 bijlage D, en NPR 3378-48:2025 voor renovatie in gestapelde bouw). Haal termijn en voorwaarden uit de actuele tekst en niet uit je hoofd. #### Certificering BRL 6000-25 kent twee deelgebieden: (1) toestellen met individuele luchttoevoer en rookgasafvoer, en (2) collectieve luchttoevoer- en rookgasafvoervoorzieningen (CLV). Deelgebied 1 wordt altijd gecombineerd met in bedrijf stellen. Voor een certificaat alleen voor deelgebied 2 gelden geen wettelijke vakbekwaamheidseisen en geen afmeldplicht. Het advies om CO-melders te plaatsen bij een CLV zonder geschiktheidsverklaring hoort bij een installateur met een certificaat voor deelgebied 1 (BRL 6000-25 par. 5.2.11). **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een CLV is en dat het bij het gebouw hoort en niet bij het toestel - Ik kan onderdruk-CLV (C4), half CLV (C83), overdruk-CLV (C(10)) en shunt uit elkaar houden - Ik vervang een toestel op een CLV alleen door exact hetzelfde type - Ik adviseer CO-melders als er geen geschiktheidsverklaring van het CLV is - Ik meet bij onderhoud CO in de ruimte en bij concentrisch CLV ook recirculatie ### Les 8.9: Een bestaande afvoer beoordelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-bestaande-afvoer-beoordelen/ **Leerdoel:** Je kunt een bestaande afvoer stap voor stap beoordelen en een afkeuring onderbouwen en vastleggen. #### Waarom je dit elke keer doet Bij onderhoud en bij vervanging van een toestel beoordeel je ook de afvoer en de luchttoevoer. BRL 6000-25 laat je bij twijfel over de kwaliteit van de rookgasafvoer nader onderzoek adviseren, en de controlelijst voor onderhoud noemt de rookgasafvoer, de luchttoevoer en de rookgas- en luchttransportbeveiliging. #### De volgorde 1. **Meet eerst CO in de opstellingsruimte** (circa 1,7 m hoog, circa 1 m van het toestel). Onder 5 ppm ga je door, 5 tot 20 ppm vraagt onderzoek en informeren, boven 20 ppm meld je. 2. **Bepaal het systeem:** open of gesloten (les 8.1), aansluitwijze (les 8.2), individueel of collectief (les 8.8). Zoek de voorschriften van toestel én afvoer op. 3. **Materiaal en klasse:** is het materiaal geschikt voor het toestel (les 8.3)? Dunwandig aluminium, directe aansluiting op een bouwkundig kanaal, gemengde fabricaten? 4. **Montage:** afschot, beugels, insteek, afdichtringen, geen kit of lijm (les 8.4). 5. **Uitmonding en lucht:** vrij van vuil en nesten, plaats en hoogte (les 8.5). Bij een concentrisch systeem: recirculatiemeting. 6. **Ruimte en ventilatie:** onderdruk, afgesloten roosters, vervuilde lucht (lessen 8.6 en 8.7). 7. **Brandveiligheid:** afstand tot brandbaar materiaal en de afvoer zelf (bestaande bouw: brandklasse A1 of onbrandbaar waar meer dan 90 °C kan optreden). 8. **Meten bij werking:** CO in het verbrandingsgas tegen de fabrikantgrens (ontbreekt die: 50, 200 of 400 ppm voor A, B en C) en trek of verschildruk waar het type dat vraagt. 9. **Conclusie en vastleggen:** goedkeuren, advies of afkeuren, met de gemeten waarden. #### Wat je ziet en wat je doet | Waarneming | Waarom het een probleem is | Wat je doet | |---|---|---| | Dunwandige aluminium afvoer op een HR-toestel | Condensaat tast aluminium aan, lekkage door corrosie | Nader onderzoek, vervanging adviseren | | Ontbrekende of beschadigde afdichtring | Overdrukafvoeren moeten luchtdicht zijn, ringen kunnen door veroudering lekken | Originele ring van de juiste maat aanbrengen | | Verbinding met siliconenkit of PUR | Verboden bij kunststof afvoer | Herstellen volgens het voorschrift van het systeem | | Omgekeerd of ontbrekend afschot | Condens kan niet terugstromen | Corrigeren | | Verschillende fabricaten of materialen gemengd | Mag alleen als de systeemfabrikant het toelaat | Herstellen of fabrikantverklaring vragen | | CO2 op de luchttoevoer van een concentrisch systeem ver boven circa 1 procent | Interne lekkage, recirculatie | Nader onderzoek | #### Ketelvervanging en de bestaande afvoer Bij vervanging van een afvoergebonden toestel moet het bestaande rookgasafvoersysteem gelijktijdig worden vervangen (BRL 6000-25 par. 5.2.13). Het systeem mag alleen blijven als het grondig is gecontroleerd en als "goed" is beoordeeld: een verwachte resterende levensduur van minimaal 15 jaar (beoordeling volgens bijlage B van NPR 3378). De BRL noemt ook een gebruiksperiode van 5 jaar met een nieuwe controle uiterlijk 10 jaar later. Die formulering is niet volledig eenduidig: leg vast op welke basis je besluit. Ubbink laat de afvoer vernieuwen tenzij je aantoont dat hij nog minimaal 15 jaar meegaat of de fabrikant de bestaande onderdelen compatibel verklaart, en bij VR naar HR altijd. Bij strijd geldt de BRL. #### Afkeuren en vastleggen - Komen bij gebruik ontoelaatbare hoeveelheden CO vrij, dan mag je het toestel niet in bedrijf stellen en neem je het buiten bedrijf (een taak voor een VP). - Boven 20 ppm CO in de ruimte geldt de meldplicht van art. 6.46 Bbl. Werkt de eigenaar niet mee aan herstel, dan stel je de installatie niet in bedrijf. Alleen de gemeente kan herstel afdwingen. - Kun je niet bewijzen dat de installatie aan alle eisen voldoet, bijvoorbeeld de kwaliteit van de rookgasafvoer, dan adviseer je nader onderzoek en een CO-melder. - Leg waarden en conclusie vast in het opleveringsrapport van BRL 6000-25 (afwijkingen en genomen maatregel). Zie [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/) voor melden en vastleggen. > **Zonder vastlegging heb je het niet gedaan** > Een afkeuring die je niet kunt onderbouwen met een gemeten waarde, een waarneming en het voorschrift waarnaar je verwijst, is een mening. Noteer wat je zag, mat, gebruikte en adviseerde. Een conditiescore volgens NEN 2767 is een beheermethode en geen bewijs van een veilige afvoer. Voor een camera-inspectie is voor deze cursus geen norm voor methode of frequentie gevonden bij individuele afvoeren. **Controleer jezelf:** - Ik begin een afvoerbeoordeling met een CO-meting in de opstellingsruimte - Ik loop systeem, materiaal, montage, uitmonding, ruimte, brandveiligheid en metingen langs - Ik weet dat bij vervanging van een afvoergebonden toestel de afvoer wordt vervangen tenzij hij grondig is gecontroleerd en "goed" is bevonden - Ik onderbouw een afkeuring met waarde, waarneming en bron en leg die vast ## Module 9: Elektrisch werken aan een cv-ketel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/elektrisch-werken-aan-een-cv-ketel/ De elektrische kant van de ketel: voeding, polariteit, aarding, veilig spanningsloos maken, thermostaatbedrading en de metingen die daarbij horen. Voor algemene elektrotechniek verwijst de cursus naar de Cursus Elektrotechniek. Een cv-monteur is geen elektromonteur, maar een ketel is wel een elektrisch toestel: hij heeft een voeding nodig, bewaakt de vlam met een klein elektrisch signaal en communiceert met een thermostaat over een laagspanningslijn. Deze module behandelt precies dat deel: wat een ketel aan voeding en aarding nodig heeft en waarom, hoe je veilig spanningsloos werkt en dat aantoont, hoe de thermostaatbedrading in elkaar zit, en welke metingen je aan een ketel doet. Wat een cv-monteur niet zelf doet (de vaste installatie van het pand aanleggen of wijzigen, een verzegelde meterkast openen) staat er ook bij, met de reden waarom. Waar iets echt algemene elektrotechniek is, zoals de wet van Ohm, hoe een multimeter precies werkt of wat spanning en stroom zijn, verwijst deze module naar de Cursus Elektrotechniek. Hier lees je alleen wat specifiek is voor de ketel: welke klemmen waarvoor zijn, welke waarden een fabrikant noemt, en wat er misgaat als je het verkeerd aansluit. Waarden als zekeringwaarden, klemnummers en kabellengtes verschillen per merk en model en staan daarom steeds met merk en model erbij: voor het toestel waaraan je werkt geldt de handleiding van dat toestel. De voorbeelden komen uit de installatie- en servicehandleidingen van de Remeha Calenta 25s, 28c, 35s en 40c (2017), de Intergas Kombi Kompakt HRE (installatievoorschrift 2021), de Vaillant ecoTEC plus VHR (installatie- en onderhoudshandleiding 2024) en de ATAG i-Serie (installatie- en servicehandleiding 2018), plus wetgeving (Arbeidsomstandighedenbesluit), het certificatieschema BRL 6000-25 en de erkenningsregels van InstallQ. **Na deze module kun je:** - De voeding, polariteit en aarding van een ketel beoordelen en uitleggen waarom polariteit de ionisatiebewaking kan beinvloeden - Veilig een ketel spanningsloos maken, dat aantonen en weten wat je niet zelf aan de vaste installatie doet - De thermostaatbedrading (aan/uit tegenover OpenTherm of een fabrikanteigen bus) aansluiten en uitleggen wat er misgaat bij een verkeerde aansluiting - De belangrijkste elektrische metingen aan een ketel uitvoeren, met een multimeter van de juiste meetcategorie ### Les 9.1: Voeding, polariteit en aarding van een ketel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/voeding-polariteit-en-aarding-van-een-ketel/ **Leerdoel:** Je kunt de voeding, polariteit en aarding van een ketel beoordelen, uitleggen waarom polariteit de ionisatie raakt, en weten wat je doet bij onbetrouwbare aarde. #### Wat een ketel aan voeding nodig heeft Een cv-ketel is een elektrisch toestel: hij heeft 230 V wisselspanning nodig voor de branderautomaat, de ventilator en de pomp, en een aarde om veilig te kunnen werken. Hoeveel stroom dat mag zijn, staat op het typeplaatje en in de handleiding, per merk en model verschillend. De Remeha Calenta heeft een hoofdzekering F1 van 6,3 AT en een zekering F2 van 2 AT; op het elektrisch schema van de ATAG i-Serie staan zekeringen van het type T 3,15 H. Dat zijn twee verschillende toestellen met twee verschillende waarden: je vervangt een zekering nooit uit het hoofd, maar met de waarde die voor dat specifieke toestel is voorgeschreven. | Voorbeeld (merk en model) | Aansluiting | Zekering(en) | |---|---|---| | Remeha Calenta (2017) | Netsnoer met geaarde stekker | F1 6,3 AT, F2 2 AT | | Intergas Kombi Kompakt HRE (2021) | Wandcontactdoos met randaarde, binnen 1 m van het toestel, goed bereikbaar | Niet in dit register vastgesteld | | ATAG i-Serie (2018) | Netvoedingskabel, aarde apart aangeduid op het schema | 2 x T 3,15 H, 250 V | Bij een vaste aansluiting (in plaats van een stekker) eist Remeha een dubbelpolige hoofdschakelaar met minstens 3 mm contactopening, en Intergas verplicht dat in vochtige ruimten. Dat getal van minstens 3 mm komt bij meerdere merken terug: het is geen toeval maar een vaste eis uit de norm voor de scheidingsinrichting. #### Waarom polariteit de ionisatiebewaking kan raken Een ketel bewaakt zijn vlam met een klein elektrisch signaal: de ionisatiestroom. Dat werkt zo. De ionisatiepin die in de vlam steekt, is veel kleiner dan de ketelmassa of de brander waarop de wisselspanning van het bewakingscircuit staat. Door dat verschil in oppervlak stroomt de wisselspanning overwegend in één richting door de vlam (de vlam geleidt, omdat er vrije ionen in zitten), waardoor er een kleine, vrijwel gelijkgerichte stroom van een paar microampere ontstaat. Zonder een goede massa- of aardverbinding werkt die omzetting niet goed: het signaal daalt of valt weg, ook al brandt de vlam prima. Of het verwisselen van fase en nul dat signaal ook beinvloedt, hangt af van hoe de fabrikant het bewakingscircuit heeft opgebouwd. Remeha vermeldt voor de Calenta en de Avanta uitdrukkelijk dat de ketel "niet fasegevoelig" is: fase en nul mogen verwisseld worden zonder dat de bewaking daardoor faalt. Dat de fabrikant dit apart vermeldt, is een aanwijzing dat er toestellen bestaan waarbij het wel uitmaakt, anders zou de mededeling overbodig zijn. Welke andere merken of modellen dat precies zijn, is in het feitenregister niet met een fabrikantbron vastgesteld: neem dus nooit een merk als voorbeeld van "wel fasegevoelig" zonder dat zelf in de handleiding te hebben gelezen. > **Een storing in de ionisatie is niet altijd de elektrode** > Een laag ionisatiesignaal kan aan de elektrode liggen, maar ook aan de aarding of, bij een fasegevoelig toestel, aan de polariteit. Voor je een elektrode vervangt: controleer eerst de aarding en, als het toestel dat vraagt, de polariteit van de aansluiting. #### Aarding controleren: wat een multimeter wel en niet laat zien Een monteur kan met een multimeter meten of er doorgang is (een weerstand dicht bij 0 ohm) tussen de aardrail in de meterkast en geaard metaal. Dat laat alleen zien dat er een verbinding IS, niet of de aardingsweerstand voldoet aan de norm. Een echte aardweerstandsmeting (bijvoorbeeld de 3-pinmethode) is een gespecialiseerde meting die niet met een gewone multimeter wordt gedaan. Storingstabellen van fabrikanten noemen bij een laag ionisatiesignaal daarom vaak "controleer de aarding" als actie, niet "meet de aardingsweerstand": de eerste controle (is er verbinding, zit de aardklem goed vast) kan een cv-monteur zelf doen. > **Ontbrekende of onbetrouwbare aarde** > Zonder deugdelijke aarde kan de behuizing van een ketel bij een intern defect onder spanning komen te staan: dat is levensgevaarlijk. Is de aarde afwezig of naar jouw oordeel onbetrouwbaar, dan is dat een gebrek aan de elektrische installatie van het pand, niet aan de ketel. Herstel dat niet zelf: dat is werk voor een erkend elektrotechnisch bedrijf (zie de Cursus Elektrotechniek). Leg je bevinding vast en stel de ketel niet op die aarde in bedrijf. #### Praktijkgeval: laag signaal, vlam brandt gewoon Een monteur meet aan een toestel na onderhoud een ionisatiestroom die duidelijk onder de grenswaarde van de fabrikant ligt, terwijl de vlam er stabiel bij staat. Voor het onderhoud had hij de stekker uit de wandcontactdoos genomen en er na het werk weer ingestoken, zonder op de stand te letten. Redeneer van elektrisch naar mechanisch: eerst de aarding controleren (zit de aardklem goed vast, is er doorgang), dan pas de elektrode beoordelen. Bij een toestel dat volgens de handleiding fasegevoelig kan zijn, is de stand van de stekker ook een logische controle voor je een onderdeel vervangt dat niet stuk is. #### Wat je vastlegt Voeding, aarding en (als het toestel dat vraagt) polariteit horen bij de basiscontrole van elke ketel, voor je verder zoekt naar een mechanische oorzaak. De waarden zelf (zekering, aansluitwijze) komen uit de handleiding van dat merk en model. **Controleer jezelf:** - Ik controleer de voeding en de zekeringwaarde altijd in de handleiding van het specifieke toestel, nooit uit het hoofd - Ik kan uitleggen waarom de ionisatiebewaking een goede massa- of aardverbinding nodig heeft - Ik weet dat niet elk toestel fasegevoelig is, en dat ik dat per model in de handleiding controleer - Ik weet dat een doorgangsmeting met een multimeter geen aardweerstandsmeting vervangt - Ik herken een onbetrouwbare aarde als een gebrek aan de installatie van het pand en verwijs door in plaats van het zelf te herstellen ### Les 9.2: Veilig werken: spanningsloos maken en meten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/veilig-werken-spanningsloos-maken-en-meten/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel veilig spanningsloos maken, dat aantonen, en uitleggen wat je niet zelf aan de vaste installatie doet. #### De hoofdregel: spanningsloos, niet onder spanning Artikel 3.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is duidelijk over de volgorde: elektrotechnische werkzaamheden die gevaar kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoend onderrichte en bevoegde mensen gedaan (lid 1), en werk aan of bij een elektrische installatie gebeurt alleen als die installatie spanningsloos is (lid 3). Onder spanning werken mag bij uitzondering, maar alleen bij laagspanning en alleen als de dringende noodzaak daarvan is aangetoond en de installatie daarvoor geschikt is (lid 5). Voor het aansluiten van een thermostaat, het vervangen van een sensor of het meten aan een printplaat is die dringende noodzaak er niet: dat kan en moet spanningsloos. #### Vijf stappen, in de praktijk drie die je zelf doet NEN 3140 beschrijft het spanningsloos werken in vijf stappen: scheiden, beveiligen tegen herinschakelen, aantonen dat de installatie spanningsloos is, aarden en kortsluiten waar nodig (vooral bij hogere spanning), en aangrenzende actieve delen afschermen. Voor een cv-monteur die aan een ketel werkt, zijn de eerste drie stappen de dagelijkse praktijk: 1. **Scheiden.** De stekker uit de wandcontactdoos, of bij een vaste aansluiting de hoofdschakelaar of scheidingsinrichting uitschakelen. 2. **Beveiligen tegen herinschakelen.** Zorg dat niemand de stekker terugsteekt of de schakelaar omzet terwijl je werkt; bij een vaste aansluiting kan dat een vergrendeling of een duidelijk bord zijn. 3. **Aantonen dat het spanningsloos is.** Met een tweepolige spanningsaanwijzer (nooit een eenpolige spanningszoeker), die je vlak voor en na gebruik op een bekende spanningsbron test, meet je op alle geleiders (fase-nul, fase-aarde). > **Meten is iets anders dan aantonen dat er geen spanning is** > Een spanning meten en de afwezigheid van spanning aantonen zijn twee verschillende dingen. Een gewone multimeter kan door een hoge ingangsimpedantie een "spookspanning" aanwijzen op een ader die in werkelijkheid spanningsloos is (capacitieve koppeling). Gebruik daarom een instrument dat daarvoor geschikt is, en test het apparaat zelf altijd eerst op een bekende spanningsbron. > **Werken onder spanning is de uitzondering, niet de gewoonte** > Werk aan of bij een elektrische installatie die niet spanningsloos is, kan een elektrische schok of een vlamboog veroorzaken en is bij een cv-ketel vrijwel nooit nodig. De wettelijke uitzondering (lid 5) is bedoeld voor situaties met een aangetoonde dringende noodzaak, niet voor gewoon onderhoud of een thermostaat aansluiten. Twijfel je of iets echt spanningsloos gedaan kan worden: ga ervan uit dat het kan, en zoek uit hoe. #### Wat je niet zelf doet aan de vaste installatie Een ketel aansluiten op een bestaande, deugdelijke voeding hoort bij het werk van een cv-monteur met het Bewijs van Vakmanschap CO. Werk aan de meterkast, de groepenkast of de vaste elektrische installatie van het pand is dat niet. Dat volgt uit hoe InstallQ zijn erkenningen heeft ingedeeld: sinds 1 mei 2026 geldt het landelijk zegelrecht, waarbij alleen bedrijven met een elektrotechnische erkenning (elektrotechnisch installateur, of een elektrotechnisch inspectiebedrijf voor laagspanningsinstallaties) een door de netbeheerder verzegelde aansluiting of meterkast tot 3 x 80 A mogen openen en opnieuw verzegelen. Een BRL 6000-25-certificaat (de CO-certificering) geeft dat recht niet: het is een andere erkenning, voor een ander vakgebied. Vaillant schrijft voor de ecoTEC plus VHR bijvoorbeeld dat de elektrische installatie alleen door een elektromonteur mag worden uitgevoerd. Dat is een fabrikantvoorschrift, geen volledige wettelijke afbakening, maar het wijst in dezelfde richting als het zegelrecht: waar het om de vaste installatie van het pand gaat, is dat een ander vakgebied dan het aansluiten van het toestel zelf. #### Praktijkgeval: een print vervangen bij een storing Een ketel geeft een printstoring. De monteur wil de printplaat vervangen. Voor hij de kap opent: stekker eruit (scheiden), zorgen dat niemand die terugsteekt terwijl hij werkt (beveiligen), en met een geteste tweepolige spanningsaanwijzer aantonen dat de aansluitklemmen echt spanningsloos zijn (aantonen). Pas dan opent hij de behuizing en wisselt hij de print. Blijkt tijdens het werk dat de storing eigenlijk in de vaste bedrading van het pand zit (bijvoorbeeld een defecte wandcontactdoos), dan is dat een reden om door te verwijzen naar een elektrotechnisch bedrijf, niet om dat er zelf bij te repareren. #### Wat je vastlegt Spanningsloos maken en aantonen is bij elk elektrisch werk aan een ketel de eerste stap, geen uitzondering die je overslaat als het "toch wel meevalt". Wat aan de vaste installatie van het pand hangt, hoort bij een ander vakgebied. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat spanningsloos werken de wettelijke hoofdregel is en onder spanning werken alleen bij uitzondering, met aangetoonde noodzaak - Ik kan de eerste drie stappen van NEN 3140 (scheiden, beveiligen, aantonen) toepassen bij een ketel - Ik gebruik voor het aantonen van spanningsloosheid een geteste tweepolige spanningsaanwijzer, geen eenpolige zoeker - Ik weet dat werk aan de meterkast of de vaste installatie van het pand een aparte elektrotechnische erkenning vraagt en geen deel is van mijn CO-certificering ### Les 9.3: Thermostaatbedrading en laagspanning URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/thermostaatbedrading-en-laagspanning/ **Leerdoel:** Je kunt aan/uit- en OpenTherm-bedrading van elkaar onderscheiden, per merk de juiste klemmen aansluiten, en uitleggen wat er misgaat bij een verkeerde aansluiting. #### Aan/uit en OpenTherm: hetzelfde doel, andere bedrading Les 6.1 legt uit wat OpenTherm als protocol technisch doet: een thermostaat die doorgeeft hoe ver de ketel moet bijstellen, in plaats van alleen "aan" of "uit" te roepen. Deze les gaat over de fysieke kant: welke draden op welke klemmen, en wat er misgaat als je het verkeerd aansluit. Dat verschilt sterk per merk, en dat is precies waarom je nooit uit het hoofd aansluit. Bij de Remeha Calenta zitten een OpenTherm-regelaar en een 2-draads aan/uit-kamerthermostaat op dezelfde klemmen "On/off-OT" van de aansluitconnector: de ketel herkent zelf welk van de twee er hangt. Bij de Intergas Kombi Kompakt HRE heeft elke functie juist een eigen klemmenpaar op connector X4: aan/uit op klem 6-7, de modulerende OpenTherm-thermostaat op klem 11-12, de buitentemperatuurvoeler op klem 8-9. | Merk en model (voorbeeld) | Aan/uit-thermostaat | OpenTherm-thermostaat | Bijzonderheid | |---|---|---|---| | Remeha Calenta | Klemmen On/off-OT | Klemmen On/off-OT (dezelfde) | Ondersteunt ook een power-stealing-thermostaat op diezelfde klemmen | | Intergas Kombi Kompakt HRE | Connector X4, klem 6-7 | Connector X4, klem 11-12 | Buitenvoeler op klem 8-9, apart van de thermostaat | | Vaillant ecoTEC plus VHR | 24 V RT-aansluiting (X100), apart van de bus | Alleen via een losse OpenTherm-module | Toestel spreekt van zichzelf eBUS, niet OpenTherm | | ATAG i-Serie | Potentiaalvrij contact op het aansluitblok | Alleen via een OT-LPA-adapter op de bus | Aansluitblok is gemarkeerd "GEEN 230 V AANSLUITEN" | > **Vier merken, vier klemmenschema's** > Waar een OpenTherm-thermostaat op moet, is bij Remeha en Intergas al verschillend, en bij Vaillant en ATAG spreekt de ketel van zichzelf een eigen taal (eBUS of ATAG-bus) waarvoor een los adaptermodule nodig is. Raadpleeg daarom altijd het aansluitschema van het specifieke toestel, en ga nooit uit van "dat werkte bij het vorige toestel ook zo". #### Wat er misgaat bij een verkeerde aansluiting Een paar concrete gevallen uit de handleidingen, per merk verschillend: - **Remeha Calenta:** bij een aan/uit-thermostaat mag een vorstthermostaat parallel op de klemmen On/off-OT worden aangesloten; bij een OpenTherm-thermostaat is dat op diezelfde klemmen niet toegestaan, en loopt de vorstbeveiliging via een buitensensor. Wie een vorstthermostaat gewoon bijplaatst naast een OpenTherm-regelaar, krijgt dus geen werkende extra beveiliging. - **Remeha Calenta:** een kamerthermostaat met een anticipatie-element moet met parameter p5 worden omgezet; zonder die instelling regelt de ketel niet zoals de thermostaat verwacht. - **Intergas Kombi Kompakt HRE:** de maximale weerstand van thermostaatleiding plus thermostaat samen is 15 ohm. Een lange, dunne leiding of een slechte klemverbinding kan dat overschrijden, met een onbetrouwbare warmtevraag als gevolg. - **Vaillant ecoTEC plus VHR:** sluit nooit netspanning aan op de klemmen eBUS (+/-); de fabrikant waarschuwt letterlijk dat netspanning op de verkeerde klemmen de elektronica kapot kan maken. Bij een externe OpenTherm-thermostaat is een losse OpenTherm-module nodig, waarbij de jumper op de module verwijderd wordt en op de poling gelet moet worden. - **Vaillant ecoTEC plus VHR:** storingscode F.049 betekent een kortsluiting op de eBUS-aansluiting, of dat twee actieve eBUS-bronnen een verwisselde polariteit hebben. - **ATAG i-Serie:** een OpenTherm-thermostaat rechtstreeks op de bus-positie aansluiten werkt niet zonder de OT-LPA-adapter; het aansluitblok is uitdrukkelijk gemarkeerd dat er geen 230 V op mag. #### De eBUS-leiding van Vaillant: een concreet voorbeeld van kabeleisen Waar een fabrikant zelf kabeleisen stelt, is dat de moeite van het naleven waard, ook al lijkt het bijkomstig. Vaillant vraagt voor de eBUS-leiding van de ecoTEC plus VHR een 2-aderige kabel, bijvoorbeeld het type NYM of H05VV, en waarschuwt uitdrukkelijk: nooit afgeschermde of getwiste kabel gebruiken. De maximale lengte is 125 m, met een aderdiameter van 0,75 mm2 tot 50 m totale lengte en 1,5 mm2 vanaf 50 m, en houd minstens 120 mm afstand tot netvoedingskabels om storing te voorkomen. Dit is een ander getal dan wat je soms over OpenTherm zelf leest (bijvoorbeeld "maximaal 50 m", een zwakke bron): het gaat hier om de eBUS-leiding van dit specifieke merk, niet om het OpenTherm-protocol in het algemeen. Verwar de twee niet. #### Praktijkgeval: geen modulatie na het plaatsen van een nieuwe thermostaat Een klant heeft zelf een OpenTherm-thermostaat gekocht en aangesloten op een Intergas Kombi Kompakt HRE, maar de ketel moduleert niet: hij gaat gewoon aan en uit. Bij controle blijkt de thermostaat op klem 6-7 aangesloten, de klemmen voor de aan/uit-functie, in plaats van klem 11-12. De thermostaat werkt daardoor als een gewone aan/uit-schakelaar: hij communiceert niet, want hij hangt op de verkeerde functie. De oplossing is de bedrading naar klem 11-12 te verplaatsen, niet de thermostaat te vervangen. #### Wat je vastlegt De vraag is niet "is dit aan/uit of OpenTherm", maar "welke klemmen horen daar bij dit merk en model". Bij Vaillant en ATAG komt daar nog bij: welk adaptermodule is nodig, want het toestel spreekt van zichzelf een andere taal. **Controleer jezelf:** - Ik raadpleeg voor elk toestel het eigen aansluitschema in plaats van uit te gaan van een vorig toestel - Ik weet dat een aan/uit- en een OpenTherm-thermostaat bij sommige merken dezelfde klemmen delen en bij andere merken eigen klemmen hebben - Ik weet dat Vaillant en ATAG een los adaptermodule nodig hebben om een OpenTherm-thermostaat aan te sluiten - Ik sluit nooit netspanning aan op een laagspanningsklem (eBUS, thermostaat, buitensensor) - Ik controleer bij een niet-modulerende ketel eerst of de thermostaat op de juiste klemmen zit voor ik een onderdeel vervang ### Les 9.4: Elektrische metingen aan een ketel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/elektrische-metingen-aan-een-ketel/ **Leerdoel:** Je kunt met een multimeter van de juiste meetcategorie de spanning, doorgang, NTC-weerstand en ionisatiestroom van een ketel meten. #### Welke metingen horen bij een ketel De onderhoudslijst van de BRL 6000-25 noemt onder de te controleren punten onder meer netspanning, controle van de aarde en ventilatorspanning: elektrische metingen horen dus gewoon bij het reguliere onderhoud, niet alleen bij storingzoeken. Daarnaast meet je met een ohmmeter de weerstand van temperatuursensoren (NTC's) en, waar dat via het display niet af te lezen is, de ionisatiestroom. Elke meting heeft zijn eigen stand op de multimeter: wisselspanning voor netspanning en ventilator, weerstand voor NTC en doorgang, en microampere-gelijkstroom voor ionisatie als je die niet van het display kunt aflezen. | Meting | Multimeterstand | Voorbeeldwaarde (model genoemd) | |---|---|---| | Netspanning | Wisselspanning (V AC) | 230 VAC (algemeen) | | Weerstand aanvoer-/retoursensor (NTC) | Weerstand (ohm) | Remeha Avanta: 12 tot 15 kiloohm bij 20 tot 25 graden Celsius | | Ionisatiestroom | Microampere (uitlezen via display, of gelijkstroom als het toestel dat toelaat) | Remeha Tzerra Ace: reinigen of vervangen onder 3 microampere | | Doorgang thermostaatleiding | Weerstand (ohm) of doorgangspiep | Intergas HRE: max. 15 ohm leiding plus thermostaat | #### Welke multimeter: de meetcategorie (CAT) Niet elke multimeter is voor elke meting geschikt. Instrumentfabrikanten delen meters in op meetcategorie (CAT, overspanningscategorie): CAT II is bedoeld voor apparaten die via een wandcontactdoos worden gevoed, zoals huishoudapparaten en dus ook een stekker-aangesloten cv-ketel; CAT III is bedoeld voor de vaste installatie van een gebouw, zoals verdeelkasten en groepenkasten. Een hogere categorie beschermt beter tegen een spanningspiek bij een fout. De vuistregel van de fabrikant: kies bij twijfel over de aansluiting de hoogste categorie waarmee je te maken kunt krijgen, in plaats van er na een fout achter te komen dat het instrument niet toereikend was. > **Eerst spanning, dan pas weerstand** > Voor je met een ohmmeter de weerstand van een NTC-sensor of de doorgang van een thermostaatleiding meet, meet je eerst spanning om aan te tonen dat het circuit spanningsloos is. Een weerstandsmeting op een circuit dat nog spanning voert, geeft een onjuiste waarde en kan het instrument beschadigen. > **Meten is ook elektrisch werken** > Meten aan een ketel gebeurt aan of nabij een elektrische installatie: dezelfde regels als in les 9.2 gelden. Gebruik een multimeter met minstens de meetcategorie die bij de aansluiting past, meet nooit weerstand op een circuit dat nog spanning voert, en toon aan dat een circuit spanningsloos is voor je het opent, niet alleen voor de meting zelf. #### Ionisatiestroom: een klein signaal met een concrete betekenis Bij veel moderne ketels lees je de ionisatiestroom van het display af: dat is de methode die de fabrikant zelf voorschrijft. Een Nederlandse fabrikantprocedure om de ionisatiestroom in plaats daarvan met een losse multimeter in serie te meten, is niet gevonden: gebruik daarom het display, niet een zelf verzonnen meetopstelling. De grenswaarde verschilt sterk per merk: Remeha (Tzerra Ace, Calenta Ace) reinigt of vervangt de elektrode onder 3 microampere, gemeten bij vol- en laaglast; ATAG XL vraagt meer dan 2,0 microampere op vollast; Nefit ProLine NxT vraagt bij laaglast meer dan 10 (micro)ampere. #### Rekenvoorbeeld: past deze NTC-waarde bij dit toestel? Een monteur meet aan de aanvoersensor van een Remeha Avanta, bij een omgevingstemperatuur van ongeveer 22 graden Celsius, een weerstand van 13,4 kiloohm. De handleiding noemt voor deze sensor 12 tot 15 kiloohm bij 20 tot 25 graden Celsius. De gemeten waarde valt binnen dat bereik: de sensor is op dit punt in orde. Was de gemeten waarde bijvoorbeeld 33 kiloohm geweest, dan zou dat, gezien de eigenschap van een NTC (weerstand daalt met de temperatuur), wijzen op een sensor die een veel lagere temperatuur "ziet" dan er werkelijk is: verdacht, en een reden om de sensor, de connector en de bedrading verder te controleren voor je iets vervangt. #### Praktijkgeval: storing zoeken met de V4-methode Een ketel start niet. In plaats van meteen een onderdeel te vervangen, meet een monteur met een voltmeter systematisch langs het circuit: bij elke component controleert hij of er spanning binnenkomt en of er spanning uitgaat. Zo grenst hij de storing stap voor stap af tot het onderdeel waar de spanning wél binnenkomt maar niet meer uitgaat: dat is de plek waar het probleem zit. Deze systematische aanpak (meten in plaats van gokken) werkt voor elk elektrisch circuit, ook aan een ketel, en voorkomt dat je onderdelen vervangt die niet stuk zijn. #### Wat je vastlegt Elke elektrische meting aan een ketel begint met spanningsloos maken en aantonen (les 9.2), gebruikt de juiste stand en de juiste meetcategorie, en de waarde die je meet, vergelijk je met het getal uit de handleiding van dat specifieke merk en model. **Controleer jezelf:** - Ik gebruik voor elke meting de juiste stand op de multimeter (wisselspanning, weerstand, microampere) - Ik kies een multimeter met minstens de meetcategorie die bij de aansluiting van het toestel past - Ik meet eerst spanning en toon spanningsloosheid aan voor ik met een ohmmeter weerstand meet - Ik lees de ionisatiestroom bij voorkeur van het display af in plaats van los met een multimeter in serie te meten - Ik vergelijk elke gemeten waarde met de grenswaarde uit de handleiding van dat specifieke merk en model ## Module 10: Meten en analyseren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/meten-en-analyseren/ Meten is het bewijs dat je werk veilig is. Gasdruk, rookgas, CO in de ruimte, water en elektra: wat je meet, hoe je het doet en hoe je een meetwaarde beoordeelt. Een toestel dat goed brandt, is niet automatisch een veilig toestel: dat bewijs je met een meting. Deze module behandelt het hele meettraject van de cv-monteur, van het kiezen en kalibreren van een instrument, via gasdruk en de rookgasanalyse, tot CO in de ruimte waar het toestel staat en de water-, temperatuur- en elektrische metingen die daar bij horen. Elke meetwaarde is pas bruikbaar als je weet hoe nauwkeurig hij is en volgens welke procedure hij is genomen. De belangrijkste inhoudelijke leemte van de hele cursus zit in deze module: zijn de wettelijke CO-grenzen in het rookgas (50, 200 en 400 ppm) luchtvrij, of zoals afgelezen op het instrument? Geen enkele geraadpleegde bron, ook niet de wettekst zelf, zegt dat met zoveel woorden. Les 10.4 werkt uit wat er wel is gevonden: de letterlijke tekst van het certificatieschema zegt dat de aangegeven waarde op het meetinstrument leidend is, en de meetprotocollen bevatten geen correctiestap. Dat is het sterkste bewijs dat er is, geen definitief antwoord. **Na deze module kun je:** - Het juiste meetinstrument bij de vraag kiezen en het verschil tussen kalibreren en justeren uitleggen - Gasdruk meten en de belasting van een toestel via de gasmeter controleren - Uitleggen hoe een rookgasanalyser werkt, hem voorbereiden en onderhouden - Een rookgasmeting volgens de voorgeschreven procedure uitvoeren en beoordelen - CO in de opstellingsruimte meten, voor en na het werk, en de uitkomst beoordelen - Waterdruk, temperatuur en elektrische grootheden meten en aan de installatie koppelen ### Les 10.1: Meten als vak: wat, waarmee, hoe nauwkeurig URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/meten-als-vak-wat-waarmee-hoe-nauwkeurig/ **Leerdoel:** Je kunt bij een vraag het juiste meetinstrument kiezen, het verschil tussen kalibreren en justeren uitleggen en de nauwkeurigheid van een meting inschatten. #### Waarom meten het bewijs is Een cv-toestel dat warm wordt en niet stinkt, is nog geen bewijs dat het veilig is. Dat bewijs lever je met een meting: gasdruk, rookgas, CO in de ruimte, waterdruk, temperatuur en elektrische waarden. Deze module doorloopt ze allemaal. Deze les gaat over de gemeenschappelijke basis: welk instrument bij welke vraag hoort, en hoe zeker je van een meetwaarde kunt zijn. #### Kalibreren, justeren en verifiëren zijn drie verschillende dingen Deze woorden worden vaak door elkaar gebruikt, maar het certificatieschema BRL K25000 maakt onderscheid: - **Kalibreren**: vaststellen hoe groot de afwijking van een instrument is ten opzichte van een herkenbare standaard. Dit is meten, geen ingrijpen. - **Justeren**: het instrument daarna afregelen zodat de aangeduide waarde niet meer afwijkt dan de toegestane meetfout. Dit gebeurt alleen als kalibreren een te grote afwijking aantoont: afregelen binnen de toegestane meetfout heet geen justeren. - **Verifiëren**: controleren of een instrument (nog) binnen de toegestane meetfout valt, zonder het per se af te regelen. > **Kalibreren is meten, justeren is corrigeren** > Een instrument dat "gekalibreerd" is, is daarmee nog niet automatisch bijgesteld. Kalibreren stelt de afwijking vast, justeren corrigeert hem alleen als hij te groot is. Is een instrument gejusteerd, dan hoort daar een extra stap bij: nagaan of het gebruik van dat instrument vóór de justering tot andere beslissingen (goed- of afkeuren van eerder werk) zou hebben geleid. Een monteur die pas laat ontdekt dat zijn meter fors afweek, moet dus terugkijken naar wat hij daarmee eerder heeft goed- of afgekeurd. #### Welke norm geldt voor het instrument Voor rookgasmetingen (CO, O2, temperatuur) en voor druk- en trekmetingen eisen beide certificatieschema's meetapparatuur volgens EN 50379 deel 2. Een instrument waarvan alleen de O2- en temperatuurmeting aan deel 2 voldoet, maar de CO-meting niet, voldoet niet: de CO-meting moet zelf ook aan deel 2 voldoen. Voor het meten van CO in de omgevingslucht mag de rookgasmeter ter indicatie worden gebruikt; bij voorkeur heb je daarnaast een persoonlijke CO-veiligheidsmeter voor je eigen veiligheid tijdens het werk. De twee certificatieschema's wijken op één punt van elkaar af: voor het meten van trek noemt BRL 6000-25 een bereik van -50 tot 200 Pa, BRL K25000 -50 tot 150 Pa. Beide zijn de letterlijke tekst van een aangewezen schema: er is geen fout, het is een echt verschil tussen de twee schema's. Voor de praktijk maakt het weinig verschil, maar het instrument moet aan het schema van je eigen certificerende instelling voldoen. Geen van beide schema's legt een vaste kalibratiefrequentie vast: de certificaathouder bepaalt en onderbouwt die zelf, houdt een overzicht bij van instrumenten en hun nauwkeurigheid, en laat de kalibratie herleidbaar zijn tot nationaal erkende standaarden. Fabrikanten adviseren vaak een jaarlijkse kalibratie, met controle en zo nodig vervanging van de sensoren en filters. Een incident (val, overbelasting, extreme temperatuur) is een reden om eerder te laten kalibreren dan gepland. #### Rekenvoorbeeld: wat een kleine afwijking betekent Voor toestellen die op O2 worden afgesteld, geldt volgens de BRL Gaskeur CV een totale meetonnauwkeurigheid van maximaal 0,3 procentpunt op de O2-meting. | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Gemeten O2 | 5,2% | Aflezing op de analyser | | Toegestane afwijking | ± 0,3 procentpunt | Eis uit de BRL Gaskeur CV | | Werkelijke O2 (bereik) | 4,9% tot 5,5% | Wat het toestel echt uitstoot | Een verschil van 0,3 procentpunt lijkt klein, maar bij een grenswaarde die vlak bij de gemeten waarde ligt, kan het net de doorslag geven tussen goedkeuren en afkeuren. Meet je vlak bij een grens, dan is het extra belangrijk te weten of je instrument recent gekalibreerd is. > **Een niet-gekalibreerd instrument kan een gevaarlijke installatie ten onrechte goedkeuren** > Bij een meetwaarde die dicht bij de grenswaarde ligt, kan een instrument met een onbekende of te grote afwijking het verschil maken tussen een terecht veilig oordeel en een ten onrechte veilig oordeel. Bij twijfel over de kalibratie meet je opnieuw met een instrument waarvan je de status kent, voordat je een toestel vrijgeeft. > **Verdieping: waarom staat er geen vaste kalibratie-interval in de wet of het schema?** > De schema's leggen de verantwoordelijkheid bij het bedrijf, omdat de benodigde frequentie afhangt van het type instrument, de gebruiksintensiteit en de omstandigheden (stof, vocht, schokken). Een vast getal voor alle instrumenten zou voor de meeste te ruim of te krap zijn. De prijs van die vrijheid is dat jij, niet de wet, moet kunnen onderbouwen waarom je kalibratieschema voldoet. #### Wat je meeneemt Bij elke meting in deze module komt dezelfde vraag terug: welk instrument, volgens welke norm, en hoe zeker weet je dat het klopt? De volgende lessen werken dat uit voor gasdruk, rookgas, CO in de ruimte, en water-, temperatuur- en elektrische metingen. **Controleer jezelf:** - Ik kan het verschil tussen kalibreren, justeren en verifiëren uitleggen - Ik weet dat mijn meetinstrument aan EN 50379 deel 2 moet voldoen, ook voor de CO-meting - Ik houd bij wanneer mijn instrumenten voor het laatst gekalibreerd zijn en waarom - Ik ben extra alert als een meetwaarde dicht bij een grenswaarde ligt - Ik weet dat een justering achteraf kan betekenen dat ik eerdere beslissingen moet heroverwegen ### Les 10.2: Gasdruk meten en de belasting via de gasmeter URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gasdruk-meten-en-de-belasting-via-de-gasmeter/ **Leerdoel:** Je kunt de gasdruk op een toestel meten, statisch en dynamisch, en de belasting van een toestel via de gasmeter controleren. #### Wat de netbeheerder levert, en wat het toestel nodig heeft Het lagedrukgasnet staat meestal op 100 mbar en deels op 30 mbar. In woningen op het 100-mbargebied verlaagt een huisdrukregelaar de druk tot 30 mbar. Woningtoestellen op aardgas (G25.3) hebben een nominale aansluitdruk van 25 mbar; het toegestane bereik daaromheen verschilt per model (zie [les 4.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aardgas-in-nederland-gassoorten-gasdruk-en-wobbe/)). Tussen wat het net levert en wat op het toestel aankomt, meet je dus twee dingen: de druk in de leiding en de druk bij het toestel zelf. #### Statisch en dynamisch: twee metingen, niet één BRL 6000-25 noemt in het onderhoudsformulier expliciet de post "gasvoordruk (dynamisch)", naast "branderdruk" in dezelfde lijst met metingen. - **Statisch** (in rust): de druk in de leiding met het toestel uitgeschakeld, geen gas stroomt. Dit laat zien of de leiding en de regelaar bij nul verbruik het juiste niveau geven. - **Dynamisch** (onder belasting): de druk gemeten terwijl het toestel op vollast gas verbruikt. Dit laat zien of de toevoer (leidingdiameter, meter, regelaar) groot genoeg is om onder belasting op peil te blijven. > **Een goede statische druk bewijst niets over de dynamische druk** > Een leiding kan in rust prima op 25 mbar staan en onder vollast toch wegzakken, bijvoorbeeld door een te dunne leiding, een te kleine meter of een regelaar die de belasting niet aankan. Meet daarom altijd beide, niet alleen de eenvoudigste van de twee. #### Rekenvoorbeeld: belasting bepalen via de gasmeter BRL 6000-25 noemt in het onderhoudsformulier expliciet "gasverbruik vollast" als te meten grootheid: de belasting van het toestel controleer je dus niet alleen aan het typeplaatje, maar ook aan de gasmeter. De methode: klok de tijd die nodig is om een bekend volume gas (bijvoorbeeld 1 of 2 liter, af te lezen op de kleinste schaalverdeling van de meter) te laten doorstromen met het toestel op vollast, reken dat om naar een debiet in m³ per uur, en vermenigvuldig met de calorische bovenwaarde (Hs) om het vermogen te krijgen. | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Doorgestroomd volume | 2 liter | Afgelezen op de kleinste wijzer van de meter | | Gemeten tijd | 71 seconden | Met een stopwatch geklokt op vollast | | Debiet | 2 / 71 × 3600 = 101,4 l/h = 0,1014 m³/h | Omrekening naar een uurdebiet | | Hs (Groningen-equivalent) | 9,769 kWh/m³ | Zie [les 4.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aardgas-in-nederland-gassoorten-gasdruk-en-wobbe/) | | Belasting op bovenwaarde | 0,1014 × 9,769 ≈ 0,99 kW | Vergelijk dit met het typeplaatje | Een gasmeter G4 laat maximaal 6 m³ per uur door, wat op bovenwaarde neerkomt op ongeveer 58,6 kW (6 × 9,769). Dat is de bovengrens van wat een G4-meter kan doorlaten, niet het vermogen van een specifiek toestel: een groot combitoestel op vollast tapwater kan een grotere meter (G6, G10) nodig hebben. > **Verdieping: waarom geen vaste "tel zoveel seconden"-vuistregel?** > Met Groningen-equivalent gas (Hs 35,17 MJ/m³) geldt: het aantal liter gas dat in ongeveer 35,2 seconden door de meter stroomt, komt getalsmatig overeen met het vermogen in kW op bovenwaarde. Dat is een eigen afleiding uit de definitie van belasting (debiet × Hs), geen voorschrift uit een bron: bij een ander gas (een andere Hs) verschuift het getal mee, en zonder die afleiding is een kant-en-klare vuistregel niet te controleren. Reken daarom liever zelf uit met het volume en de tijd die je aan jouw meter aflezen kan, dan een getal uit een forum over te nemen. #### Wat je meeneemt Gasdruk en belasting via de gasmeter zijn twee kanten van dezelfde controle: levert de toevoer genoeg, en verbruikt het toestel wat het volgens het typeplaatje zou moeten verbruiken? Een afwijking op een van beide is een aanwijzing, niet meteen een diagnose: zoek de oorzaak voordat je onderdelen vervangt. **Controleer jezelf:** - Ik meet de gasdruk zowel statisch (toestel uit) als dynamisch (toestel op vollast) - Ik weet dat "gasvoordruk (dynamisch)" een vaste post is in het onderhoudsformulier van BRL 6000-25 - Ik kan de belasting van een toestel via de gasmeter berekenen met volume, tijd en Hs - Ik vergelijk de berekende belasting met het typeplaatje, niet met een vuistregel zonder onderbouwing - Ik weet welke gasmetercapaciteit (G4, G6, G10) bij welk maximaal debiet hoort ### Les 10.3: De rookgasanalyser: opbouw, nulmeting en onderhoud URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-rookgasanalyser-opbouw-nulmeting-en-onderhoud/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe een rookgasanalyser werkt, hem voorbereiden voor een betrouwbare meting en zijn sensoren onderhouden. #### Wat er in de sonde gebeurt Een rookgasanalyser bestaat uit een sonde (met filter en condensopvang), elektrochemische sensoren voor CO en O2, een temperatuursensor en een rekeneenheid die daaruit CO2, rendement en rookgasverlies afleidt. Een elektrochemische sensor bevat chemische bestanddelen die een kleine elektrische stroom genereren zodra ze in contact komen met het gas waarvoor de sensor is gemaakt. Die stroom is de basis voor de weergegeven meetwaarde. #### De nulmeting: waarom hij in schone lucht gebeurt Na het inschakelen nult een analyser zijn sensoren automatisch (bij de testo 300 duurt dat ongeveer 30 seconden), en de sonde moet daarbij in frisse lucht zijn, tenzij het instrument een optie heeft om in het rookgas te nullen. Ook de trek- en druksensoren worden dan genuld, en het instrument mag daarbij niet onder druk staan. Nul je in vervuilde lucht, dan neemt de analyser die vervuiling mee als nulpunt, en meet hij daarna structureel te laag. > **Een verkeerde nulmeting maakt elke volgende meting fout** > De nulmeting is geen formaliteit: hij bepaalt het referentiepunt voor alles wat je daarna meet. Nullen in bedompte lucht, uitlaatgassen of nabij een net gebruikt toestel geeft een stelselmatige fout die je pas ziet als de uitkomst niet klopt met wat je verwacht. #### Onderhoud en levensduur van de sensoren Elektrochemische sensoren verouderen door gebruik: de chemische stoffen reageren met het gas waarvoor ze gemaakt zijn en slijten daardoor. Bij een CO-sensor gebeurt dat vrijwel uitsluitend tijdens metingen, omdat CO niet van nature in de omgevingslucht voorkomt: veel korte testmetingen en metingen bij hoge concentraties (een sterk vervuild toestel) verkorten de levensduur extra. Sensoren zijn ook gevoelig voor stofdeeltjes, roet en vocht (vandaar het filter in de sonde) en voor extreme temperatuur of grote temperatuurwisselingen (laat een analyser dus niet bij vorst of hitte in de auto liggen). De levensduur van een zuurstofsensor loopt sterk uiteen en is geen algemene garantieduur: een sensor van betere kwaliteit (bijvoorbeeld een ECO-sensor, andere meettechniek) kan tot ongeveer 7 jaar meegaan, een goedkope sensor nog geen jaar. Leveranciers adviseren de analyser jaarlijks op te sturen voor onderhoud en kalibratie, waarbij filters worden vervangen en de veroudering van de sensoren wordt gemeten. Leeg de condensopvang handmatig na elke meting: opgehoopt condensaat kan de sensoren beschadigen en de doorstroming belemmeren. | Onderdeel | Wat kan misgaan | Wat je doet | |---|---|---| | Filter in de sonde | Verzadigd met roet of vocht | Vervangen volgens fabrikantschema | | Condensopvang | Vol, condensaat bereikt de sensoren | Na elke meting legen | | CO-sensor | Verouderd door veel of hoge blootstelling | Jaarlijkse controle, vervangen bij afwijking | | O2-sensor | Verouderd door tijdsverloop | Jaarlijkse controle, levensduur 1 tot 7 jaar | > **Verdieping: waarom toont een analyser ook "CO onverdund"?** > Sommige analysers, zoals de testo 300, tonen naast de gemeten waarde ook "CO onverdund": de luchtvrije waarde, berekend uit de gemeten O2 of gemeten met een meergatssonde. Dat is een functie van het instrument, geen wettelijke maatstaf: de Nederlandse grenzen van 50, 200 en 400 ppm worden getoetst aan de gewone aflezing, niet aan deze berekende waarde (zie [les 10.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-rookgasmeting-uitvoeren-en-beoordelen/)). #### Wat je meeneemt Een rookgasanalyser is pas zo goed als zijn voorbereiding: een schone, correcte nulmeting, een filter en condensopvang die hun werk kunnen doen, en sensoren waarvan je de leeftijd en kalibratiestatus kent. **Controleer jezelf:** - Ik nul de analyser altijd in frisse, schone lucht, niet bij een net gebruikt toestel - Ik controleer en leeg de condensopvang na elke meting - Ik weet dat een CO-sensor vooral veroudert door blootstelling tijdens metingen, niet alleen door tijdsverloop - Ik laat de analyser jaarlijks onderhouden en kalibreren, met vervanging van filters en verouderde sensoren - Ik weet dat "CO onverdund" een instrumentfunctie is, geen wettelijke maatstaf ### Les 10.4: Een rookgasmeting uitvoeren en beoordelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-rookgasmeting-uitvoeren-en-beoordelen/ **Leerdoel:** Je kunt een rookgasmeting uitvoeren volgens de voorgeschreven procedure en de waarden beoordelen, ook als het antwoord op luchtvrij of afgelezen onzeker is. #### De procedure, stap voor stap BRL K25000 bijlage V geeft een vaste volgorde. Eerst controleer je dat er geen CO in de opstelruimte aanwezig is, dan schakel je de meter in en wacht je tot hij gereed is. De meting zelf gebeurt op vollast, en de precieze plek van de sonde hangt af van het toesteltype: - **Open, afvoerloos toestel**: in de rookgasstroom, zo kort mogelijk aan de uitstroomzijde, ongeveer 10 cm van de warmtewisselaar. - **Open, afvoergebonden toestel met trekonderbreker**: in de trekonderbreker, zo dicht mogelijk bij de warme kant van het toestel, vóór de plek waar lucht wordt bijgemengd. - **Open, afvoergebonden toestel zonder trekonderbreker**: op een aanwezig meetpunt in de rookgasafvoer. - **Gesloten toestel**: op de aanwezige meetpunten in het toestel, de rookgasadapter of een meetpunt in de afvoer, met een gesloten luchtkast. Bij elke stap wacht je tot de meting stabiel is, en herhaal je haar op deellast als de fabrikant dat voorschrijft. Bij een gesloten toestel voer je aan het einde nog een extra meting op vollast uit: die controleert of de instelling tijdens de deellastmeting niet is verschoven. > **Meet vóór de bijmenging, niet erna** > Een trekonderbreker mengt omgevingslucht bij het rookgas. Meet je erna, dan verdun je de meting: je ziet een te lage CO- en te hoge O2-waarde, zonder dat de verbranding zelf is veranderd. De sonde hoort daarom aan de warme kant, vóór de bijmenging. Elke meetwaarde lees je af, noteer je, en bewaar je in het projectdossier. Daarna controleer je of de waarde binnen de grens van de fabrikant blijft; ontbreekt die grens, dan geldt de wettelijke tabel van 50, 200 en 400 ppm naar toesteltype. #### Luchtvrij of afgelezen: wat er wel en niet is gevonden De belangrijkste vraag bij het beoordelen van een CO-meting is of de grenzen van 50, 200 en 400 ppm luchtvrij zijn (gecorrigeerd voor zuurstofovermaat) of zoals afgelezen op het instrument. Voor deze cursus is dat rechtstreeks in de bronnen nagezocht: - De letterlijke wettekst (Omgevingsregeling art. 3.46 sub c) zegt alleen dat de concentratie CO "in de verbrandingsgassen" is "gemeten" en niet hoger mag zijn dan de genoemde waarde. Er staat geen correctie voor zuurstofovermaat en geen zuurstofreferentie. - BRL 6000-25 zegt bij dezelfde tabel letterlijk: "De op het meetinstrument aangegeven waarde is leidend." - Het meetprotocol van BRL K25000 laat je de waarde aflezen, herhalen op vol- en deellast, en vergelijken met de grens, zonder een stap om te corrigeren voor het gemeten zuurstofpercentage. Dat is het sterkste bewijs dat in dit onderzoek is gevonden voor "zoals afgelezen", maar geen enkele bron zegt dat met zoveel woorden. Behandel het daarom als een goed onderbouwde, voorzichtige conclusie, niet als een harde regel die je aan een cursist of collega als vaststaand feit kunt presenteren. Het begrip "CO luchtvrij" bestaat wel, als rekenmethode: CO(luchtvrij) = CO(gemeten) × luchtfactor, waarbij de luchtfactor de verhouding is tussen de werkelijk toegevoerde en de theoretisch benodigde lucht. Sommige analysers tonen dit als "CO onverdund" (zie [les 10.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-rookgasanalyser-opbouw-nulmeting-en-onderhoud/)). In de Verenigde Staten hanteert de norm ANSI Z21 voor sommige toestelcategorieën expliciet luchtvrije grenzen tussen 200 en 800 ppm: dat is een Amerikaanse regel, geen Nederlandse. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel verschil maakt de correctie | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Gemeten CO | 60 ppm | Aflezing op de analyser | | Gemeten O2 | 5,26% | Aflezing op de analyser, hoort bij lambda 1,3 (G20) | | Luchtvrije CO (rekenmethode) | 60 × 21 / (21 - 5,26) ≈ 80 ppm | Alleen als rekenmethode, niet de toetsing volgens het schema | Bij een grens van 200 ppm (open, afvoergebonden toestel) maakt dit verschil in dit voorbeeld niets uit: zowel 60 als 80 ppm ligt daar ruim onder. Bij een meetwaarde die dichter bij de grens ligt, kan het verschil tussen wel of niet corrigeren wél de doorslag geven: dat is precies waarom deze vraag ertoe doet, en waarom je hem niet als "toch wel ongeveer hetzelfde" mag afdoen. > **Boven de grens: niet in bedrijf stellen** > Zonder fabrikantgrens mag je een gasverbrandingsinstallatie niet in bedrijf stellen als de gemeten CO-concentratie in het rookgas de wettelijke grens (50, 200 of 400 ppm naar toesteltype) overschrijdt: zoek dan de oorzaak, in plaats van de meting te herhalen tot er een gunstiger getal uitkomt. > **Verdieping: waarom bevestigt niemand dit met zoveel woorden?** > Een certificatieschema en een wet zijn geschreven om een procedure voor te schrijven, niet om een technisch debat te beslechten. Dat de wet "gemeten" zegt zonder correctie, en dat het schema de aflezing "leidend" noemt, is voor de opstellers misschien zo vanzelfsprekend dat een expliciete uitspraak overbodig leek. Voor een leerling is dat onbevredigend, maar wel de eerlijke stand van de bronnen. #### Wat je meeneemt Volg de procedure precies, meet op de juiste plek, en beoordeel de uitkomst tegen de aflezing, niet tegen een zelf berekende luchtvrije waarde, tot een bron dat expliciet anders zegt. **Controleer jezelf:** - Ik meet op de juiste plek voor het toesteltype (vóór de trekonderbreker, in de sonde-opening, of op het meetpunt in de afvoer) - Ik wacht tot de meting stabiel is en herhaal op deellast als de fabrikant dat voorschrijft - Ik noteer en bewaar elke meetwaarde in het projectdossier - Ik weet dat "zoals afgelezen" de best onderbouwde, maar niet expliciet bevestigde conclusie is over de CO-grenzen - Ik verwar de rekenmethode "CO luchtvrij" niet met de wettelijke toetsing ### Les 10.5: CO in de opstellingsruimte meten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/co-in-de-opstellingsruimte-meten/ **Leerdoel:** Je kunt CO in de opstellingsruimte meten, voor en na de werkzaamheden, en weet welke actie bij welke uitkomst hoort. #### Twee verplichte metingen, niet één keuzemoment In de opstellingsruimte van een gasverbrandingstoestel meet je CO op twee vaste momenten: voordat je begint (om de startsituatie vast te leggen) en na de werkzaamheden, voordat je het toestel weer in bedrijf stelt (om te bewijzen dat het na jouw ingreep veilig is). Dit zijn twee afzonderlijke, verplichte metingen op hetzelfde toestel, geen keuzemomenten en geen dubbele controle van dezelfde uitkomst. De meting gebeurt op ongeveer 1,7 meter hoogte en op ongeveer 1 meter afstand van het toestel. Voorbeelden van een opstellingsruimte zijn een woonkamer, cv-kast, douche of collectieve ruimte. #### De driestapsregel | Gemeten CO | Handeling | |---|---| | 0 tot minder dan 5 ppm | Geen bezwaar om (opnieuw) in bedrijf te stellen: veilig om te gebruiken | | 5 tot 20 ppm | Nader onderzoek naar de oorzaak, wegnemen, melden aan de opdrachtgever | | 20 ppm of meer | Onverwijld en schriftelijk melden aan bewoner of gebruiker, eigenaar, bevoegd gezag en certificerende instelling | > **De op het meetinstrument aangegeven waarde is leidend** > Ook voor de CO-meting in de opstellingsruimte geldt dat de aflezing op je instrument bepalend is: er is geen correctie of herrekening voorgeschreven. Dezelfde formulering staat zowel bij de rookgasmeting als bij de ruimtemeting in het certificatieschema (zie [les 10.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-rookgasmeting-uitvoeren-en-beoordelen/)). Na werkzaamheden aan het toestel mag je het pas weer in bedrijf stellen nadat de CO-concentratie in de opstellingsruimte lager is dan 5 ppm, en het toestel naar jouw professionele oordeel veilig is en aan de eisen van de wet voldoet. Bij een concentratie van 5 ppm of meer volg je de tabel hierboven. #### Rekenvoorbeeld: twee metingen op één werkbon | Moment | Gemeten CO | Handeling | |---|---|---| | Voor het werk | 8 ppm | Nader onderzoek: oorzaak (bijvoorbeeld een verstopt luchtinlaatfilter) opsporen en wegnemen, opdrachtgever informeren | | Na het werk (filter vervangen) | 2 ppm | Onder 5 ppm: toestel mag weer in bedrijf worden gesteld | Zonder de meting vooraf zou je nooit hebben geweten dat er al voor je aankomst iets mis was: de meting na het werk bewijst dan alleen dat je eigen ingreep geen nieuw probleem heeft veroorzaakt, niet dat de situatie al die tijd veilig was. > **Boven 20 ppm: melden, niet zelf oplossen en stilhouden** > Bij 20 ppm of meer meld je dat onverwijld aan bewoner of gebruiker, eigenaar, bevoegd gezag en certificerende instelling: dat is een wettelijke plicht (art. 6.46 Bbl), geen keuze die je kunt overslaan omdat je de oorzaak zelf al denkt te hebben opgelost. Bij acuut gevaar of een ernstig vergiftigde bewoner bel je altijd 112, zie [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/). > **Verdieping: waarom is 1,7 meter en 1 meter geen willekeurige keuze?** > Op ademhoogte (rond 1,7 meter) en op een meter afstand van het toestel meet je ongeveer waar een volwassene in die ruimte ademt, niet direct in een eventuele pluim vlak bij het toestel en niet vlak bij de vloer waar zwaardere gassen zich kunnen verzamelen. Het is geen vervanging voor het meten in de rookgasstroom zelf (les 10.4): dit is de blootstelling van de mens in de ruimte, niet de kwaliteit van de verbranding. #### Wat je meeneemt Twee metingen, dezelfde plek en hoogte, en een vaste tabel met acties: dat is de kern van CO-in-de-ruimte. Het is de meting die het dichtst bij de bewoner staat, dus de meting waar geen kortere weg voor bestaat. **Controleer jezelf:** - Ik meet CO in de opstellingsruimte zowel voor als na de werkzaamheden - Ik meet op ongeveer 1,7 meter hoogte en 1 meter afstand van het toestel - Ik pas de driestapsregel (onder 5, 5 tot 20, 20 of meer ppm) correct toe - Ik weet dat de melding boven 20 ppm een wettelijke plicht is, geen eigen afweging - Ik stel een toestel na werkzaamheden pas weer in bedrijf onder 5 ppm en na een eigen veiligheidsoordeel ### Les 10.6: Water, temperatuur en elektra meten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/water-temperatuur-en-elektra-meten/ **Leerdoel:** Je kunt druk, temperatuur, debiet en elektrische waarden meten en de resultaten aan de installatie koppelen. #### Waterdruk: één manometer, twee momenten De waterdruk in het cv-circuit lees je af op de manometer van het toestel (of een losse manometer op de vulkraan). De vuldruk moet minimaal ongeveer 0,8 bar zijn en minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het expansievat blijven; het toegestane bereik en de exacte manier van vullen en ontluchten verschillen per merk (zie de fabrikanthandleiding van het toestel). Meet en noteer de druk in rust (voor het werk) en na het vullen en ontluchten: een druk die na het ontluchten wegzakt, wijst op een lek of onvoldoende ontluchting, geen meetfout. #### Temperatuur: contact of infrarood, en waarom dat verschil maakt Voor de aanvoer- en retourtemperatuur van het cv-water zijn er twee gangbare instrumenten: - **Contactthermometer met klemveer**: klem je rechtstreeks om de leiding, geeft snel een betrouwbare waarde zonder de installatie te openen. - **Infraroodthermometer**: meet contactloos, snel, maar gevoelig voor het oppervlak. De standaardinstelling van een eenvoudige infraroodthermometer gaat uit van een emissiefactor van 0,95, geschikt voor een dof, mat oppervlak. > **Blank koper geeft een infraroodmeter een verkeerd antwoord** > Glimmend metaal zoals blank koper of messing heeft een lage emissiefactor (koper ongeveer 0,02 tot 0,07): het straalt zijn eigen temperatuur nauwelijks uit en reflecteert vooral de omgeving. Meet je zonder correctie op blank koperleidingwerk, dan kan de infraroodmeter een temperatuur tonen die dichter bij de omgevingstemperatuur ligt dan bij de werkelijke leidingtemperatuur. Gebruik een contactthermometer, of plak een stukje matte tape op de leiding als vast meetpunt voor de infraroodmeter. Voor een temperatuursensor (NTC) in het toestel zelf geldt een ander principe: de weerstand daalt als de temperatuur stijgt. Een voorbeeldtabel van een Bosch Condens 7800i W geeft 33.404 ohm bij 0 graden, 10.115 ohm bij 25 graden, 3.624 ohm bij 50 graden, 1.260 ohm bij 80 graden en 918,3 ohm bij 90 graden (per merk en model verschillend). Met een multimeter op de ohm-stand en de tabel van het betreffende toestel kun je zo'n voeler controleren zonder te demonteren: een weerstand die niet daalt bij opwarmen, of een oneindige weerstand (open) of 0 ohm (kortsluiting), wijst op een defecte voeler. #### Debiet: uit temperatuur en vermogen Het debiet door een cv-circuit volgt uit het vermogen en het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour (delta T): debiet (l/h) = vermogen (W) / (1,163 × delta T). | Vermogen | Delta T | Debiet | |---|---|---| | 20 kW | 20 K | 20.000 / (1,163 × 20) ≈ 860 l/h | | 20 kW | 30 K | 20.000 / (1,163 × 30) ≈ 573 l/h | Een lager debiet bij hetzelfde vermogen betekent een groter temperatuurverschil, en dat wijst op een grotere delta T-instelling of, onbedoeld, op een te lage pompopvoer of een verstopping. #### Elektrische metingen: wat je meet, en wat je eerst doet BRL 6000-25 noemt bij het onderhoud van een gasverbrandingstoestel als elektrische controles: netspanning, controle van de aarde en ventilatorspanning. Voor je met een multimeter aan een cv-ketel meet: maak het onderdeel spanningsloos, schakel alle voedingen alpolig uit en beveilig tegen herinschakelen, en toon met een tweepolige spanningsaanwijzer aan dat het echt spanningsloos is, niet met een eenpolige spanningszoeker (de volledige NEN 3140-procedure staat in de Cursus Elektrotechniek). Continuïteitsmeting (doorgang), weerstand en spanning zijn de drie basismetingen van een multimeter die je bij een cv-ketel het meest gebruikt: voor een NTC-voeler, een thermokoppel, een schakelaar of een zekering. > **Spanning meten is iets anders dan spanningsloos aantonen** > Een spanning meten die 0 volt aangeeft, bewijst niet automatisch dat een circuit veilig is: een kapotte meter, een verkeerde instelling of een verkeerde meetstand kan ook 0 volt tonen terwijl er wél spanning staat. Toon spanningsloosheid aan met een daarvoor bedoeld, direct voor en na gebruik gecontroleerd instrument, niet met een gewone multimeter op gevoel. > **Verdieping: waarom niet gewoon altijd een infraroodmeter gebruiken?** > Een infraroodmeter is sneller en contactloos, wat aantrekkelijk lijkt voor een korte controle. Maar de emissiefactor van het oppervlak bepaalt de nauwkeurigheid, en cv-leidingwerk is vaak van blank koper: precies het materiaal waar een infraroodmeter het meest kan afwijken. Een contactthermometer is trager om te plaatsen, maar onafhankelijk van de kleur of glans van het oppervlak. #### Wat je meeneemt Water, temperatuur en elektra zijn de metingen die je het vaakst doet, juist omdat ze zo gewoon aanvoelen: een manometer, een thermometer, een multimeter. De risico's zitten in de details: welk instrument bij welk oppervlak, en spanningsloos maken vóór je meet, niet erna. **Controleer jezelf:** - Ik meet de waterdruk zowel voor het werk als na het vullen en ontluchten - Ik gebruik een contactthermometer of een matte tape op blank koper, niet zomaar een infraroodmeter zonder correctie - Ik kan een NTC-voeler met een multimeter controleren aan de hand van de weerstandstabel van het toestel - Ik kan het debiet uit vermogen en delta T berekenen - Ik maak een onderdeel spanningsloos en toon dat aan met een tweepolige spanningsaanwijzer voordat ik eraan werk ## Module 11: Ontwerpen en dimensioneren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/ontwerpen-en-dimensioneren/ Hoe je van de warmtebehoefte van een woning komt tot een passende installatie: warmteverlies, ketelvermogen, leidingen, pomp, expansievat en afvoer. Ontwerpen is kiezen op basis van berekening, niet op gevoel. **Na deze module kun je:** - Het warmteverlies van een vertrek en een woning berekenen - Het ketelvermogen kiezen, inclusief tapwater - Leidingen dimensioneren op debiet, stroomsnelheid en drukverlies - Pomp en expansievat kiezen op basis van berekening - Controleren of afvoer en luchttoevoer binnen de toegestane lengte blijven - Een compleet ontwerp uitwerken en onderbouwen ### Les 11.1: Warmteverlies berekenen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/warmteverlies-berekenen/ **Leerdoel:** Je kunt het warmteverlies van een vertrek en een woning berekenen met een erkende methode en de uitkomst beoordelen. #### Waarom je eerst rekent, en niet schat Elke keuze in deze module, van ketelvermogen tot leidingdiameter, begint bij een getal: het warmteverlies van de woning bij een koude dag. Kies je een ketel of een leiding op gevoel of op de oude installatie, dan weet je niet of de nieuwe keuze klopt. Het echte examen Vakmanschap CO weegt dit zwaar: "ontwerpen en beoordelen van de opstellingsruimte" is een van de negen onderwerpen van de toetsmatrijs, met 7 tot 9 vragen op een totaal van 30 tot 55. De oude Nederlandse norm voor deze berekening, NEN 5066, is in 2004 ingetrokken en vervangen door de Europese norm NEN-EN 12831. Voor de praktijk werkt de installatiebranche met ISSO-publicaties die deze Europese norm uitwerken tot een bruikbare rekenmethode, met tabellen en vuistregels. | Publicatie | Voor welk gebouw | |---|---| | ISSO 51 | Woningen en woongebouwen | | ISSO 53 | Utiliteitsgebouwen met een vertrekhoogte tot 4 m | | ISSO 57 | Gebouwen met hogere ruimten (industrie, hoge utiliteit), snelle schatting op basis van de hele gebouwschil | Voor een woning gebruik je dus ISSO 51. Deze les laat de hoofdlijn van die methode zien, niet de volledige norm: die staat achter een betaalmuur en gaat verder dan wat een monteur dagelijks nodig heeft. #### Drie onderdelen die je optelt Alle drie de ISSO-publicaties bouwen het warmteverlies op uit dezelfde bouwstenen: - **Transmissieverlies**: warmte die door de gebouwschil (gevel, dak, vloer, glas) naar buiten lekt. - **Ventilatieverlies**: warmte die verloren gaat aan de lucht die je ruimte in en uit gaat, via ventilatie of kierdichting. - **Opwarmtoeslag**: extra vermogen om een ruimte na nachtverlaging of een onderbreking weer snel op temperatuur te krijgen. ISSO 51 baseert die toeslag alleen op het gebruiksoppervlak, niet op de isolatie. > **Warmteverlies is transmissie plus ventilatie, niet transmissie alleen** > Een veelgemaakte fout is alleen de gevel, het dak en het glas doorrekenen en de ventilatie vergeten. In een goed geïsoleerde nieuwbouwwoning kan het ventilatieverlies groter zijn dan het transmissieverlies: zie het rekenvoorbeeld hieronder. #### Rc, U en de isolatie-eisen van vandaag De Rc-waarde is de warmteweerstand van de constructie zelf, zonder de overgangsweerstanden aan binnen- en buitenzijde. De warmtedoorgangscoëfficiënt U, die je nodig hebt voor het transmissieverlies, is bij benadering het omgekeerde: U ongeveer 1 / Rc. Dat overschat U licht, omdat de overgangsweerstanden (samen ongeveer 0,17 m2K/W) erbij zouden moeten, maar bij een moderne Rc van 3,7 tot 6,3 is die afwijking klein genoeg voor een schatting. Voor nieuwbouw stelt het Bbl (artikel 4.152) een minimale gemiddelde Rc van 4,7 m2K/W voor de gevel, 6,3 m2K/W voor het dak en 3,7 m2K/W voor de vloer. Voor bestaande bouw ligt de werkelijke Rc vaak veel lager en verschilt hij sterk per bouwjaar: gebruik daarvoor de waarde uit een energielabel of opname, niet een schatting. #### Ontwerptemperaturen: binnen en buiten ISSO 51 rekent met een vaste ontwerpbuitentemperatuur van ongeveer -10 °C (gecorrigeerd voor de tijdconstante van het gebouw) en een ontwerpbinnentemperatuur van 22 °C voor verblijfsgebieden in goed geïsoleerde woningen (voorheen 20 °C). Dat geeft voor de meeste woningen een ontwerp-ΔT van ongeveer 32 K. #### Ventilatieverlies: de formule en de wettelijke eis Voor lucht geldt een formule die eruitziet als de debietformule van module 2 en 3, maar met een andere constante omdat lucht een andere warmte-inhoud heeft dan water: Φ_ventilatie = 0,34 x qv x ΔT met qv het ventilatiedebiet in m3/h en ΔT in K. De constante 0,34 Wh/(m3K) is de warmte-inhoud van lucht (dichtheid ongeveer 1,2 kg/m3 x soortelijke warmte ongeveer 1012 J/(kg K), omgerekend). Het benodigde ventilatiedebiet volgt uit het Bbl: minstens 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte voor een verblijfsgebied en 0,7 dm3/s per m2 voor een verblijfsruimte, met in beide gevallen een minimum van 7 dm3/s. Voor een kookopstelplaats geldt een aparte eis van minstens 21 dm3/s, voor een toiletruimte 7 dm3/s en voor een badruimte 14 dm3/s. #### Rekenvoorbeeld: warmteverlies van een woonkamer Een woonkamer op de begane grond is 5 bij 4 m (20 m2 vloeroppervlak), met één buitengevel van 5 x 2,6 m (13 m2), waarvan 3 m2 raam. De vloer ligt boven een kruipruimte; de correctie daarvoor laten we hier voor de eenvoud buiten beschouwing (aanname). Gevel-Rc is 4,7 m2K/W (Bbl-nieuwbouw), het glas heeft een U-waarde van 1,1 W/(m2K) (voorbeeld, HR++). Binnen 22 °C, buiten -10 °C. | Stap | Berekening | Resultaat | |---|---|---| | U-waarde gevel | 1 / 4,7 | 0,213 W/(m2K) | | Transmissie gevel (opaak, 10 m2) | 10 x 0,213 x 32 | 68 W | | Transmissie glas (3 m2) | 3 x 1,1 x 32 | 106 W | | Ventilatiedebiet (Bbl, 20 m2 x 0,9 dm3/s) | 20 x 0,9 = 18 dm3/s | 64,8 m3/h | | Ventilatieverlies | 0,34 x 64,8 x 32 | 705 W | | Totaal (zonder opwarmtoeslag) | 68 + 106 + 705 | 879 W | Voor deze ene ruimte, zonder de vloer en zonder opwarmtoeslag, komt de warmtevraag al op bijna 0,9 kW, en het ventilatieverlies is daarvan het grootste deel. Voor de hele woning tel je dit per vertrek op. > **Verdieping: waarom ventilatieverlies relatief zo groot kan zijn** > Een goed geïsoleerde gevel laat weinig warmte door: de U-waarde is klein. De hoeveelheid ventilatielucht die het Bbl eist, staat daar los van, want die is gekoppeld aan het vloeroppervlak, niet aan de isolatie. Daardoor verschuift het aandeel van het totale verlies steeds meer naar de ventilatie naarmate een woning beter geïsoleerd is. Dat is ook een reden waarom warmteterugwinning uit ventilatielucht (WTW) in nieuwbouw zo veel oplevert. #### Wat je met de uitkomst doet Het warmteverlies per vertrek gebruik je in les 11.2 om het ketelvermogen te kiezen, en in les 14 (bouwjaartabel, module 14) als je het bestaande radiatorvermogen niet kent. Een volledige ISSO 51-berekening telt alle vertrekken op en houdt ook rekening met details die dit voorbeeld vereenvoudigt: koudebruggen, de opwarmtoeslag en de precieze correctie voor onverwarmde ruimten. Voor het examen en voor een eerste schatting is deze hoofdlijn voldoende; voor een officiële berekening gebruik je de volledige publicatie of rekensoftware. **Controleer jezelf:** - Ik weet welke ISSO-publicatie bij welk type gebouw hoort - Ik kan transmissieverlies berekenen met oppervlak, U-waarde (uit Rc) en ΔT - Ik kan ventilatieverlies berekenen met de Bbl-eis en de 0,34-formule - Ik reken met de juiste ontwerptemperaturen (22 °C binnen, -10 °C buiten), niet met een schatting - Ik weet dat ventilatieverlies in goed geïsoleerde nieuwbouw net zo belangrijk kan zijn als transmissieverlies ### Les 11.2: Het ketelvermogen kiezen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-ketelvermogen-kiezen/ **Leerdoel:** Je kunt het benodigde vermogen voor verwarming en tapwater bepalen en daar een passende ketel bij kiezen. #### Twee vragen, twee getallen Een cv-ketel moet twee dingen kunnen: de woning verwarmen en, bij een combiketel, warm tapwater leveren. Dat zijn twee onafhankelijke keuzes. Het cv-vermogen volgt uit het warmteverlies van les 11.1. Het tapwatervermogen volgt uit de CW-klasse of het gevraagde debiet in liter per minuut, en heeft niets met het cv-vermogen te maken: een combiketel geeft bij tapwatervraag voorrang aan het tapwater, niet aan verwarming. #### Waarom groter niet beter is Een installateur die twijfelt, kiest vaak voor een ruimer ketelvermogen "voor de zekerheid". Dat werkt averechts. Een cv-ketel heeft een modulatiebereik: een minimum- en een maximumvermogen waarbinnen hij stabiel kan doorbranden. Onder dat minimum kan hij niet blijven branden en schakelt hij aan en uit: pendelen (ook wel taktend bedrijf). Uit module 3 weet je al: de Remeha Calenta 25s heeft een modulatiebereik van 5,2 tot 25,0 kW, ongeveer 1 op 4,8. Vraagt de woning bij een bepaalde buitentemperatuur maar 3 kW, dan ligt dat onder het minimum van 5,2 kW: de ketel kan niet zo laag doorbranden en gaat aan- en uitschakelen. > **Het minimum is net zo belangrijk als het maximum** > Bij het kiezen van een ketel kijk je niet alleen of het maximale vermogen de koudste dag aankan, maar ook of het minimale vermogen laag genoeg is voor een milde dag. Een ketel die "groot genoeg" is voor de ontwerpdag, kan in het voor- en najaar toch pendelen als de warmtevraag onder zijn minimum zakt. Pendelen kost twee dingen: het rendement daalt (elke start en stop kost extra gas en tijd) en de slijtage aan brander, ventilator en pomp neemt toe. Een cv-ketel heeft daarom een anti-pendelfunctie die een nieuwe start voor een minimale tijd blokkeert, maar dat verhelpt de oorzaak niet: een te grofmazig modulatiebereik voor de werkelijke warmtevraag. #### Rekenvoorbeeld: past dit modulatiebereik bij deze woning? Een woning heeft volgens een volledige berekening (les 11.1) een warmteverlies van 6,5 kW bij de ontwerpdag (buiten -10 °C, ΔT 32 K). Daar past een Remeha Calenta 25s (5,2 tot 25,0 kW) qua maximum ruim bij. Hoe zit het bij een milde dag van 5 °C buiten (ΔT 17 K)? | Stap | Berekening | Resultaat | |---|---|---| | Warmtevraag bij 5 °C (vereenvoudigd, lineair met ΔT) | 6,5 x (17 / 32) | 3,45 kW | | Minimumvermogen van de gekozen ketel | | 5,2 kW | | Conclusie | 3,45 kW < 5,2 kW | de ketel pendelt bij dit weertype | Deze woning en deze ketel passen dus op de ontwerpdag, maar niet bij milder weer, wat een groot deel van het stookseizoen is. Dit is geen reden om een kleinere ketel te kiezen die de koudste dag niet aankan: het is een reden om te weten dat pendelen bij dit soort weer normaal is voor dit modulatiebereik, en om bij een terugkerende klacht over pendelen eerst te kijken of de warmtevraag structureel onder het minimum van de ketel ligt. Een modulerende zoneregeling kan dat verzachten door de ketel bij een lage vraag van één zone toch op laag vermogen te laten doorbranden in plaats van steeds aan en uit te schakelen. #### Tapwater: de CW-klasse De CW-klasse (CW3 tot en met CW6) is een Nederlandse comfortclassificatie voor de tapwaterprestatie van een combiketel, vastgesteld door Kiwa in het kader van het Gaskeur-keurmerk. Bij een temperatuurstijging naar 60 °C geeft een CW3-ketel minstens 6,0 l/min, CW4 minstens 7,5 l/min, CW5 minstens 9,0 l/min en CW6 minstens 11,0 l/min. | CW-klasse | Debiet bij 60 °C | |---|---| | CW3 | minstens 6,0 l/min | | CW4 | minstens 7,5 l/min | | CW5 | minstens 9,0 l/min | | CW6 | minstens 11,0 l/min | Naast de CW-klasse heeft een tapwatertoestel sinds 2015 ook een Europese energielabel-capaciteitsklasse (van 3XS tot XXL). Die twee systemen bestaan naast elkaar: de CW-klasse gaat over hoeveel water je tegelijk kunt tappen (comfort), de EU-klasse over het energieverbruik van een genormeerd gebruikspatroon over de dag. > **Verdieping: waarom je de CW-klasse niet uit een tabel met "aantal personen" mag aflezen** > Vuistregels als "CW4 voor een gezin van vier" bestaan, maar het werkelijke comfort hangt af van gelijktijdig gebruik: twee douches tegelijk vraagt meer dan één bad na elkaar. Reken bij twijfel het werkelijke gelijktijdige debiet van de kranen in de woning, en vergelijk dat met de l/min-tabel van de klasse of met het specifieke debiet uit de handleiding van de gekozen ketel. #### Wat je vastlegt Leg bij elke ketelkeuze vast: het berekende warmteverlies (les 11.1), het gekozen modulatiebereik en waarom het past (of niet helemaal past, met de reden), en de gekozen CW-klasse of het tapwaterdebiet met de onderbouwing daarvan. **Controleer jezelf:** - Ik bepaal het cv-vermogen uit het berekende warmteverlies, niet uit de oude ketel - Ik controleer niet alleen het maximum, maar ook of het minimumvermogen laag genoeg is voor mild weer - Ik kan uitleggen waarom pendelen het rendement verlaagt en de slijtage verhoogt - Ik kies de CW-klasse of het tapwaterdebiet los van het cv-vermogen - Ik gebruik voor de CW-klasse het werkelijke gelijktijdige debiet, niet alleen een vuistregel over gezinsgrootte ### Les 11.3: Leidingen dimensioneren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/leidingen-dimensioneren/ **Leerdoel:** Je kunt leidingen dimensioneren op debiet, stroomsnelheid en drukverlies. #### Drie stappen van vermogen naar diameter Elke leiding in een cv-installatie moet groot genoeg zijn om het benodigde debiet door te laten, zonder onnodig groot (duur, traag opwarmend) te zijn. De methode kent drie stappen: 1. Bereken het benodigde debiet uit het vermogen van het traject en het ontwerp-ΔT: debiet = vermogen / (1,163 x ΔT), dezelfde formule als in module 2, 3 en 14. 2. Kies met een richtsnelheid de bijpassende binnendiameter. 3. Controleer met de tabel van de fabrikant of het drukverlies per meter bij die diameter en dat debiet binnen de richtwaarde blijft. Past het niet, dan kies je een andere diameter. > **Snelheid is de vuistregel, de fabrikanttabel is de controle** > Je kunt een diameter kiezen op basis van een richtsnelheid, maar het drukverlies per meter (dat de pomp moet overwinnen) hangt ook af van de ruwheid van het materiaal en de exacte fabrikanttabel. Reken de snelheid uit als eerste schatting en controleer daarna in de tabel van het gekozen leidingsysteem. #### Richtwaarden voor snelheid en drukverlies Als vuistregel geldt voor het lineaire drukverlies een bandbreedte van 50 tot 100 Pa per meter leiding. Een hogere waarde geeft een kleinere (goedkopere) leiding, maar meer stroomsnelheid, geluid en pompvermogen. | Leidingtype | Richtsnelheid | |---|---| | Kleine leiding in een verblijfsruimte | 0,4 tot 0,8 m/s | | Middelgrote leiding buiten verblijfsruimten | ongeveer 1,0 tot 1,2 m/s | | Hoofdleiding | tot 1,5 a 2,0 m/s | Hogere snelheden geven meer stromingsgeluid en meer kans op erosie bij bochten en fittingen: in een leiding die door een woonkamer of slaapkamer loopt, houd je de snelheid dus liever aan de lage kant. #### Van buitenmaat naar binnendiameter Koperbuis volgens EN 1057 heeft in de gangbare cv-installatiematen een wanddikte van ongeveer 1,0 mm. | Buitendiameter | Binnendiameter (ongeveer) | |---|---| | 15 mm | 13 mm | | 18 mm | 16 mm | | 22 mm | 20 mm | | 28 mm | 26 mm | #### Rekenvoorbeeld: een hoofdleiding van 12 kW Een hoofdleiding vervoert 12 kW bij een ontwerp-ΔT van 20 K. | Stap | Berekening | Resultaat | |---|---|---| | Benodigd debiet | 12.000 / (1,163 x 20) | 516 l/h | | Debiet in m3/s | 516 / 3600 / 1000 | 1,433 x 10^-4 m3/s | | Doorsnede 15 mm (binnen 13 mm) | π x 0,0065^2 | 1,327 x 10^-4 m2 | | Snelheid bij 15 mm | 1,433 x 10^-4 / 1,327 x 10^-4 | ongeveer 1,08 m/s | | Doorsnede 18 mm (binnen 16 mm) | π x 0,008^2 | 2,011 x 10^-4 m2 | | Snelheid bij 18 mm | 1,433 x 10^-4 / 2,011 x 10^-4 | ongeveer 0,71 m/s | Een 15 mm leiding geeft hier ongeveer 1,08 m/s: dat past nog bij een hoofdleiding buiten verblijfsruimten, maar zit al aan de hoge kant. Loopt deze leiding door een verblijfsruimte, dan is 18 mm met ongeveer 0,71 m/s de comfortabelere keuze. In beide gevallen controleer je vervolgens in de fabrikanttabel of het drukverlies per meter bij dit debiet binnen de 50 tot 100 Pa/m blijft; dat getal hangt af van het gekozen leidingsysteem en materiaal. > **Verdieping: waarom een te lage snelheid ook een nadeel kan zijn** > Een ruimere leiding dan nodig geeft niet alleen een lagere snelheid, maar ook meer waterinhoud: de installatie warmt trager op en koelt trager af, en lucht wordt minder makkelijk meegevoerd naar het ontluchtingspunt. Een leiding hoeft dus niet zo ruim mogelijk te zijn: kies de kleinste diameter die binnen de richtsnelheid en het richtdrukverlies blijft. #### Wat je vastlegt Leg per hoofdtraject vast: het vermogen, het ΔT, het berekende debiet, de gekozen diameter en de gecontroleerde snelheid. Bij een volledig leidingnet (meerdere aftakkingen) doe je dit voor elk traject, van dik naar dun, zoals ook in de fabrikantsoftware gebeurt. **Controleer jezelf:** - Ik bereken het debiet van een traject uit vermogen en ontwerp-ΔT - Ik kies een diameter op basis van een richtsnelheid (0,4 tot 2,0 m/s, afhankelijk van het type leiding) - Ik controleer daarna het drukverlies per meter in de fabrikanttabel (richtwaarde 50 tot 100 Pa/m) - Ik ken de gangbare binnendiameters van 15, 18, 22 en 28 mm koperbuis - Ik weet dat een te ruime leiding ook nadelen heeft: trager opwarmen en lucht die minder goed meegevoerd wordt ### Les 11.4: Pomp en expansievat dimensioneren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/pomp-en-expansievat-dimensioneren/ **Leerdoel:** Je kunt een pomp en een expansievat kiezen op basis van berekening en de keuze onderbouwen. #### De pomp kiezen: hetzelfde werkpunt, nu vooraf bepaald In module 3 (les 3.4) leerde je dat het werkelijke debiet in een installatie het snijpunt is van de pompkarakteristiek (opvoerhoogte tegen debiet) en de installatiekarakteristiek (de drukval van het leidingnet, die met het kwadraat van het debiet groeit). Daar gebruikte je dat principe om een storing te verklaren. Bij het ontwerpen gebruik je het om vooraf een pomp te kiezen: 1. Bepaal het ontwerp-debiet (uit het totale vermogen en de ontwerp-ΔT, zoals in les 11.3). 2. Bepaal de drukval van het volledige leidingnet bij dat debiet, met de kwadratenregel vanaf een bekend of berekend punt. 3. Kies een pomp waarvan de curve bij dat debiet een opvoerhoogte geeft die minstens gelijk is aan die drukval. Bij een elektronisch geregelde pomp verschuift het werkpunt bovendien mee met de warmtevraag: bij een proportionele-drukinstelling daalt de opvoerhoogte als er minder wordt gevraagd (bijvoorbeeld dichte thermostaatkranen), bij een constante-drukinstelling blijft de opvoerhoogte gelijk en verschuift het werkpunt langs die vaste curve. > **Kies de pomp op het net, niet op het typeplaatje van de oude pomp** > Een pomp "die het altijd deed" zegt niets over het nieuwe net: een andere ketel, andere leidingdiameters of een ander afgiftesysteem (bijvoorbeeld vloerverwarming naast radiatoren) veranderen de installatiekarakteristiek. Reken het ontwerp-debiet en de bijbehorende drukval uit en vergelijk die met de curve van de te kiezen pomp. #### Rekenvoorbeeld: controleren of een pomp een net aankan Een leidingnet heeft bij 900 l/h een drukval van 180 mbar (gemeten of berekend uitgangspunt). Het ontwerp-debiet van de installatie is 1100 l/h. Met de kwadratenregel: drukval bij 1100 l/h = 180 x (1100 / 900)^2 = 180 x 1,49 = ongeveer 269 mbar. Stel dat de curve van de gekozen pomp bij 1100 l/h een opvoerhoogte van 300 mbar geeft (uit de pompcurve van de fabrikant). Dat is meer dan de 269 mbar die het net op dat punt vraagt, dus de pomp kan dit debiet leveren: het werkelijke werkpunt ligt zelfs iets boven 1100 l/h, waar de (met het debiet stijgende) netcurve de (dalende) pompcurve weer inhaalt. Geeft de pompcurve bij 1100 l/h juist minder dan 269 mbar, dan halveert de conclusie: dan levert deze pomp in dit net minder dan het gewenste debiet, en is een grotere pomp of een pomp met een steilere curve nodig. #### Het expansievat: dezelfde formules als in module 3, een nieuw voorbeeld De formules uit les 3.3 gebruik je hier om vooraf een vat te kiezen in plaats van een bestaand vat te controleren: - Uitzetting: Ve = installatie-inhoud x uitzettingspercentage (ongeveer 3% voor 10 tot 80 °C) - Voordruk: P0 = P_ST (0,1 bar per meter hoogte) + P_Z (toeslag, minstens 0,2 bar), afgerond naar boven op een veelvoud van 0,5 bar - Vuldruk: P0 + 0,3 bar (Flamco/EN 12828) - Nuttig effect: G = (Pe - P0) / Pe, met absolute drukken (overdruk plus ongeveer 1,0 bar) - Brutoinhoud: V_bruto = (Ve + waterreserve) / G #### Rekenvoorbeeld: een vat voor een installatie van 180 liter Het hoogste punt van de installatie ligt 8 m boven het vat. Aannames: uitzetting 10 tot 80 °C (3%), waterreserve 6 liter (Flamco-advies), einddruk 2,7 bar overdruk (10% onder de openingsdruk van 3 bar van het veiligheidsventiel). | Stap | Berekening | Resultaat | |---|---|---| | Statische druk | 8 x 0,1 | 0,8 bar | | Voordruk (+ 0,2 bar toeslag) | 0,8 + 0,2 = 1,0 | 1,0 bar (al een veelvoud van 0,5) | | Vuldruk | 1,0 + 0,3 | 1,3 bar | | Uitzetting | 180 x 0,03 | 5,4 liter | | Absolute drukken | P0 = 2,0 bar, Pe = 3,7 bar | | | Nuttig effect | (3,7 - 2,0) / 3,7 | 0,46 | | Brutoinhoud | (5,4 + 6) / 0,46 | 24,8 liter | Flamco levert vaten in een reeks standaardmaten (onder meer 8, 12, 18, 25, 35 en 50 liter). Een berekende 24,8 liter rond je naar boven af naar het eerstvolgende vat uit die reeks: hier 25 liter. Andere fabrikanten (Pneumatex, Reflex) hebben een eigen reeks maten. > **Verdieping: waarom je nooit precies op de berekening afrondt** > De berekening geeft een minimum. Rond je naar boven af naar het eerstvolgende beschikbare vat (zoals hierboven), dan houd je marge voor kleine afwijkingen in de werkelijke installatie-inhoud, een iets hogere vuldruk in de praktijk, of een klant die later een radiator toevoegt. Rond je naar onder af "om een maat te besparen", dan loopt de installatie het risico dat het veiligheidsventiel bij opwarmen toch afblaast. #### Wat je vastlegt Leg vast: het ontwerp-debiet en de berekende drukval van het net (met het gebruikte referentiepunt), de gekozen pomp en waarom de curve past, en de volledige expansievatberekening (hoogte, voordruk, vuldruk, uitzetting, nuttig effect, brutoinhoud en het gekozen standaardvat). **Controleer jezelf:** - Ik bereken het ontwerp-debiet en de bijbehorende drukval van het net met de kwadratenregel - Ik kies een pomp waarvan de curve bij het ontwerp-debiet minstens de berekende drukval geeft - Ik weet dat het werkpunt van een elektronische pomp meeverschuift met de warmtevraag - Ik kan met de formules uit module 3 vooraf een expansievat kiezen (voordruk, vuldruk, nuttig effect, brutoinhoud) - Ik rond een berekende vatinhoud naar boven af naar het eerstvolgende standaardvat, niet naar onder ### Les 11.5: Afvoer en luchttoevoer ontwerpen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afvoer-en-luchttoevoer-ontwerpen/ **Leerdoel:** Je kunt controleren of de afvoer en luchttoevoer binnen de toegestane lengte en weerstand van het toestel blijven. #### De optelsom: recht plus vervangend Module 4 en 8 hebben je de toesteltypen, materialen en montagevoorschriften van rookgasafvoer- en luchttoevoersystemen al gegeven. Bij het ontwerpen komt daar één rekenstap bij: controleren of de gekozen route past binnen de maximale lengte die de fabrikant voor dat toestel en die diameter toestaat. Elke bocht of knie in een kanaal kost extra weerstand. Fabrikanten drukken dat uit als een vervangende (equivalente) lengte: hoeveel meter rechte leiding dezelfde weerstand geeft als die bocht. Die vervangende lengte hangt af van de diameter van het kanaal: bij een grotere diameter is de vervangende lengte van een bocht van 90 graden groter. > **Tel de bochten mee als extra meters, niet als een detail** > Een route "lijkt" kort als je alleen de rechte leiding meet. Reken elke bocht om naar zijn vervangende lengte en tel die op bij de rechte lengte, voor je de uitkomst tegen de maximale lengte van de fabrikant controleert. De controle is een optelsom: Totale vervangende lengte = som van de rechte leidingdelen + som van de vervangende lengte van elke bocht Is die uitkomst hoger dan de maximaal toegestane lengte uit de fabrikanttabel, dan is een grotere diameter, een kortere route of minder bochten nodig. > **Een te lang of te veel bochtig kanaal is geen kosmetisch probleem** > Een kanaal dat de maximale (vervangende) lengte overschrijdt, geeft de ventilator van het toestel te veel weerstand. Het toestel kan dan onvoldoende verbrandingslucht krijgen of de rookgassen niet meer volledig afvoeren, met een verhoogd risico op onvolledige verbranding en koolmonoxide. Overschrijd de maximale lengte uit de installatiehandleiding daarom nooit, ook niet "voor deze keer". #### Rekenvoorbeeld: past deze route? Voor een Intergas Kombi Kompakt HRE 24/18 A geldt voor het concentrische systeem met een horizontale geveluitmonding een maximaal toegestane lengte van 100 m (inclusief de dubbelpijpsdoorvoer), voor de HRE 28/24 A 85 m en voor de HRE 36/30 A 80 m. Dit zijn voorbeelden van dit merk en model bij deze diameter: elk toestel, systeem en diameter heeft een eigen tabel, altijd te controleren in de bijbehorende installatiehandleiding. Stel een route van 6 m rechte leiding, twee bochten van 90 graden en één bocht van 45 graden. Neem als voorbeeldwaarden (controleer altijd de tabel van het gekozen systeem): een vervangende lengte van 3,1 m voor een bocht van 90 graden en 1,5 m voor een bocht van 45 graden bij deze diameter. | Onderdeel | Lengte | |---|---| | Rechte leiding | 6,0 m | | 2 x bocht 90 graden (2 x 3,1 m) | 6,2 m | | 1 x bocht 45 graden | 1,5 m | | Totale vervangende lengte | 13,7 m | Bij een maximum van 100, 85 of 80 m (afhankelijk van het model) zit deze route ruim binnen de norm. Bij een lange route met veel bochten, bijvoorbeeld door een schacht met meerdere richtingsveranderingen, kan de optelsom wel dicht bij het maximum komen: dan is deze controle geen formaliteit meer maar de reden om de route aan te passen. > **Verdieping: waarom je niet zomaar "het zal wel passen" mag denken** > Een enkele bocht lijkt weinig voor te stellen, maar de vervangende lengte van een paar bochten samen kan al net zoveel wegen als enkele meters rechte leiding. Bij een grotere diameter is de vervangende lengte van een bocht bovendien groter dan bij een kleine diameter: een grotere diameter geeft dus niet automatisch meer marge voor bochten. #### Wat je vastlegt Leg per project vast: het gekozen toestel, systeem en diameter, de maximaal toegestane lengte uit de handleiding, en de optelsom van rechte en vervangende lengte voor de werkelijk gekozen route. Wijzigt de route later (bijvoorbeeld een extra bocht om een balk te ontwijken), dan reken je de optelsom opnieuw. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat elke bocht een vervangende (equivalente) lengte heeft die met de rechte lengte wordt opgeteld - Ik controleer de opgetelde lengte altijd tegen de maximale lengte uit de handleiding van het specifieke toestel en systeem - Ik weet dat een grotere diameter niet automatisch meer marge voor bochten geeft - Ik overschrijd de maximale toegestane lengte nooit, ook niet bij een kleine overschrijding - Ik reken de optelsom opnieuw als de route later wijzigt ### Les 11.6: Een compleet ontwerp uitwerken URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-compleet-ontwerp-uitwerken/ **Leerdoel:** Je kunt voor een woning een volledig ontwerp uitwerken en elke keuze onderbouwen. #### Eén woning, alle keuzes achter elkaar De vijf vorige lessen behandelden elk onderdeel apart. Bij een echt ontwerp doorloop je ze in dezelfde volgorde en op elkaar aansluitend: het ene onderdeel is de invoer van het volgende. Deze les doet dat voor één voorbeeldwoning, met de methoden uit les 11.1 tot 11.5. > **Een ontwerp is pas compleet als de onderdelen op elkaar aansluiten** > Verander je later één keuze (een andere ketel, een groter vat, een extra bocht in de afvoer), dan controleer je of de rest van het ontwerp nog klopt. De onderdelen bouwen op elkaar voort: het warmteverlies bepaalt het ketelvermogen, het ketelvermogen (met het ΔT) bepaalt het debiet, het debiet bepaalt de leidingdiameters en de pompkeuze, en de installatie-inhoud bepaalt het expansievat. #### Stap 1: warmteverlies (les 11.1) Voor de voorbeeldwoning is met de ISSO 51-methode (transmissie + ventilatie, per vertrek opgeteld) een warmteverlies berekend van **6,2 kW** bij de ontwerpdag (buiten -10 °C, binnen 22 °C, ΔT 32 K). #### Stap 2: ketelvermogen (les 11.2) Bij dit warmteverlies past een Remeha Calenta 25s (modulatiebereik 5,2 tot 25,0 kW, zie module 3) qua maximum ruim. De controle op mild weer: | Situatie | ΔT | Vermogen | |---|---|---| | Ontwerpdag (-10 °C) | 32 K | 6,2 kW | | Milde dag (5 °C) | 17 K | 6,2 x 17/32 = 3,3 kW | 3,3 kW ligt onder het minimum van 5,2 kW: deze ketel gaat in het voor- en najaar pendelen. Dat is met dit modulatiebereik niet te voorkomen zonder een ander toestel of een aanvullende maatregel (bijvoorbeeld modulerende zoneregeling); het ontwerp benoemt dit bewust als bekend gedrag, niet als fout. #### Stap 3: leidingen (les 11.3) De hoofdleiding vervoert het volledige vermogen (6,2 kW) bij een ontwerp-ΔT van 20 K: Debiet = 6200 / (1,163 x 20) = 267 l/h Bij 15 mm koperbuis (binnendiameter 13 mm, doorsnede 1,327 x 10^-4 m2): snelheid = (267 / 3600 / 1000) / 1,327 x 10^-4 = ongeveer 0,56 m/s. Dat past ruim binnen de richtsnelheid voor een leiding in een verblijfsruimte (0,4 tot 0,8 m/s): 15 mm is hier voldoende. #### Stap 4: pomp en expansievat (les 11.4) De pomp wordt gekozen op het ontwerp-debiet (267 l/h) en de berekende drukval van dit leidingnet bij dat debiet (kwadratenregel vanaf een bekend punt, zoals in les 11.4). Voor het expansievat: installatie-inhoud 120 liter, hoogste punt 5 m boven het vat. | Stap | Berekening | Resultaat | |---|---|---| | Statische druk | 5 x 0,1 | 0,5 bar | | Voordruk (+ 0,2 bar, afgerond op 0,5) | 0,5 + 0,2 = 0,7, afgerond | 1,0 bar | | Vuldruk | 1,0 + 0,3 | 1,3 bar | | Uitzetting | 120 x 0,03 | 3,6 liter | | Nuttig effect (P0 2,0 bar, Pe 3,7 bar abs.) | (3,7 - 2,0) / 3,7 | 0,46 | | Brutoinhoud | (3,6 + 6) / 0,46 | 20,9 liter | 20,9 liter rond je naar boven af naar het eerstvolgende Flamco-vat: 25 liter. #### Stap 5: afvoer en luchttoevoer (les 11.5) De route naar de gevel is 4 m recht plus twee bochten van 90 graden (voorbeeldwaarde 3,1 m vervangende lengte per bocht bij deze diameter): Totale vervangende lengte = 4 + (2 x 3,1) = 10,2 m Vergeleken met de maximale lengte van het gekozen toestel (bijvoorbeeld 100 m voor een Intergas HRE 24/18 A bij dit systeem, zie les 11.5) zit dit ruim binnen de norm. #### Stap 6: controleren of het geheel klopt | Onderdeel | Gekozen waarde | Gebaseerd op | |---|---|---| | Warmteverlies | 6,2 kW | les 11.1, ISSO 51 | | Ketel | Calenta 25s, 5,2 tot 25,0 kW | les 11.2, met kennis van het pendelgedrag bij mild weer | | Hoofdleiding | 15 mm (267 l/h, 0,56 m/s) | les 11.3 | | Pomp | gekozen op werkpunt bij 267 l/h | les 11.4 | | Expansievat | 25 liter (berekend 20,9 liter) | les 11.4 | | Afvoer | 10,2 m vervangende lengte, binnen het maximum | les 11.5 | Dit overzicht is wat je in een echt project vastlegt: niet alleen de eindkeuzes, maar ook de tussenstappen en de aannames waarop ze steunen. Zo kan een collega, een keurmerkinstantie of je toekomstige zelf de keuzes navolgen en, als iets in de woning verandert (een uitbouw, een andere ketel, vloerverwarming erbij), precies zien welke stap opnieuw moet worden doorgerekend. > **Verdieping: wat deze cursus niet vervangt** > Deze module leert je de rekenmethode en de samenhang tussen de onderdelen. Een officiële ISSO 51-berekening met alle details (koudebruggen, opwarmtoeslag, exacte correcties) en een berekening die voor een keurmerk of vergunning moet worden ingediend, vraagt de volledige publicatie of erkende software. De cursus geeft geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO: weten waar je eigen bevoegdheid ophoudt en wanneer je een preciezere berekening (of een tweede lezer) nodig hebt, hoort bij vakbekwaamheid. #### Wat je vastlegt Voor elk compleet ontwerp: de zes stappen uit deze les, met per stap het gebruikte getal, de gebruikte formule en de bron of aanname. Dat maakt het ontwerp controleerbaar en herhaalbaar, ook door iemand anders. **Controleer jezelf:** - Ik kan de zes stappen van een compleet ontwerp in de juiste volgorde noemen - Ik zie hoe de uitkomst van elke stap de invoer is van de volgende stap - Ik controleer bij een gewijzigde keuze of de rest van het ontwerp nog klopt - Ik leg per stap het gebruikte getal, de formule en de bron of aanname vast - Ik weet dat een volledige, keurmerkwaardige berekening meer detail vraagt dan deze cursus behandelt ## Module 12: Leidingwerk en verbindingen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/leidingwerk-en-verbindingen/ Het ambacht onder elke installatie: materialen en gereedschap, tekeningen lezen, buis bewerken, solderen, knellen en persen, kunststof en meerlagenbuis, afvoer en het monteren van radiatoren. Goed leidingwerk is de basis van een lekvrije installatie. Een cv-installatie bestaat voor een groot deel uit leidingwerk: van de meterkast naar de ketel, van de ketel naar elke radiator, en van elk tappunt naar de afvoer. Een verbinding die je vandaag maakt, moet jaren later nog dicht zijn, ook als niemand er meer naar kijkt. Dat vraagt vakmanschap: het juiste materiaal voor de toepassing, de juiste voorbereiding van de buis en een verbinding die je zelf kunt controleren voordat je hem wegwerkt. Deze module behandelt het ambacht dat onder elke installatie ligt: materiaalkeuze en veilig werken, tekeningen lezen, buis bewerken, verbindingstechnieken (solderen, knellen, persen), kunststof en meerlagenbuis voor water en gas, PVC-afvoer, en het monteren van radiatoren en cv-leidingwerk. Het beproeven op dichtheid van een gasleiding en het in bedrijf stellen van de installatie komen in module 13: die bouwen voort op het leidingwerk dat je hier leert maken. **Na deze module kun je:** - Materialen en gereedschap kiezen en veilig gebruiken - Installatietekeningen en symbolen lezen - Buis vakkundig meten, snijden, afbramen en buigen - Verbindingen maken door solderen, knellen en persen - Kunststof en meerlagenbuis voor water en gas toepassen - Afvoer- en PVC-systemen verlijmen en monteren - Radiatoren en cv-leidingwerk monteren en afvullen ### Les 12.1: Materialen, gereedschap en veilig werken URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/materialen-gereedschap-en-veilig-werken/ **Leerdoel:** Je kunt de gangbare buismaterialen voor water, cv en gas herkennen en het bijbehorende gereedschap veilig gebruiken, ook bij hete werkzaamheden. #### Welk materiaal voor welke leiding? Een leiding voert water, cv-water of gas. Voor elk van die drie gelden andere eisen, en niet elk materiaal dat er geschikt uitziet, is dat ook. Koperen buis volgens EN 1057 is het meest veelzijdig: met een Kiwa-merk is hij geschikt voor drinkwater, en met een Gastec QA-keur ook voor gas. Stalen draadbuis wordt met schroefdraad verbonden en komt vooral voor bij oudere installaties en gasleidingwerk. Rvs-leidingsystemen zijn een flexibel alternatief voor koper, met een eigen Gastec QA-keur voor gasgeschikte uitvoeringen. Kunststof en meerlagenbuis komen in les 12.5 uitgebreid aan de orde. > **Een keurmerk voor water is geen keurmerk voor gas** > Kiwa geeft voor gasmateriaal eigen Gastec QA-keuringseisen (KE-nummers) uit: onder meer KE 5 voor koperen buis, KE 8 voor PE-buis en KE 198 en KE 212 voor meerlagenbuis. Een product dat voor drinkwater is gekeurd, is daarmee niet automatisch ook voor gas toegelaten. Controleer bij twijfel de eigen gas-keuring van het materiaal, niet alleen het merk op de verpakking. #### Gereedschap: van snijden tot persen Voor het bewerken en verbinden van leidingwerk gebruik je onder meer een pijpsnijder, een buigtang of buigmachine, een ontbramer, een calibrator (voor meerlagenbuis) en, afhankelijk van de verbindingstechniek, soldeergereedschap, een knelmoersleutel of een pers- of knelmachine. Welk gereedschap bij welke buis en fitting past, staat in de voorschriften van de systeemfabrikant: fittingen en buis van verschillende systemen passen niet gegarandeerd op elkaar, ook al lijken de maten hetzelfde. #### Hete werkzaamheden: waarom solderen brandgevaarlijk is Solderen, lassen, snijden en slijpen zijn hete werkzaamheden: er is direct contact tussen vlam, hitte, vonken of gloeiende deeltjes en de omgeving. Dat risico is groter in kleine, moeilijk toegankelijke ruimten zoals een kruipruimte, een spouw of de ruimte tussen plafond en vloer, waar vaak ook brandbaar materiaal (hout, isolatie, stof) aanwezig is. > **Hete werkzaamheden bij een gasleiding of in een kruipruimte** > Verwijder brandbaar materiaal uit de omgeving of scherm het af, houd bij brandbare (vloei)stoffen een minimale afstand van 5 tot 20 meter aan, ventileer of inertiseer bij brandbare gassen, dek kieren en gaten in vloeren, muren en plafonds af tegen vonken, en houd een geschikt blusmiddel binnen handbereik. Controleer de omgeving, ook aangrenzende ruimten, na het werk nog minstens een uur op het ontstaan van brand: een beginnende brand in een verborgen ruimte blijft anders lang onopgemerkt. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel afstand houd je aan? Je gaat een koperen leiding hard solderen op 1,5 meter van een houten kozijn dat met krantenpapier is geïsoleerd (een oude schuurwoning). De richtlijn voor brandgevaarlijke werkzaamheden noemt een minimale afstand van 5 tot 20 meter tot brandbare (vloei)stoffen, of afscherming als je die afstand niet kunt aanhouden. | Situatie | Afstand tot brandbaar materiaal | Conclusie | |---|---|---| | Kozijn op 1,5 m, niet afgeschermd | 1,5 m, ver onder de richtlijn | Niet zo beginnen: eerst afschermen met een lasdeken of het materiaal verwijderen | | Kozijn op 1,5 m, afgeschermd met een lasdeken | Effectief geen blootstelling | Wel beginnen, met blusmiddel binnen handbereik en nacontrole | #### Wat je in de praktijk meeneemt In grotere bedrijven en op locaties met verhoogd risico werkt men met een vergunning voor brandgevaarlijke werkzaamheden: die noemt de datum, de plaats en aard van het werk, de uitvoerder en toezichthouder, de genomen veiligheidsmaatregelen en het resultaat van het onderzoek naar brandbare gassen. Ook zonder een formele vergunning is de kern hetzelfde: inspecteren voor je begint, afschermen of verwijderen wat brandbaar is, blusmiddel bij de hand, en controleren na het werk. **Controleer jezelf:** - Ik controleer of een materiaal voor water, cv of gas de juiste keuring heeft, en niet alleen of het "er geschikt uitziet" - Ik gebruik buis en fitting van hetzelfde systeem en dezelfde fabrikant - Ik scherm brandbaar materiaal af of verwijder het voor ik ga solderen, zeker in een kruipruimte of besloten ruimte - Ik houd na hete werkzaamheden minstens een uur nacontrole op het ontstaan van brand ### Les 12.2: Installatietekeningen en symbolen lezen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/installatietekeningen-en-symbolen-lezen/ **Leerdoel:** Je kunt een installatietekening en de symbolen daarop lezen en er een werkplan uit afleiden. #### Waarom je een tekening moet kunnen lezen voor je een leiding legt Voordat je een leiding legt, staat de route vaak al vastgelegd op een tekening: waar de leiding loopt, welke diameter hij heeft en welke onderdelen erop aangesloten worden. Zonder die tekening te kunnen lezen, werk je op aannames, en een verkeerd aangenomen route kost tijd en materiaal. Er zijn verschillende soorten installatietekeningen, elk met een eigen doel: | Tekeningtype | Wat het toont | |---|---| | Plattegrond | Bovenaanzicht van ruimtes en installaties, waar leidingen en toestellen liggen | | Doorsnede | Verticale routing van installaties door het gebouw (bijvoorbeeld een standleiding door drie verdiepingen) | | Detailtekening | Uitvergroting van een complex aansluitpunt, zoals de aansluiting op de ketel | | Principeschema | Functionele verbindingen tussen componenten (ketel, verdeler, radiatoren), niet de werkelijke maten | | Isometrische tekening | De werkelijke driedimensionale ligging van de leidingen in het gebouw | > **Een principeschema is geen plattegrond** > Een principeschema laat zien hoe onderdelen met elkaar samenhangen (welke leiding waar begint en eindigt, in welke volgorde), maar niet waar dat in het gebouw precies ligt. Voor de werkelijke route en maten gebruik je de plattegrond, de doorsnede of de isometrische tekening. Verwar de twee niet: een principeschema oplossen betekent niet dat je weet waar de leiding fysiek loopt. #### Schaal en symbolen Een tekening staat op schaal: bij 1:50 komt 1 cm op de tekening overeen met 50 cm in werkelijkheid, bij 1:100 met 1 m. Meet je iets op de tekening, reken dan altijd terug naar de werkelijke maat voordat je een leiding afkort. Symbolen zijn per discipline gestandaardiseerd (de precieze symbolen staan in normen zoals NEN-EN ISO 6412-1 voor pijpleidingen, die dit vastlegt maar niet vrij te citeren is) en een legenda op de tekening legt uit wat elk symbool betekent. Ga er niet van uit dat een symbool op elke tekening hetzelfde betekent: controleer de legenda van de tekening die je in handen hebt. #### Praktijkgeval: de tekening klopt niet met de bouwkundige situatie Je krijgt een installatietekening waarop een verdeler op 1,2 meter van de buitenmuur staat ingetekend, maar op de bouwplaats zit daar een dragende kolom. Wat doe je? 1. Controleer of de tekening recent is (een oudere revisie kan afwijken van de huidige bouwkundige situatie). 2. Overleg met de projectleider of installatieverantwoordelijke voordat je de leiding op een andere plek legt: een verplaatsing kan gevolgen hebben voor andere leidingen of voor de berekende leidinglengte. 3. Leg de afwijking en de gekozen oplossing vast (bijvoorbeeld met een foto en een notitie op de tekening), zodat een volgende monteur of de revisietekening klopt met de werkelijke situatie. Een tekening is een hulpmiddel, geen wet van Meden en Perzen: als de bouwkundige werkelijkheid afwijkt, is overleggen en vastleggen belangrijker dan blind de tekening volgen. **Controleer jezelf:** - Ik ken het verschil tussen een plattegrond, een doorsnede, een detailtekening, een principeschema en een isometrische tekening - Ik reken een maat op een tekening altijd terug naar de werkelijke maat aan de hand van de schaal - Ik controleer de legenda van de tekening die ik in handen heb, in plaats van te gokken wat een symbool betekent - Ik leg een afwijking tussen tekening en bouwkundige situatie vast en overleg voor ik zelf een andere route kies ### Les 12.3: Buis bewerken: meten, snijden, afbramen en buigen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/buis-bewerken-meten-snijden-afbramen-en-buigen/ **Leerdoel:** Je kunt buis nauwkeurig meten, snijden, afbramen en buigen zonder de buis te beschadigen. #### Meten en snijden: de basis van elke verbinding Elke verbinding begint met een buis die precies op maat is. Meet de leidingroute op de tekening (les 12.2) of op de bouwplaats, reken de maat van de fitting mee (elke fitting heeft een insteekdiepte, dus de buis moet daar plus zijn), en kort de buis af met een pijpsnijder of een fijne zaag. Een pijpsnijder geeft een rechte, haakse snede; een zaag vraagt meer aandacht om haaks te blijven. #### Afbramen: klein werk met groot effect Na het afkorten laat elke snede een braam achter: een scherpe, opstaande rand aan de binnen- en buitenkant van de buis. Die braam lijkt onschuldig, maar heeft twee gevolgen. Aan de buitenkant verstoort hij een soldeer-, knel- of persverbinding, met een grotere kans op een lek. Aan de binnenkant verstoort hij de doorstroming: het water moet om de braam heen stromen, wat stromingsgeluid geeft en de kans op afzetting (en daarmee ook op legionellagroei bij drinkwater) vergroot. > **Ontbramen doe je aan binnen- en buitenkant, altijd** > Een buis die je niet ontbraamt, ziet er aan de buitenkant misschien prima uit, maar de binnenkant is dan nog steeds ruw. Ontbraam daarom standaard beide kanten, ook als je "toch wel weet dat het meevalt": het is een gewoonte die je bij elke buis toepast, niet een uitzondering voor als het tegenzit. #### Buigen: met de hand of met een machine Voor kleinere diameters koperbuis gebruik je een buigveer (aan binnen- of buitenzijde van de buis) of een handbuigtang met een rol of slede; voor grotere diameters of dikwandige buis, of voor staal en rvs, gebruik je een elektrische of hydraulische buigmachine. Bij elke methode geldt: een te kleine buigradius voor de gebruikte diameter geeft ovalisering (afplatting) of een knik in de bocht, wat de doorstroming vermindert en een zwakke plek in de buis kan geven. Welke buigradius voor welke diameter en welk gereedschap geldt, staat in de gereedschapshandleiding: dat verschilt per fabrikant en model, dus lees die handleiding voor je met een onbekende machine aan de slag gaat. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel buis heb je nodig voor een bocht? Je moet een koperen leiding 90 graden laten buigen met een buigradius van 60 mm (radius tot de buismiddellijn). De lengte van het gebogen deel volgt uit de boogformule: lengte = (hoek / 360) x 2 x pi x radius. | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Buigradius | 60 mm | Radius tot de buismiddellijn, uit de gereedschapshandleiding | | Hoek | 90 graden | Kwart cirkel | | Booglengte | (90/360) x 2 x 3,14 x 60 ≈ 94 mm | Dit stuk buis "verdwijnt" in de bocht | Bestel of kort de buis dus niet te strak af: reken de booglengte van elke bocht mee in de totale benodigde lengte, anders kom je een paar centimeter tekort na het buigen. #### Kalibreren van meerlagenbuis Meerlagenbuis wordt na het afkorten niet alleen ontbraamd maar ook gekalibreerd: een calibrator maakt de buis, die door het afkorten of transport iets uit zijn ronde vorm kan zijn, weer precies rond, zodat een knel- of persfitting er goed omheen sluit. Sommige systemen (zie de handleiding van dat systeem) zijn direct na montage belastbaar zonder aparte kalibreerstap: dat verschilt per fabrikant, dus check dit altijd voor je een stap overslaat. **Controleer jezelf:** - Ik reken de insteekdiepte van de fitting mee bij het meten van de buis - Ik ontbraam elke buis aan binnen- en buitenkant, zonder uitzondering - Ik kies de buigradius volgens de gereedschapshandleiding van de gebruikte machine of tang, niet op gevoel - Ik reken de booglengte van een bocht mee in de totale benodigde buislengte - Ik controleer of een meerlagenbuis gekalibreerd moet worden voor de gebruikte fitting ### Les 12.4: Verbindingstechnieken: solderen, knellen en persen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbindingstechnieken-solderen-knellen-en-persen/ **Leerdoel:** Je kunt een soldeer-, knel- en perverbinding maken en beoordelen of hij goed en lekvrij is. #### Drie technieken, drie toepassingen Koperen buis wordt met drie hoofdtechnieken verbonden: solderen, knellen (een compressiefitting met een knelring) en persen (een fitting die met een pers- of knijptang blijvend om de buis wordt vervormd). Welke techniek waar past, hangt af van het medium (water, cv of gas), de toegankelijkheid (kun je later nog bij de verbinding?) en de voorschriften van de gebruikte fitting. > **Zacht en hard solderen: het smeltpunt maakt het verschil** > Zacht solderen gebruikt soldeer dat onder ongeveer 450 °C smelt (een tin-basis soldeer met een gewone brander); hard solderen (ook brazeren genoemd) gebruikt soldeer dat daarboven smelt en een hogere brandertemperatuur vraagt, vaak zuurstof-acetyleen. Voor een koperen gasleiding wordt hard gesoldeerd; zacht solderen, de gangbare methode voor koperen water- en cv-leidingen, is voor een gasleiding in de installatiepraktijk niet gebruikelijk en wordt afgekeurd. Welke methode een specifieke fitting toestaat, staat op de fitting zelf of in de voorschriften van de fabrikant: controleer dat, in plaats van een vaste regel voor elke fitting aan te nemen. #### Knellen: snel, maar controleerbaar Een knelkoppeling (compressiefitting) klemt bij het aandraaien van de moer een knelring om de buis. Het voordeel is dat je de verbinding zonder vlam maakt en later weer kunt losdraaien; het nadeel is dat een knelkoppeling meer ruimte inneemt dan een soldeer- of persverbinding en dat een te los of te strak aangedraaide moer een lek geeft. Voor koperbuis voor gas valt een knelkoppeling onder een eigen Gastec QA-keur (KE 35); dat is een andere keuring dan voor water of cv. #### Persen: snel en met een ingebouwde controle Bij persen wordt een fitting met een pers- of knijptang blijvend om de buis vervormd, met een rubber afdichtring die de verbinding dicht maakt. Sommige perssystemen (bijvoorbeeld met Viega SC-Contur) hebben een ingebouwde controle: een per ongeluk niet-geperste verbinding lekt zichtbaar tussen 0,1 en 0,65 MPa tijdens het vullen van de installatie, zodat de fout voor ingebruikname wordt ontdekt in plaats van pas tijdens gebruik. > **Insteekdiepte aftekenen, altijd** > Voordat je een pers- of knelfitting op de buis schuift, tekent je de insteekdiepte op het buiseinde af (met een viltstift of aftekenpotlood) en schuif je de buis tot aan die markering. Zo zie je vóór het persen of knellen of de fitting ver genoeg over de buis zit, en na het persen blijft de markering zichtbaar als extra controle. #### Praktijkgeval: een lek na de drukproef Je hebt een cv-leiding met vijf persverbindingen gemaakt en test de installatie met een drukproef. Bij één verbinding zie je water druppelen. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak en wat doe je? 1. Controleer eerst of de insteekdiepte-markering nog op de juiste plek zit: is de fitting niet ver genoeg over de buis geschoven, dan is dat de oorzaak. 2. Is de markering wel goed, controleer dan of de fitting daadwerkelijk geperst is: bij een systeem met SC-Contur lekt een niet-geperste verbinding juist zichtbaar tijdens de drukproef, wat het probleem meteen verklaart. 3. Vervang de afdichtring of de fitting als hij beschadigd is, en test opnieuw voor je de leiding wegwerkt (in het plafond, de vloer of de muur). Dit is precies waarom de drukproef vóór het afwerken gebeurt: een lek die je nu ontdekt, kost een paar minuten om te herstellen; een lek die je pas na het afwerken ontdekt, kost een sloopklus. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel verbindingen op één dag? Een monteur maakt gemiddeld één persverbinding per 3 minuten (inclusief afkorten, ontbramen, aftekenen en persen) en werkt 6 productieve uren per dag. | Grootheid | Waarde | Berekening | |---|---|---| | Beschikbare tijd | 6 uur = 360 minuten | Gegeven | | Tijd per verbinding | 3 minuten | Gegeven | | Aantal verbindingen | 360 / 3 = 120 | Rekenkundig maximum, zonder rekening te houden met onderbrekingen of controles | Dit is een theoretisch maximum: in de praktijk kost een moeilijk bereikbare verbinding, een controle of een correctie meer tijd, dus reken in een planning niet met dit maximum als gemiddelde. **Controleer jezelf:** - Ik weet welke techniek (solderen, knellen, persen) past bij het medium en de fitting die ik gebruik - Ik teken de insteekdiepte van een pers- of knelfitting altijd af voor ik de buis insteek - Ik controleer een pers- of knelverbinding op een lek voor ik hem wegwerk, niet erna - Ik gebruik voor een gasleiding alleen materiaal en een verbindingstechniek die daarvoor is toegelaten ### Les 12.5: Kunststof en meerlagenbuis voor water en gas URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/kunststof-en-meerlagenbuis-voor-water-en-gas/ **Leerdoel:** Je kunt kunststof en meerlagenbuis voor water en gas toepassen, verbinden en afmonteren volgens de fabrikantvoorschriften. #### Wat een meerlagenbuis is en waarom hij zo populair is Een meerlagenbuis (ook alupex of composietbuis genoemd) bestaat uit een kunststof binnenlaag, een aluminium kernlaag en een kunststof buitenlaag. De aluminium laag maakt de buis vormvast, voorkomt zuurstofdiffusie (belangrijk om corrosie in een cv-installatie te beperken) en geeft een lagere lineaire uitzetting dan een buis van alleen kunststof. Die combinatie van buigzaamheid (geen soldeerwerk, minder fittingen nodig in een lange route) en stevigheid maakt meerlagenbuis populair voor drinkwater en cv. > **Niet elke meerlagenbuis mag voor gas** > Meerlagenbuis die geschikt is voor gas is te herkennen aan een gele kleur of een duidelijke gele markering, en moet het Gastec QA-keurmerk voor gas dragen (KE 198 binnenshuis of KE 212 buitenshuis). Een gewone (niet-gele) meerlagenbuis voor water of cv heeft die keuring niet en is niet zonder meer geschikt voor gas, ook al ziet de buis er verder identiek uit. #### Drukklasse en temperatuur: per systeem verschillend De maximale werkdruk en temperatuur van meerlagenbuis zijn geen vast getal dat voor elk merk geldt: ze verschillen per systeem. Twee voorbeelden van gasgeschikte meerlagenbuis laten dat verschil goed zien: | Systeem (voorbeeld) | Toepassing | Maximale werkdruk | |---|---|---| | Henco Alupex GAS (gele meerlagenbuis) | Aardgas | 5 bar | | Uponor GAS SACP | Aardgas (H- en L-gas) | 100 mbar | Beide systemen zijn voor aardgas gecertificeerd, maar met een heel andere maximale werkdruk. Voor drinkwater en cv geldt eveneens dat elk merk zijn eigen drukklasse en temperatuurgrens heeft: bijvoorbeeld Rehau RAUTITAN tot 95 °C en 10 bar. Ga bij een onbekend systeem dus nooit uit van "meerlagenbuis kan altijd tot ongeveer zoveel bar": lees de fabrikantspecificatie van het systeem dat je in handen hebt. #### Verbindingen: alleen het eigen systeem Meerlagenbuis wordt met een knel- of persfitting verbonden, altijd van hetzelfde systeem en dezelfde fabrikant als de buis. Een Uponor GAS-installatie wordt bijvoorbeeld uitsluitend met de bijbehorende Uponor GAS Plus-persfittingen gemaakt, nooit met een knelkoppeling van een ander merk. Voor het buigen van de buis gebruik je de hand of het buiggereedschap dat de fabrikant voorschrijft. #### Brandveiligheid: de doorvoer, niet alleen de buis Een kunststof of meerlagenbuis die door een wand of vloer met een brandwerendheidseis gaat, wordt afgedicht met een brandmanchet: een stalen band met een opzwellend materiaal dat bij een temperatuur vanaf ongeveer 140 °C uitzet. Zonder die manchet smelt de kunststof buis bij brand weg en laat een open gat achter waar vuur en rook doorheen kunnen, ook als de rest van de wand of vloer wel brandwerend is. > **Een gasleiding door een brandscheiding zonder afdichting** > Een leidingdoorvoer voor gas door een brandscheiding zonder de juiste, voor die toepassing beproefde afdichting ondermijnt de brandveiligheid van het hele compartiment: bij brand verspreidt vuur en rook zich dan via precies de opening die de scheiding had moeten tegenhouden. Gebruik altijd een voor de toepassing beproefde voorziening (bijvoorbeeld een brandmanchet volgens NEN-EN 1366-3) en nooit een dichting op eigen inschatting. #### Praktijkgeval: welk systeem kies je? Een klant wil een keukenblok verplaatsen en de gasleiding naar het fornuis mee laten verhuizen, met een korte doorvoer door een niet-brandwerende binnenmuur. Je overweegt Henco Alupex GAS of Uponor GAS SACP. Beide zijn Gastec QA-gekeurd voor aardgas, maar Henco Alupex GAS gaat tot 5 bar en Uponor GAS SACP tot 100 mbar. Voor een woninginstallatie op de gebruikelijke lage druk maakt dat verschil in de praktijk vaak niet uit voor de werkdruk zelf, maar wel voor de fittingen en het gereedschap dat je nodig hebt: die zijn per systeem eigen, dus de keuze bepaalt ook welk gereedschap je aanschaft of al in huis hebt. **Controleer jezelf:** - Ik herken gasgeschikte meerlagenbuis aan de gele kleur of markering en het Gastec QA-keurmerk (KE 198 of KE 212) - Ik zoek de maximale werkdruk en temperatuur op in de fabrikantspecificatie van het gebruikte systeem, in plaats van een algemene waarde aan te nemen - Ik gebruik alleen fittingen van hetzelfde systeem en dezelfde fabrikant als de buis - Ik dicht een leidingdoorvoer door een brandscheiding af met een voor die toepassing beproefde voorziening ### Les 12.6: Afvoersystemen en PVC: verlijmen en monteren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afvoersystemen-en-pvc-verlijmen-en-monteren/ **Leerdoel:** Je kunt een afvoersysteem van PVC verlijmen en monteren met het juiste afschot en de juiste ondersteuning. #### Waarom binnenriolering meer is dan "een buis naar het riool" Een afvoersysteem moet twee dingen tegelijk goed doen: het afvalwater afvoeren zonder verstopping, en de lucht in het systeem laten stromen zonder dat een waterslot leeggezogen of teruggeslagen wordt. NEN 3215 is de norm die dat voor de binnenriolering van een woning regelt: afschot, aansluitingen en beluchting. > **Elk lozingstoestel heeft een sifon met waterslot** > Elk lozingstoestel (wastafel, closet, douche, en ook de condensafvoer van een cv-ketel) dat op de binnenriolering is aangesloten, heeft een stankafsluiter (sifon) met een waterslot van minimaal 50 mm. Dat waterslot biedt weerstand tegen drukschommelingen in het rioleringsstelsel en houdt riooldamp en -lucht buiten de ruimte. Sluit een condensafvoer dus nooit rechtstreeks op de riolering aan: zonder sifon ontstaat een open verbinding met het riool. #### Afschot en lengte van een toestelleiding Een toestelleiding (de leiding van één lozingstoestel naar de standleiding of verzamelleiding) heeft een minimaal afschot van 1:200 (5 mm per meter) en een maximale ontwikkelde lengte van 3,5 meter. De overgang van een staand naar een liggend deel gebeurt bij een buisdiameter van 50 mm of kleiner met twee bochten van 45 graden of een vergelijkbare stromingsbocht, niet met een scherpe haakse bocht. #### Beugelafstand: hoe groter de diameter, hoe verder uit elkaar Bij PVC- of PP-afvoerleidingen is de maximale beugelafstand voor een horizontale leiding 10 keer de buisdiameter, met een maximum van 2,5 meter; voor een verticale standleiding is dat 30 keer de buisdiameter, met een maximum van 1,8 meter. Per verdiepingshoogte horen minimaal 2 geleidebeugels en een vast punt aanwezig te zijn. #### Rekenvoorbeeld: de beugelafstand van een afvoerleiding Je legt een horizontale PVC-afvoerleiding van 110 mm diameter. | Grootheid | Waarde | Berekening | |---|---|---| | Diameter | 110 mm | Gegeven | | 10 x diameter | 1100 mm = 1,1 m | 10 x 110 mm | | Maximum uit de tabel | 2,5 m | Plafondwaarde, hier niet van toepassing | | Toe te passen beugelafstand | 1,1 m | Het kleinste van de twee waarden geldt | Bij een kleinere diameter (bijvoorbeeld 40 mm) zou 10 keer de diameter maar 400 mm zijn: bij grotere diameters loop je sneller tegen de maximumwaarde van 2,5 m aan dan bij kleine. #### Het verlijmen van een PVC mof-spieverbinding Het verlijmen van PVC gaat in vaste stappen: het buiseind haaks afkorten, inwendig en uitwendig afbramen, de insteeklengte op het buiseind aftekenen, de lijmvlakken van mof en buis met PVC-reiniger ontvetten, de buis dun instrijken en de mof dun aan de binnenzijde, de buis snel en zonder te stoppen tot aan de markering in de mof schuiven zodat er een lijmrand rondom zichtbaar is, en die overtollige lijm afvegen. > **PVC-lijm is brandbaar en de damp is explosief** > Bij het lijmen mag je niet roken of met open vuur werken, moet je goed ventileren en vloeistofdichte handschoenen en een veiligheidsbril gebruiken. Dit is geen overdreven voorzichtigheid: de damp van PVC-lijm is daadwerkelijk explosief in een afgesloten ruimte. De droogtijd van een PVC-lijmverbinding hangt sterk af van de temperatuur: bij 15 tot 40 °C minimaal 1 uur, bij 5 tot 15 °C minimaal 2 uur, en onder 5 °C mag in de regel niet worden gelijmd. Belast de verbinding niet voor die tijd voorbij is: de uiteindelijke sterkte van de verbinding wordt zelfs pas na enkele weken bereikt. Een te ruime passing tussen buis en mof vraagt een tweede laag lijm; een lichte negatieve passing (net iets te strak) geeft de beste en snelste verlijming, en een rammelende (te losse) passing is niet geschikt voor een lijmverbinding. #### Praktijkgeval: verlijmen bij lage temperatuur Je moet in een onverwarmde nieuwbouwwoning in de winter een PVC-afvoerleiding lijmen; het is 3 °C in de ruimte. Wat doe je? Bij een temperatuur onder 5 °C mag je in de regel niet lijmen zonder extra maatregelen. Verwarm de ruimte tijdelijk (bijvoorbeeld met een bouwverwarmer) tot boven de 5 °C, of stel het werk uit tot een warmer moment. Ga je toch door zonder de temperatuur te verhogen, dan loop je het risico dat de lijm niet goed uithardt en de verbinding later gaat lekken, zonder dat je dat op het moment van lijmen ziet. **Controleer jezelf:** - Ik sluit elk lozingstoestel, inclusief de condensafvoer van een cv-ketel, aan via een sifon met een waterslot van minimaal 50 mm - Ik houd bij een toestelleiding een afschot van minimaal 1:200 aan en blijf onder de maximale lengte van 3,5 m - Ik bepaal de beugelafstand met 10 keer de diameter (horizontaal) of 30 keer de diameter (verticaal), tot het genoemde maximum - Ik verlijm PVC alleen bij een temperatuur boven 5 °C, of neem extra maatregelen als dat niet kan - Ik rook niet en werk niet met open vuur tijdens het lijmen van PVC ### Les 12.7: Radiatoren en cv-leidingwerk monteren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/radiatoren-en-cv-leidingwerk-monteren/ **Leerdoel:** Je kunt radiatoren en cv-leidingwerk monteren, aansluiten en ondersteunen met de juiste beugelafstand en ruimte voor uitzetting. #### Beugelen: waarom de afstand per materiaal en diameter verschilt Een cv-leiding die niet goed ondersteund is, gaat na verloop van tijd doorzakken, tikken of trillen. Hoe groot de afstand tussen twee beugels mag zijn, hangt af van het materiaal en de diameter: hoe groter de diameter en hoe stijver het materiaal, hoe minder snel de leiding tussen twee steunpunten doorbuigt, en hoe verder de beugels uit elkaar mogen. | Materiaal | Diameter | Maximale bevestigingsafstand (voorbeeld) | |---|---|---| | Stalen draadbuis | 1/4 inch (13,5 mm) | ongeveer 1,5 m | | Stalen draadbuis | 1/2 inch (21,3 mm) | ongeveer 2,75 m | | Koperbuis | 15 mm (18,0 mm buitendiameter) | ongeveer 1,5 m | | Koperbuis | 22 mm | ongeveer 2,0 m | Dit zijn voorbeeldwaarden uit een technische tabel van een leveranciersbron, gebaseerd op de normen voor deze buismaterialen; de exacte eis kan per leveranciersvoorschrift of vakrichtlijn afwijken. > **Beugelen is geen kwestie van "ergens tussenin"** > Een leiding die je te ver uit elkaar beugelt, gaat doorzakken; een leiding die je onnodig dicht op elkaar beugelt, kost extra materiaal en werk zonder functioneel voordeel. Gebruik de leveranciersvoorschriften van het gebruikte leidingsysteem als uitgangspunt, in plaats van "op het oog" te bepalen waar de volgende beugel komt. #### Uitzetting: waarom een lange rechte leiding ruimte nodig heeft Een cv-leiding zet bij opwarming uit. De lineaire uitzettingscoëfficiënt van staal is ongeveer 12 x 10⁻⁶ per graad Celsius (12 micrometer per meter per graad); koper zet iets meer uit dan staal. Een meerlagenbuis met een aluminium kern zet door die kern minder uit dan een leiding van alleen kunststof, maar nog steeds meer dan metaal. Bij een lange rechte leiding moet je met die uitzetting rekening houden, bijvoorbeeld met een vast punt en glijpunten, of door de leiding niet volledig strak te bevestigen zodat hij zich een klein beetje kan verplaatsen. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel zet een stalen leiding uit? Een stalen cv-leiding van 8 meter lang warmt op van 15 °C (koud) naar 70 °C (aanvoertemperatuur), een temperatuurstijging van 55 K. | Grootheid | Waarde | Berekening | |---|---|---| | Lengte | 8 m = 8000 mm | Gegeven | | Uitzettingscoëfficiënt staal | 12 x 10⁻⁶ per K | Materiaalconstante | | Temperatuurstijging | 55 K | 70 - 15 | | Lengtetoename | 8000 x 12 x 10⁻⁶ x 55 ≈ 5,3 mm | Uitzetting over de volle lengte | Ruim 5 mm lijkt weinig, maar zonder een vast punt en glijpunten drukt die uitzetting tegen de bevestiging aan, wat op termijn tikkende geluiden of een beschadigde beugel kan geven. #### Radiatoren monteren: beugels, aansluiting en ontluchten Een radiator wordt met muurbeugels of consoles bevestigd; de fabrikant van de radiator schrijft het aantal en de plaats van de beugels voor op basis van het gewicht en de afmeting van dat model. De exacte hoogte boven de vloer en de afstand tot de vensterbank verschillen per fabrikant en model en staan in de montagehandleiding van dat toestel: neem geen vaste maat uit een andere installatie over zonder de handleiding van dit model te checken. Na het aansluiten van de voer- en retourleiding wordt de radiator ontlucht voordat de installatie op temperatuur wordt gebracht: lucht in de radiator vermindert de warmteafgifte en kan tikkende geluiden geven. Het afvullen en ontluchten van de hele cv-installatie na het aansluiten van de ketel zelf komt in module 5 en 13 aan de orde. > **Bescherm leidingwerk in vloer of muur tegen beschadiging en corrosie** > Cv-leidingwerk dat in of onder de vloer of in een muur wordt aangelegd, wordt beschermd tegen mechanische beschadiging (bijvoorbeeld met een mantelbuis of voldoende afdekking) en tegen corrosie waar het door beton of metselwerk loopt. Dit is hetzelfde principe als bij de bescherming van een gasleiding: eenmaal ingestort of ingemetseld kun je een beschadiging niet meer zien voor hij een lek geeft. #### Praktijkgeval: radiator die tikt na montage Je hebt een radiator aangesloten met een lange, strak bevestigde koperen aanvoerleiding van 6 meter. Na een paar weken meldt de klant een tikkend geluid zodra de verwarming aanslaat. Wat is een waarschijnlijke oorzaak en wat controleer je? 1. Controleer of de leiding een vast punt en voldoende glijruimte heeft, of dat hij over de volle lengte strak vastgezet is: bij opwarming kan een strak bevestigde leiding niet uitzetten zonder tegen de bevestiging te drukken, wat een tikkend geluid geeft. 2. Controleer of de radiator zelf goed ontlucht is: lucht in het systeem kan ook geluid geven, maar dan meer een borrelend dan een tikkend geluid. 3. Pas de bevestiging aan (bijvoorbeeld een beugel iets losser, of een vast punt op één plek met glijpunten elders) in plaats van de leiding volledig te vervangen: het probleem zit in de bevestiging, niet in het materiaal zelf. **Controleer jezelf:** - Ik bepaal de beugelafstand aan de hand van materiaal en diameter, en gebruik het leveranciersvoorschrift als dat er is - Ik houd bij een lange rechte cv-leiding rekening met uitzetting, met een vast punt en glijpunten - Ik gebruik de montagehandleiding van het specifieke radiatormodel voor hoogte en beugelafstand, niet een maat uit een andere installatie - Ik ontlucht een radiator na aansluiting voordat de installatie op temperatuur komt - Ik bescherm leidingwerk in vloer of muur tegen mechanische beschadiging en corrosie ## Module 13: Installeren en inbedrijfstellen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/installeren-en-inbedrijfstellen/ Van werkvoorbereiding tot oplevering: een ketel plaatsen, aansluiten, gasdicht controleren, vullen, ontsteken, afstellen en vrijgeven, volgens de fabrikantinstructies en met aantoonbare metingen. Deze module zet de stappen op een rij die je bij vrijwel elke ketelvervanging doorloopt: de opname bij de klant, plaatsen en aansluiten, gasdichtheid controleren, vullen en ontluchten, de eerste ontsteking en afstelling, vrijgeven en opleveren. Het is de rode draad die de vakken uit modules 8, 9, 10 en 12 samenbrengt in het werk van een dag: rookgasafvoer, elektra, meten en leidingwerk komen hier terug als onderdeel van een groter geheel, niet als apart hoofdstuk. De wet en het certificatieschema stellen niet alleen eisen aan het toestel, maar aan het hele proces: wat je vooraf controleert, welke metingen verplicht zijn, wat je vastlegt en wanneer je een installatie niet mag vrijgeven. Wie deze volgorde beheerst en weet wat hij moet bewijzen, werkt sneller en met minder risico dan wie van fabrikant tot fabrikant blindelings een ander protocol volgt. **Na deze module kun je:** - Een installatie voorbereiden en de situatie bij de klant opnemen - Een ketel plaatsen en water, gas, elektra en afvoer aansluiten - De gasdichtheid controleren - Vullen, ontluchten, spoelen en de eerste ontsteking uitvoeren - Een ketel vrijgeven met een compleet protocol en de klant instrueren ### Les 13.1: Werkvoorbereiding en opname bij de klant URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/werkvoorbereiding-en-opname-bij-de-klant/ **Leerdoel:** Je kunt een installatie voorbereiden en bij de klant de situatie opnemen die bepaalt of de ketel er veilig kan komen. #### De opname bepaalt niet of de ketel past, maar of hij er veilig kan komen Voordat je een schroef aandraait, ligt al vast wat je gaat doen: een project registreren, de situatie bij de klant beoordelen en vaststellen of de bouwkundige omgeving een veilige installatie toelaat. Wie dit overslaat en meteen gaat monteren, ontdekt de problemen op het moment dat ze het duurst zijn: met een half aangesloten toestel in een woonkamer. > **De opname is geen formaliteit** > Tijdens de werkvoorbereiding controleer je of aan de bouwkundige randvoorwaarden is voldaan om de installatie veilig te laten functioneren, en die controle is voorbehouden aan de inbedrijfsteller. Dat gebeurt vóór je begint, niet achteraf als het toestel al hangt. #### Wat je administratief vastlegt Elk project waarvoor je opdracht hebt gekregen, registreer je vóór de uitvoering: een projectnummer, de naam- en adresgegevens en de datum van opname. De certificerende instelling moet daar op elk moment bij kunnen. Dat is geen extra papierwerk naast het echte werk, het is het begin van het projectdossier dat je straks bij de vrijgave weer nodig hebt (les 13.6). Bij de opname mag de klant ook aan jou vragen wie je bent. Iedereen die namens een certificaathouder werkzaamheden verricht, moet kunnen aantonen dat hij bij dat gecertificeerde bedrijf werkt. Een legitimatiebewijs bevat minimaal de bedrijfsnaam, je naam en pasfoto, het beeldmerk "CO-Vrij" en de afgiftedatum; het Vakpaspoort mag hiervoor dienen als het die gegevens bevat. #### Wat je ter plaatse controleert | Onderdeel | Wat je checkt | Waar je meer over leert | |---|---|---| | Opstelplaats en vrije ruimte | Past het nieuwe toestel, is er onderhoudsruimte, is de ruimte vorstvrij | Module 8 (rookgasafvoer en opstellingsruimte) | | Gasleiding en gasmeter | Diameter, staat, capaciteit van de meter | Module 12 (leidingwerk) | | Elektra | Groep beschikbaar, randaarde, aansluitpunt binnen bereik | Module 9 (elektrisch werken) | | Bestaande rookgasafvoer | Materiaal, leeftijd, conditie: blijft hij, of moet hij mee vervangen worden | Module 8, les 8.9 | | Bouwkundige omgeving | Verdacht plaatmateriaal (mogelijk asbest), doorvoeren, vloerconstructie | Zie hieronder | | Cv-water en installatie | Leeftijd installatie, eerdere problemen, of spoelen nodig is | Les 13.4 | > **Verdacht materiaal: niet zelf bewerken** > Zolang asbesthoudend materiaal intact blijft, komen er geen vezels vrij. Zie je bij een gebouw van voor 1994 verouderd plaatmateriaal, board of koord rond de ketelkast dat je moet verwijderen of doorboren om het toestel te kunnen plaatsen, boor, zaag of breek er dan niet zelf in. Voor renovatie of onderhoud aan zo'n bouwwerk is doorgaans een asbestinventarisatie verplicht voordat het werk begint. Meld je twijfel bij de opdrachtgever en laat eerst onderzoeken voor je verder gaat. #### Praktijkgeval: de oude geiser in de badkamer Je gaat een offerte opnemen voor een ketel ter vervanging van een 22 jaar oude combiketel in een jaren '80-rijtjeswoning. Bij de opname zie je: de ketel hangt in een kast op de overloop met weinig vrije ruimte, de rookgasafvoer is een enkelwandig aluminium kanaal dat je niet eerder bent tegengekomen bij nieuwere installaties, en in de meterkast zit nog een oude platen wandconstructie. Je noteert dit alles in het projectdossier: de afvoer moet beoordeeld worden op resterende levensduur voor je kunt zeggen of hij kan blijven zitten, en de platen achterwand verdient een vraag aan de klant voordat je gaat boren. Geen van beide punten betekent dat je de opdracht niet aanneemt, wel dat je ze meeneemt in de offerte en de planning. #### Wat je met de klant afspreekt Bespreek bij de opname ook wat de klant kan verwachten: een planning, wat er gebeurt als de bestaande afvoer alsnog vervangen moet worden, wie verantwoordelijk is voor een asbestonderzoek als dat nodig is, en of er al een CO-melder in huis is. Zo voorkom je dat de klant deze punten pas op de installatiedag hoort. **Controleer jezelf:** - Ik registreer een project vóór de uitvoering met nummer, naam, adres en datum - Ik kan mijn legitimatie laten zien en weet wat daarop moet staan - Ik controleer bij opname opstelplaats, gasleiding, elektra, bestaande afvoer en de bouwkundige omgeving - Ik werk niet zelf in verdacht plaatmateriaal van voor 1994 zonder onderzoek - Ik leg bevindingen van de opname vast in het projectdossier ### Les 13.2: Plaatsen en aansluiten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/plaatsen-en-aansluiten/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel plaatsen en water, gas, elektra en afvoer volgens de fabrikantinstructies aansluiten. #### Vrije ruimte, dan pas de leidingen Voor je één leiding aansluit, moet het toestel goed en veilig kunnen hangen of staan. Als de fabrikant geen maten geeft, geldt volgens de brancherichtlijn voor hoog-rendement cv-ketels als vrije ruimte: minimaal 2 m vrije hoogte vanaf de vloer aan de bedieningszijde, een vrij looppad van minimaal 1 m breed aan die zijde, en minimaal 10 cm afstand tot andere wanden (niet de achterzijde). De opstellingsruimte moet vorstvrij zijn. Bij vervanging in bestaande bouw mag hiervan praktisch worden afgeweken, zolang bediening, onderhoud en reparatie nog goed mogelijk blijven. Dit is een brancherichtlijn en geen harde wettelijke maat: de fabrikant van het toestel gaat voor, en de precieze maten staan op de maattekening in de installatiehandleiding. > **Volgorde verschilt per fabrikant, niet per wet** > Er bestaat geen wettelijk voorgeschreven volgorde om gas, water, elektra en afvoer aan te sluiten. Fabrikanten kiezen zelf een volgorde in hun handleiding: de installatiehandleiding van de Remeha Calora Tower Gas 35S behandelt eerst plaatsing, dan de wateraansluitingen (met de installatie eerst doorspoelen), dan de gasaansluiting, en pas daarna de lucht- en rookgasaansluiting. Andere fabrikanten kiezen een andere volgorde. Volg altijd de handleiding van het toestel dat je plaatst, niet een algemene vaste regel. #### Wat je logisch wel vast kunt houden Ongeacht de volgorde in de handleiding, zijn er een paar vaste punten: - **Water:** spoel een bestaande of nieuwe installatie eerst grondig door voordat de nieuwe ketel wordt aangesloten. Zie les 13.4 voor de hoeveelheden. - **Gas:** de aansluiting gebeurt volgens de norm voor gasleidingwerk en wordt na montage altijd op dichtheid gecontroleerd (les 13.3). Bij het aansluiten van een vulkraan of een andere verbinding tussen de cv-installatie en het drinkwaternet is een terugstroombeveiliging nodig, om te voorkomen dat cv-water in het drinkwaternet terechtkomt; welke categorie beveiliging nodig is, staat in het voorschrift van de fabrikant van de vulkraan of het toestel. - **Elektra:** spanningsloos werken, randaarde en de aansluiting van de netvoeding en de thermostaat komen uitgebreid aan de orde in module 9. Sluit pas aan als je weet welke groep beschikbaar is en of de aarding in orde is. - **Luchttoevoer en rookgasafvoer:** moeten voldoen aan het Bbl en aan de voorschriften van zowel de toestelfabrikant als de fabrikant van het afvoersysteem, met NEN 3028 en NPR 3378-22 als aanwijzing voor de capaciteitsbepaling van de ventilatieopeningen. De aansluitwijzen (C13, C33, C53 en zo verder) en de materialen komen uitgebreid aan bod in module 8. #### Rekenvoorbeeld: past de vrije ruimte? Een monteur plaatst een staande ketel in een kast van 90 cm breed en 70 cm diep, met een deur die 65 cm opent. De brancherichtlijn vraagt een vrij looppad van minimaal 1 m aan de bedieningszijde. De deuropening van 65 cm is smaller dan dat. Betekent dit dat de kast per definitie afgekeurd is? Niet automatisch: bij vervanging in bestaande bouw mag praktisch worden afgeweken als bediening, onderhoud en reparatie nog goed mogelijk blijven, en de fabrikant van het toestel kan een kleinere minimale maat toestaan. De monteur controleert dus eerst de maattekening van het specifieke toestel voordat hij de kast afkeurt of goedkeurt. #### Praktijkgeval: de volgorde omdraaien Een leerling wil eerst de gasleiding aansluiten "want dat is het spannendste onderdeel" en pas daarna het toestel definitief vastzetten. Dat werkt averechts: zonder dat het toestel goed vastzit, hangt de aansluiting onder spanning en is naderhand lastig te corrigeren als de opstelling toch niet klopt. Volg de volgorde uit de handleiding van het toestel: die is niet willekeurig, maar voorkomt dat je later een al aangesloten leiding moet loskoppelen om iets anders recht te zetten. **Controleer jezelf:** - Ik controleer de vrije ruimte volgens de maattekening van het toestel, met de brancherichtlijn als vangnet als de fabrikant niets zegt - Ik volg de aansluitvolgorde uit de installatiehandleiding van het specifieke toestel - Ik weet dat een vulkraan of aansluiting op het drinkwaternet een terugstroombeveiliging nodig heeft - Ik sluit elektra pas aan als groep en aarding gecontroleerd zijn (module 9) - Ik weet dat luchttoevoer en rookgasafvoer aan het Bbl en de fabrikantvoorschriften moeten voldoen (module 8) ### Les 13.3: Gasdichtheid controleren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gasdichtheid-controleren/ **Leerdoel:** Je kunt de gasleiding en aansluitingen van een toestel op dichtheid controleren en de uitkomst beoordelen. #### Twee beproevingen, twee doelen Bij het installeren of vervangen van een gasverbrandingstoestel moet de gasleiding op dichtheid worden beproefd. Bij een nieuwe leiding zijn dat twee losse stappen: een sterkteproef en een dichtheidsproef. Voldoe je aan NPR 3378-1, dan wordt geacht aan de gasdichtheidseis van het Bbl te zijn voldaan. > **Zonder beproeving stel je niet in bedrijf** > De dichtheidsbeproeving is verplicht bij elke installatie of vervanging van een gasverbrandingstoestel, niet iets dat je overslaat als de leiding er "netjes" uitziet. Voldoe je daarbij aan NPR 3378-1, dan geldt dat als bewijs dat je aan de gasdichtheidseis van het Bbl voldoet: geen beproeving betekent geen bewijs, en dus geen toestel in bedrijf. | Beproeving | Wat het test | Richtwaarde | |---|---|---| | Sterkteproef | Of de leiding een drukstoot doorstaat zonder te bezwijken | Drukstoot van 5 bar, minimaal 10 seconden | | Dichtheidsproef (nieuwe leiding) | Of er geen gas weglekt bij de werkdruk | Werkdruk plus 100 mbar, minimaal 3 minuten | | Beproeving bestaande installatie | Of het lekverlies binnen de norm blijft | Maximaal 5 dm³ per uur (NEN 8078) | Voor een bestaande gasleiding geldt geen drukstoot: die wordt uitsluitend op werkdruk op dichtheid beproefd, met aandacht voor bescherming tegen mechanische beschadiging en corrosie en voor de juiste materialen, bevestiging en beugeling. > **Nooit een sterkteproef of dichtheidsproef op het aangesloten toestel** > Een aangesloten toestel is niet gebouwd op een drukstoot van 5 bar of een proefdruk van werkdruk plus 100 mbar: dat kan het gasblok beschadigen. Sluit eerst de toestelkraan of koppel het toestel los, en ontspan de leidingdruk voor je de gaskraan van het toestel opent. Volg voor het toegestane testbereik op een aangesloten toestel altijd de fabrikant: de een staat 60 mbar toe, de ander 110 mbar. #### Meetapparatuur en middelen Voor het meten van de lekdichtheid van een gasleiding is drukmeetapparatuur nodig die het bereik van 0 tot 200 mbar met voldoende nauwkeurigheid en resolutie kan meten. Voor het opsporen van een lek zelf gebruik je lekzoekspray of een gaslekzoeker met een uitlezing van de gasconcentratie en een akoestisch signaal. Lekzoeken met een open vlam is uitgesloten: dat is precies de vonkbron die je bij een lek wilt vermijden. Voor schroefdraadverbindingen op gas is niet elk afdichtmateriaal toegestaan: erkend zijn producten met een Gastec QA-keur (KE 31-1, KE 31-2 of KE 31-3, waaronder PTFE-tape met dat keurmerk). Bij een fabrieksafdichting, zoals een pakking of een ring, gebruik je geen extra afdichtmiddel en vervang je bij onderhoud alleen met de meegeleverde originele afdichting. #### Rekenvoorbeeld: klopt de meting? Je beproeft een nieuwe binnenleiding met een werkdruk van 30 mbar. Volgens de dichtheidsproef test je op werkdruk plus 100 mbar, dus op 130 mbar, gedurende minimaal 3 minuten. Na 3 minuten zie je op de manometer geen drukdaling. Dat is een goed teken, maar geen garantie: een goede beproeving hoort ook een controle van alle koppelingen met lekzoekspray of een gaslekzoeker, juist omdat een zeer klein lek soms niet meteen in het drukverloop terug te zien is binnen de proeftijd. #### Wat je doet bij een lek Vind je bij het controleren met lekzoekspray of een gaslekzoeker toch een lek, dan herstel je de verbinding (nadraaien, een nieuwe afdichting, of het onderdeel vervangen) en herhaal je de beproeving vanaf het begin. Stel het toestel niet in bedrijf voordat de leiding en alle aansluitingen dicht zijn bevonden: dat is geen kwestie van "een beetje lek is oké", een gaslek dat je zelf hersteld denkt te hebben, controleer je opnieuw voor je verder gaat. **Controleer jezelf:** - Ik weet het verschil tussen de sterkteproef (drukstoot) en de dichtheidsproef van een nieuwe gasleiding - Ik weet dat een bestaande installatie alleen op werkdruk wordt beproefd, met een maximaal toegestaan lekverlies - Ik test nooit met de volledige proefdruk op een aangesloten toestel - Ik gebruik lekzoekspray of een gaslekzoeker, nooit een open vlam - Ik gebruik alleen afdichtmateriaal met een Gastec QA-keur op schroefdraadverbindingen ### Les 13.4: Vullen, ontluchten en spoelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vullen-ontluchten-en-spoelen/ **Leerdoel:** Je kunt een installatie vullen, ontluchten en spoelen en de drukken controleren. #### Spoelen voor je vult Voordat een nieuwe ketel op een bestaande of nieuwe installatie wordt aangesloten, moet de installatie grondig gereinigd en doorgespoeld worden. Resten van het installeren (lasslakken, fitmiddelen) en opgehoopt vuil (slib, slijk) horen niet in een nieuwe ketel terecht te komen: een fabrikant vraagt de installatie door te spoelen met minimaal 3 keer de systeeminhoud, en sanitairleidingen met minimaal 20 keer de leidinginhoud. > **Spoelen is geen momentje, het is een garantievoorwaarde** > Bij meerdere fabrikanten vervalt de garantie als niet kan worden aangetoond dat de installatie is gespoeld of als het vulwater buiten de specificatie valt. Regelmatig moeten bijvullen (meer dan 5 procent van de systeeminhoud per jaar) geldt bij sommige fabrikanten als signaal van een structureel probleem, niet als iets dat je oplost door gewoon vaker bij te vullen. #### Vullen en ontluchten: het patroon per fabrikant De precieze druk en volgorde verschillen per merk, maar het patroon is steeds: eerst vullen tot een minimale koude druk, dan ontluchten (toestel en installatie apart), dan controleren en zo nodig bijvullen. | Stap | Voorbeeld Intergas Kombi Kompakt HRE | Voorbeeld Vaillant ecoTEC plus VHR | |---|---|---| | Vuldruk (koud) | Tussen 1 en 2 bar | Minimaal 0,80 bar, en minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het expansievat | | Ontluchten toestel | Handontluchter op het toestel | Testprogramma voor ontluchten (P.000) | | Ontluchten installatie | Handontluchters op de radiatoren | Hoogste radiator eerst ontluchten | | Na ontluchten | Bijvullen als de druk te ver is gedaald | Druk opnieuw controleren | De tapwaterzijde krijgt bij Intergas een eigen stap: de hoofdkraan open, dan een warmwaterkraan open laten staan tot alle lucht is verdwenen, met een controle van alle koppelingen op lekkage. Cv-zijde en tapwaterzijde zijn dus geen momentje dat je in één beweging afvinkt. > **Een lege sifon is geen klein ongemak** > Als de sifon van een condenserend toestel niet met water is gevuld, kunnen verbrandingsgassen in de opstellingsruimte vrijkomen: de sifon is de waterafsluiting die dat voorkomt. Controleer bij elke installatie of onderhoudsbeurt of de sifon gevuld is, ook als het toestel verder prima werkt. #### Waterkwaliteit en minimale doorstroming Niet elke ketel is even gevoelig voor waterdoorstroming: een modulerende regeling begrenst het temperatuurverschil en de stijgsnelheid van de aanvoertemperatuur, waardoor een ketel nagenoeg ongevoelig kan zijn voor een te kleine doorstroming. Toch blijft er altijd een minimale waterdoorstroming nodig (bij een voorbeeldmodel 0,1 m³/h): "modulerend" is geen vrijbrief om de doorstroming helemaal te negeren. De maximale bedrijfsdruk van het cv-circuit ligt bij de meeste huidige toestellen op 3 bar; daarboven treedt een storing of een overdrukventiel in werking. #### Rekenvoorbeeld: hoeveel water spoel je door? Een cv-installatie heeft een systeeminhoud van 45 liter. Spoel je met 3 keer de systeeminhoud, dan spoel je minimaal 135 liter door. Voor de sanitaire leidingen met een inhoud van 2 liter geldt 20 keer de inhoud, dus minimaal 40 liter. Dat zijn geen getallen die je in een paar seconden doorspoelt: reken op enkele minuten per circuit, afhankelijk van de doorstroomsnelheid van de kraan of de aftapkraan. **Controleer jezelf:** - Ik spoel een installatie door voor ik een nieuwe ketel aansluit, met de hoeveelheden uit de handleiding als richtlijn - Ik vul, ontlucht en controleer cv-zijde en tapwaterzijde apart - Ik controleer altijd of de sifon gevuld is met water - Ik weet dat een modulerende ketel toch een minimale waterdoorstroming nodig heeft - Ik ken de maximale bedrijfsdruk van het cv-circuit van het toestel waaraan ik werk ### Les 13.5: Eerste ontsteking en afstellen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/eerste-ontsteking-en-afstellen/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel voor het eerst starten, de verbranding controleren en afstellen volgens de fabrikant. #### Ontluchten voor ontsteken Voor de eerste ontsteking wordt de gasleiding ontlucht via het voordrukmeetpunt op het gasblok, waarna alle koppelingen op lekkage worden gecontroleerd en de voordruk wordt gemeten. Dit is dezelfde ontluchting als in les 13.3, maar dan als vaste stap in de startprocedure: een ketel start niet betrouwbaar op met lucht in de gastoevoer, en de eerste ontstekingspogingen met lucht in de leiding tellen mee in de foutentelling van sommige toestellen. > **De eerste ontsteking is geen "aanzetten en klaar"** > De gasdichtheid van gasvoerende delen, het gasregelblok en de gasleiding wordt bij elk merk apart gecontroleerd tijdens een warmtevraag, net als de cv- en warmwatercircuits en de interne lucht-rookgasdichtheid. Alleen daarna volgt de controle van vol- en laaglast. #### Wat je controleert voor je aanzet Een voorbeeldchecklist (Remeha Calora Tower Gas 35S) doorloopt: de geleverde gassoort vergelijken met het typeplaatje, het gascircuit controleren, het hydraulisch circuit controleren, de waterdruk van de cv-installatie controleren, de lekdichtheid van de rookgas- en luchttoevoeraansluiting controleren, de elektrische aansluitingen van thermostaat en overige externe aansluitingen controleren, overige aansluitingen controleren, en dan pas de ketel op vollast en op laaglast testen. Elk toestel heeft zijn eigen checklist, maar de opbouw (eerst statisch controleren, dan pas onder bedrijf testen) is een bruikbaar patroon. #### Afstellen: verschilt per merk, altijd volgens de fabrikant De instelling van de branderdruk en de gas-luchtverhouding gebeurt altijd volgens de voorschriften van de fabrikant. Sommige toestellen hebben een afstelschroef, andere (zoals de Vaillant ecoTEC plus VHR) hebben geen instelschroef en corrigeren de gas-luchtverhouding via een diagnosecode. Ook of je met open of gesloten mantel meet, verschilt per merk. Voor de precieze afstelwaarden, de meetprocedure en de rol van O2, CO2 en luchtovermaat verwijst deze les naar module 10 (meten en analyseren): daar staat wat je meet, hoe en waarom. #### Rekenvoorbeeld: aanvoer- en retourtemperatuur Bij de inbedrijfstelling van een toestel houdt een fabrikant een richtwaarde van ongeveer 20 °C temperatuurverschil tussen aanvoer en retour aan, in te stellen via het maximale vermogen en de pompstand. Meet je een aanvoertemperatuur van 70 °C en een retourtemperatuur van 58 °C, dan is het verschil 12 °C: te klein. Een te klein verschil wijst op een te hoog ingestelde pompstand of een te laag ingesteld vermogen voor de warmtevraag, en dat pas je aan voordat je de inbedrijfstelling afrondt, niet erna. > **Een niet-afgesteld toestel stel je niet in bedrijf** > Een toestel dat je niet binnen de grenswaarden van de fabrikant kunt afstellen, of waarvan de gas-luchtverhouding niet klopt, mag niet in bedrijf gesteld worden. Doorgaan "want het brandt toch" is geen professioneel oordeel: het is precies de situatie waar een slecht afgestelde verbranding tot verhoogde CO leidt zonder dat je dat zonder meting ziet. **Controleer jezelf:** - Ik ontlucht de gasleiding via het voordrukmeetpunt voor de eerste ontsteking - Ik controleer gasdichtheid, hydraulisch circuit en elektrische aansluitingen voor ik op vol- en laaglast test - Ik stel de branderdruk en gas-luchtverhouding altijd volgens de fabrikant af, nooit uit het hoofd - Ik weet dat het meten van O2 en CO2 in module 10 staat en pas dat daar geleerde toe - Ik stel een toestel dat niet binnen de grenswaarden valt niet in bedrijf ### Les 13.6: Vrijgave en het inbedrijfstellingsprotocol URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vrijgave-en-het-inbedrijfstellingsprotocol/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel vrijgeven en vastleggen wat je gecontroleerd en gemeten hebt. #### Vrijgeven is een besluit, geen formulier invullen Alleen een Vakbekwaam Persoon mag een toestel in bedrijf stellen; een Voldoende Onderricht Persoon werkt onder toezicht. Vrijgeven betekent dat jij, met je professionele oordeel en met metingen erbij, verklaart dat de installatie veilig kan draaien. Het formulier dat je invult is het bewijs van die beslissing, niet de beslissing zelf. > **Twee metingen zijn de kern van vrijgave** > Je mag pas in bedrijf stellen als de CO-concentratie in de opstellingsruimte lager is dan 5 ppm, en de CO-concentratie in de rookgassen binnen de grenswaarde valt: 50 ppm bij een open afvoerloos toestel, 200 ppm bij een open afvoergebonden toestel en 400 ppm bij een gesloten toestel (tenzij de fabrikant een strengere waarde noemt). Beide metingen doe je niet alleen na het werk, maar ook vóór aanvang van de werkzaamheden: zo weet je waar je vandaan komt en kun je een verslechtering die je zelf veroorzaakt hebt onderscheiden van een situatie die al zo was. #### Wanneer je NIET mag vrijgeven Is de CO-concentratie in de opstellingsruimte hoger dan 20 ppm, dan meld je dit onmiddellijk aan de bewoner of gebruiker, de eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificerende instelling, en stel je het toestel buiten bedrijf. Ligt de concentratie tussen 5 en 20 ppm, dan is nader onderzoek nodig en informeer je de opdrachtgever, maar mag je nog niet vrijgeven voordat je de oorzaak hebt weggenomen. Bij de controle van je werkzaamheden leg je vast wat je hebt gecontroleerd en op basis van welke eisen, wie heeft gecontroleerd en wanneer, met welk instrument is gemeten, en wat de resultaten zijn. Vind je daarbij een ontoelaatbare tekortkoming, zoals een verhoogde CO-concentratie, dan geef je het toestel niet vrij voor gebruik totdat die is opgelost. > **Vrijgeven onder tijdsdruk is geen optie** > Een klant die haast heeft, een collega die wacht, of een planning die uitloopt, verandert niets aan de grenswaarden. "Het zal wel goed zijn" is geen vervanging voor een meting die je nog niet gedaan hebt. Vind je geen tijd meer om de laatste controle af te ronden, dan stel je de installatie niet in bedrijf en maak je een nieuwe afspraak. #### Wat je vastlegt en hoe lang je het bewaart Het opleverings- en beproevingsrapport bevat onder meer: locatie, certificaathouder en toestelgegevens met de indeling A, B of C, de uitvoerder en de inbedrijfsteller, de lekdichtheid van de gasleiding, de beoordeling van de opstellingsruimte, de rookgasafvoer en luchttoevoer, de ingebruikstelling (branderdruk, CO en O2, gas-luchtafstelling, of een CO-melder is geadviseerd, of de opdrachtgever is geïnformeerd over waterzijdig inregelen) en geconstateerde afwijkingen met de genomen maatregel. Bij het afmelden van je werk registreer je in elk geval de datum van uitvoering, je naam als inbedrijfsteller, de naam van de certificaathouder, merk en type van het toestel, en welke werkzaamheden je hebt verricht. Je projectdossier, met alle documenten waarnaar het verwijst, bewaar je minstens 10 jaar na afronding van het project. Dat is geen richtlijn die je zelf kunt inkorten: de certificerende instelling moet dat dossier bij een onderzoek altijd kunnen inzien, ook jaren later. #### Rekenvoorbeeld: mag je vrijgeven? Je meet na afronding van je werk 3 ppm CO in de opstellingsruimte en 180 ppm CO in de rookgassen van een open, afvoergebonden toestel (grenswaarde 200 ppm). Beide waarden liggen onder de grens: 3 ppm is lager dan 5 ppm, en 180 ppm is lager dan de 200 ppm-grens voor dit toesteltype. Je mag vrijgeven, mits ook de overige controles (gasdichtheid, opstellingsruimte, aansluitingen) in orde zijn: de twee CO-metingen zijn een noodzakelijke voorwaarde, geen volledige vervanging van de rest van het protocol. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat alleen een Vakbekwaam Persoon in bedrijf mag stellen - Ik meet CO in de opstellingsruimte en in de rookgassen, zowel voor als na de werkzaamheden - Ik weet bij welke waarde ik moet melden en aan wie: bewoner, eigenaar, bevoegd gezag en certificerende instelling - Ik leg vast wat ik controleerde, met welk instrument, wanneer en met welk resultaat - Ik bewaar het projectdossier minstens 10 jaar na afronding ### Les 13.7: Oplevering en klantinstructie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/oplevering-en-klantinstructie/ **Leerdoel:** Je kunt een installatie opleveren en de klant uitleggen wat hij moet weten over gebruik, onderhoud en veiligheid. #### Opleveren is meer dan de deur van de kast dichtdoen Na de vrijgave (les 13.6) is het werk voor de klant niet klaar: hij moet weten wat hij zelf kan doen, wat hij moet laten doen, en waar hij op moet letten. Deze klantinstructie is geen vrijblijvende service, het is onderdeel van je verplichtingen als certificaathouder. > **Drie dingen die je nooit vergeet te zeggen** > Je informeert de klant altijd over het voorgeschreven onderhoud en de onderhoudsinterval van het toestel en de rookgasafvoer, je controleert of het gebruiksvoorschrift aanwezig is (en wijst erop als dat niet zo is), en je adviseert schriftelijk een CO-melder als er nog geen is bij een toestel waarvoor dat nodig is. #### CO-melder: wanneer verplicht om te adviseren Een CO-melder moet worden geplaatst bij open toestellen, bij afvoerloze toestellen en bij toestellen die op een collectief rookgasafvoersysteem zijn aangesloten zonder geschiktheidsverklaring. Is er nog geen CO-melder aanwezig, dan moet je als certificaathouder schriftelijk adviseren om er een te plaatsen. Plaats je zelf een CO-melder, dan volg je de gebruiksaanwijzing en het installatievoorschrift van de fabrikant van die melder: een CO-melder werkt anders dan een rookmelder en hoort op een andere plek en hoogte, afhankelijk van het model. #### Onderhoud, gebruiksvoorschrift en waterzijdig inregelen Leg aan de klant uit: hoe vaak onderhoud nodig is (bij ontbreken van een fabrikantvoorschrift minimaal eens per 12 maanden, maar volg altijd wat de fabrikant van dit specifieke toestel voorschrijft), wat er gebeurt als hij dat overslaat (garantieverval bij sommige merken, en een groter risico op storingen en op een slecht afgestelde verbranding), en waar het gebruiksvoorschrift van het toestel te vinden is. Bij het plaatsen van een nieuw toestel of het vervangen ervan moet het warmteafgiftesysteem ook waterzijdig worden ingeregeld en gedocumenteerd: als jij dat niet zelf doet, wijs je de opdrachtgever expliciet op deze verplichting, zodat hij weet dat dit nog moet gebeuren en door wie. #### Praktijkgeval: de huurwoning zonder CO-melder Je vervangt een oude combiketel (open, afvoergebonden) in een huurwoning. Er hangt geen CO-melder. Je legt in je opleveringsrapport vast dat je schriftelijk hebt geadviseerd een CO-melder te plaatsen, en je vertelt de bewoner waarom: bij dit type toestel komt een deel van de verbrandingslucht uit de woonruimte, en een storing in de afvoer geeft niet altijd een storingscode op het display voordat er CO vrijkomt. Of de verhuurder of de bewoner de melder uiteindelijk plaatst, ligt buiten jouw verantwoordelijkheid, maar het schriftelijke advies wel geven en vastleggen, ligt binnen jouw verantwoordelijkheid. #### Documentatie overdragen Zorg dat de klant na je vertrek weet: waar de gebruiksaanwijzing van het toestel ligt (fysiek of digitaal), wat het opleveringsrapport zegt over eventuele afwijkingen, en bij wie hij terecht kan bij een storing of voor het volgende onderhoud. Een goede oplevering laat de klant niet met vragen achter die je bij de opname al had kunnen beantwoorden. **Controleer jezelf:** - Ik informeer de klant altijd over het voorgeschreven onderhoud en de onderhoudsinterval - Ik controleer of het gebruiksvoorschrift aanwezig is en wijs op het ontbreken ervan - Ik adviseer schriftelijk een CO-melder als die nog ontbreekt bij een toestel waarvoor dat nodig is - Ik wijs de opdrachtgever op de verplichting tot waterzijdig inregelen als ik dat niet zelf doe - Ik laat de klant niet achter zonder te weten waar de documentatie is en bij wie hij terecht kan ## Module 14: Waterzijdig inregelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/waterzijdig-inregelen/ Een installatie die niet in balans is geeft koude plekken, geluid en onnodig gasverbruik. Deze module leert je inregelen: de hydraulica, de instelventielen en de methoden om te herstellen. Verplicht bij ketelvervanging, en onmisbaar bij lager stoken. Waterzijdig inregelen is het zo instellen van elke radiator, convector of vloerverwarmingskring dat er precies genoeg water doorheen stroomt, niet meer en niet minder. Zonder inregelen kiest het water de weg van de minste weerstand: de radiator dichtst bij de ketel krijgt te veel en te snel warm water, de radiator het verst weg te weinig. Dat kost comfort en gas, en het maakt lager stoken (nodig voor een hoger ketelrendement of een warmtepomp) juist lastiger. Deze module bouwt voort op de hydraulica uit module 3 (druk, drukval, debiet, pompkarakteristiek) en de afgifte uit module 7 (radiatorvermogen per temperatuurregime, vloerverwarming). Hier komt daar de regeltechniek bij: autoriteit van een ventiel, statisch en dynamisch inregelen, de instelventielen van een aantal grote fabrikanten, en de methoden waarmee je in de praktijk een installatie in balans brengt, van een enkele radiatorkraan tot een volledige vloerverwarmingsverdeler. **Na deze module kun je:** - Symptomen van een niet ingeregelde installatie herkennen en het wettelijk kader benoemen - Uitleggen hoe weerstand, debiet en verdeling samenhangen en wat de autoriteit van een ventiel is - Statische en dynamische regelventielen en thermostaatkranen uit elkaar houden - Het vermogen en het debiet per radiator berekenen - Een installatie inregelen met de gangbare methoden - Vloerverwarming inregelen met een debietmeter op de verdeler - Het resultaat meten, controleren en vastleggen ### Les 14.1: Waarom inregelen: symptomen van onbalans URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/waarom-inregelen-symptomen-van-onbalans/ **Leerdoel:** Je herkent de symptomen van een niet ingeregelde installatie, kunt uitleggen wat ze kosten aan comfort en energie, en weet wanneer de wet inregelen verplicht. #### Een ketel die goed draait, zegt niets over de verdeling van het water Een cv-ketel kan foutloos draaien, op druk staan en het juiste rendement halen, en toch geeft de installatie klachten: de ene kamer is snel warm, de andere blijft koud. De oorzaak zit dan niet in de ketel, maar in de verdeling van het water over de radiatoren, convectoren of vloerverwarmingskringen. Dat verdelen heet waterzijdig inregelen: ervoor zorgen dat door elke afnemer precies de hoeveelheid water stroomt die nodig is om de gewenste warmte af te geven, en niet meer dan dat. #### De vier signalen van onbalans Zonder inregelafsluiters kiest het water de weg van de minste weerstand. De pomp bouwt de meeste druk op vlak achter de aftakking naar de eerste radiator in de installatie. Dat geeft een herkenbaar patroon: - De radiator dichtst bij de ketel warmt snel op en krijgt meer water dan nodig, en geeft de warmte niet eens de tijd om er goed uit te stromen. - De radiator het verst van de ketel warmt traag op of blijft koud, doordat er te weinig water doorheen komt. - De retourtemperatuur van de installatie is hoger dan nodig, wat het rendement van een HR-ketel verlaagt (zie les 7.2) en een warmtepomp minder efficient laat draaien. - Bij gedeeltelijke warmtevraag (thermostaatkranen die dichtgaan) kan de doorstroming over de nog openstaande radiatoren onder het minimum van de ketel zakken, waardoor die vaker aan- en uitslaat (pendelen). Les 14.5 gaat verder in op het instellen van de pomp en het ketelvermogen bij het inregelen. > **Water stroomt niet gelijk verdeeld, tenzij je het afdwingt** > Een installatie zonder inregelafsluiters verdeelt het water niet automatisch eerlijk over de radiatoren. De radiator met de minste weerstand tussen zich en de pomp krijgt het meeste water, ongeacht of die radiator dat nodig heeft. Inregelen zet daar bewust een kunstmatige weerstand tegenover, zodat elke radiator zijn eigen, berekende aandeel krijgt. #### Wat het oplevert Schattingen van de besparing lopen sterk uiteen per bron en per situatie: ongeveer 5 tot 15 procent bij een gewone woning volgens consumentenvoorlichting, 10 tot 20 procent volgens een opleidersmodule, en tot 25 procent in artikelen over bedrijfspanden. Geen enkele bron geeft een vast percentage: het hangt af van hoe scheef de installatie voor het inregelen stond. Naast gasbesparing en comfort noemt de vakliteratuur ook minder piekbelasting van de ketel, een langere levensduur van de installatie en minder CO2-uitstoot. #### Praktijkgeval: koude woonkamer, snel warme slaapkamer Een klant belt: de slaapkamer op de begane grond wordt binnen tien minuten warm, maar de woonkamer op de verdieping, verder van de ketel, blijft na een uur nog lauw. Beide radiatoren staan volledig open. Dit is het klassieke beeld van onbalans, niet van een te kleine radiator: meet bij beide radiatoren het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour (zie les 14.5). Is dat verschil bij de slaapkamer klein (weinig afkoeling, dus veel doorstroming) en bij de woonkamer groot (veel afkoeling, dus weinig doorstroming), dan bevestigt dat de diagnose: de installatie moet waterzijdig ingeregeld worden, niet de radiator vervangen. #### Wettelijk kader in kort Danfoss schrijft in zijn eigen voorlichtingsmateriaal dat "wetgeving waterzijdig inregelen inmiddels verplicht stelt bij werkzaamheden aan zowel bestaande als nieuwe verwarmingsinstallaties". Concreet staat in artikel 5.21 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat een technisch bouwsysteem bij plaatsing of gedeeltelijke vernieuwing "adequaat gedimensioneerd, geinstalleerd, ingeregeld en instelbaar" moet zijn, en dat na vervanging van de warmtegenerator (de cv-ketel of warmtepomp) zelfregulerende apparatuur per verblijfsruimte aanwezig moet zijn, met een uitzondering als dat meer dan 20 procent van de installatiekosten zou kosten. Voor kantoren en andere utiliteitsgebouwen met een energiebesparingsplicht staat waterzijdig inregelen bovendien op de Erkende Maatregelenlijst van RVO. De norm NEN-EN 14336 gaat over het ontwerp van watervoerende verwarmingssystemen in gebouwen; net als andere NEN-normen is de tekst auteursrechtelijk beschermd, dus benoem in je werk wat de norm regelt zonder normtekst te citeren. #### Wat dit voor jou als monteur betekent Waterzijdig inregelen is geen extra service die je aanbiedt als de klant erom vraagt: bij vervanging van de ketel of warmtepomp is het wettelijk verplicht, en het is de sleutel om lager te kunnen stoken zonder comfortverlies. De rest van deze module geeft je de hydraulica, de instelventielen en de methoden om dat vak te leren. **Controleer jezelf:** - Ik herken de vier signalen van onbalans: te snel warme radiator dichtbij, trage of koude radiator ver weg, hoge retourtemperatuur en pendelen - Ik leg een klant uit dat een koude radiator niet automatisch een te kleine radiator betekent - Ik weet dat inregelen wettelijk verplicht is bij vervanging van de warmtebron (artikel 5.21 Bbl) - Ik noem geen vast besparingspercentage, maar een realistische bandbreedte - Ik ken NEN-EN 14336 als de norm die het ontwerp van watervoerende verwarmingssystemen regelt, zonder de normtekst te citeren ### Les 14.2: De hydraulica van inregelen: weerstand, debiet en verdeling URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-hydraulica-van-inregelen-weerstand-debiet-en-verdeling/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen hoe weerstand, debiet en verdeling in een leidingnet samenhangen en wat de autoriteit van een ventiel is. #### Weerstand bepaalt de verdeling, niet de bedoeling Uit module 3 weet je dat de drukval over een leiding of radiator bij turbulente stroming ongeveer met het kwadraat van het debiet toeneemt: verdubbel het debiet, en de drukval wordt ongeveer vier keer zo groot. Dat werkt ook omgekeerd: bij een gegeven drukverschil bepaalt de weerstand van elke tak hoeveel water er doorheen gaat. Een leidingnet met meerdere radiatoren is een netwerk van parallelle takken, en de pomp verdeelt zijn drukverschil over die takken naar verhouding van hun weerstand, niet naar verhouding van wat elke ruimte nodig heeft. > **Zonder kunstmatige weerstand regelt de installatie zichzelf, en niet in jouw voordeel** > Een tak met weinig weerstand (een korte leiding, een wijde radiatorafsluiter) trekt verhoudingsgewijs meer water aan dan een tak met veel weerstand (een lange leiding, een verder gelegen radiator). Inregelen betekent: bewust extra weerstand toevoegen bij de takken die van nature te veel krijgen, zodat elke tak zijn berekende aandeel krijgt. #### De autoriteit van een ventiel Een regelventiel of thermostaatkraan werkt alleen goed als een verstelling ervan ook echt iets verandert aan de doorstroming. Die invloed heet de autoriteit van het ventiel: ze wordt bepaald door het drukverschil over het ventiel zelf, in verhouding tot het drukverschil over de rest van het circuit waarin de waterhoeveelheid varieert. Is het drukverschil over het ventiel klein ten opzichte van de rest van het circuit (een te ruim gekozen ventiel, met een grote kvs-waarde), dan heeft dichter of verder open draaien maar weinig effect: het ventiel heeft een lage autoriteit. Is het drukverschil over het ventiel juist groot, dan heeft elke verstelling meteen veel effect. Als vuistregel geldt dat de invloed van het ventiel in het hydraulische systeem minstens 0,5 (50 procent) moet zijn voor een voorspelbare regeling. #### Rekenvoorbeeld: de kv-waarde van een afsluiter De kv-waarde (soms kvs voor de volledig geopende stand) van een afsluiter is de volumestroom in m3/h die bij een drukverschil van 1 bar over de volledig geopende afsluiter loopt. Bij een ander drukverschil geldt: Kv = qv / wortel(Δp), met qv in m3/h en Δp in bar. | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Gewenste volumestroom qv | 0,6 m3/h | 600 l/h door de radiatorafsluiter | | Beschikbaar drukverschil Δp | 0,04 bar | 4 kPa, gemeten of berekend over de afsluiter | | Benodigde Kv-waarde | Kv = 0,6 / wortel(0,04) = 0,6 / 0,2 = 3,0 | Kies de afsluiterstand waarbij de fabrikanttabel deze Kv-waarde geeft | Een grotere Δp bij hetzelfde debiet geeft een kleinere benodigde Kv-waarde (een verder dichtgedraaide afsluiter), en omgekeerd. Dat is precies waarom je bij het inregelen niet alleen het debiet, maar ook het beschikbare drukverschil moet weten. > **Verdieping: waarom een te grote afsluiter een probleem is** > Een installateur die "voor de zekerheid" een ruimere afsluiter kiest dan nodig, kiest impliciet voor een lagere autoriteit: bij een grotere doorlaat (hogere kvs) hoort bij hetzelfde debiet een kleiner drukverschil over de afsluiter, en dus minder invloed van elke verstelling. Een te ruim gekozen ventiel is dus niet "veiliger", het maakt de regeling juist minder voorspelbaar. #### Waar je dit in de rest van de module tegenkomt Les 14.3 laat zien hoe fabrikanten dit vertalen naar concrete instelventielen: sommige laten jou de kv-waarde vooraf instellen (statisch), andere houden het drukverschil over het ventiel zelf constant (dynamisch, met een ingebouwde of losse drukverschilregelaar) en hebben daardoor per definitie een hoge autoriteit. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen dat water de weg van de minste weerstand kiest, niet de weg die de meeste warmte nodig heeft - Ik kan de autoriteit van een ventiel omschrijven en de vuistregel van minstens 0,5 toepassen - Ik kan met de formule Kv = qv / wortel(Δp) een benodigde Kv-waarde berekenen - Ik leg uit waarom een te ruim gekozen afsluiter de regeling juist minder voorspelbaar maakt - Ik koppel dit hoofdstuk aan de kwadratische drukval uit module 3 ### Les 14.3: Instelventielen en regelaars URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/instelventielen-en-regelaars/ **Leerdoel:** Je kunt statische en dynamische regelventielen en thermostaatkranen uit elkaar houden en weet wanneer je welke toepast. #### Statisch: een vaste doorlaat, ingesteld op vollast Bij statisch inregelen zet je de maximale doorlaat (kv-waarde) van de afsluiter vast op basis van een aangenomen of berekend drukverschil, uitgaand van een vollastsituatie. Het nadeel: verandert de warmtevraag (bijvoorbeeld doordat andere radiatoren met thermostaatkranen dichtgaan), dan neemt het drukverschil over de nog openstaande afsluiters toe, en stroomt daar onnodig veel water doorheen. Statisch inregelen werkt dus het beste in een installatie waar de afsluiters zelden of nooit dichtgaan, of als eenvoudige en goedkope basisoplossing. #### Dynamisch: het drukverschil zelf wordt vastgehouden Bij dynamisch inregelen krijgt de installatie een drukverschilregeling per radiator of per groep radiatoren. Die houdt het drukverschil over de ingeregelde maximale doorlaat vast, in zowel vol- als deellast. Het gevolg: de ingestelde volumestroom blijft gelijk, ongeacht hoeveel andere radiatoren open of dicht staan. Twee opties zijn gangbaar: - **Optie 1**: per radiator een voorinstelbare afsluiter met een ingebouwde drukverschilregeling (bijvoorbeeld een Danfoss RA-DV). Geschikt voor zowel een enkele woning als een collectieve installatie. - **Optie 2**: per radiator een gewone voorinstelbare afsluiter (bijvoorbeeld een Danfoss RA-N), met per groep radiatoren een losse drukverschilregelaar (bijvoorbeeld een Danfoss ASV-PV). Vooral toegepast in collectieve installaties (per woning of per stijgleiding). > **Statisch is een momentopname, dynamisch houdt zichzelf in de gaten** > Statisch inregelen legt de doorlaat vast op een aanname voor vollast. Dynamisch inregelen legt in plaats daarvan het drukverschil vast, waardoor de doorlaat zich vanzelf aanpast als de rest van het systeem verandert. Voor een moderne installatie met veel thermostaatkranen (die voortdurend open en dicht gaan) is dynamisch daardoor de stabielere keuze. #### Rekenvoorbeeld: een Herz thermostaatafsluiter voorinstellen Fabrikanten van statische afsluiters (bijvoorbeeld Herz) geven een tabel of grafiek waarmee je, bij een bekend radiatorvermogen, drukverschil en temperatuurverschil, de juiste voorinstelling afleest. | Grootheid | Waarde | |---|---| | Radiatorvermogen | 2000 W | | Aangenomen drukverschil | 10 kPa | | Temperatuurverschil aanvoer-retour | 20 K | | Voorinstelling (Herz TS-98-V, uit de fabriekstabel) | 1,8 | Is het drukverschil onbekend, dan noemt Herz als vuistregel 10 kPa; bij lange horizontale leidingen wordt gedifferentieerd naar 5 kPa voor afsluiters het verst van de aftakking, 10 kPa in het midden en 15 kPa dichtbij de aftakking. Dit zijn voorbeelden van Herz: elke fabrikant heeft zijn eigen tabel en schaal, dus lees de tabel van het gemonteerde merk en model. #### Drukonafhankelijke regelventielen (PICV) Een drukonafhankelijk regelventiel (in het Engels pressure independent control valve, PICV) combineert in een enkel huis een motorbediende afsluiter, een vaste flowbegrenzing en een drukverschilregelaar. Danfoss noemt dit "100% autoriteit": drukschommelingen in het systeem hebben geen invloed meer op de ingestelde volumestroom, waardoor de autoriteitsdiscussie uit les 14.2 in principe overbodig wordt. Oventrop levert met de Cocon QTZ een vergelijkbaar product: een uitvoering DN32 heeft bijvoorbeeld een kvs-waarde van 7,2 en een debietbereik van 600 tot 3600 l/h. Dit zijn voorbeelden per merk en model: het debietbereik en de kvs-waarde verschillen per maat. #### Meten in plaats van rekenen Danfoss levert met de PFM100 drukverschilmeter (met de dP-tool-uitbreiding) een instrument waarmee je op een Danfoss RA-N of RA-DV radiatorafsluiter direct het beschikbare drukverschil meet, zonder dat je de pompcapaciteit hoeft te berekenen: kies de radiator het verst van de pomp, open alle radiatorafsluiters, zet de voorinstelling op stand 2 en meet volgens de instructie van het instrument. Andere fabrikanten (Herz, Oventrop, IMI Heimeier) hebben vergelijkbare meetinstrumenten voor hun eigen afsluiters. **Controleer jezelf:** - Ik kan het verschil tussen statisch en dynamisch inregelen uitleggen aan de hand van vol- en deellast - Ik ken de twee opties voor dynamisch inregelen (afsluiter met ingebouwde regeling, of afsluiter plus losse drukverschilregelaar per groep) - Ik kan met een fabrikanttabel of -grafiek een voorinstelling aflezen bij een gegeven vermogen, drukverschil en temperatuurverschil - Ik kan uitleggen waarom een drukonafhankelijk regelventiel de autoriteitsdiscussie overbodig maakt - Ik weet dat instelwaarden, schalen en kvs-waarden per merk en model verschillen ### Les 14.4: Vermogen en debiet per radiator berekenen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vermogen-en-debiet-per-radiator-berekenen/ **Leerdoel:** Je kunt het vermogen en het benodigde debiet van elke radiator berekenen en daaruit de instelling afleiden. #### Van vermogen naar debiet: dezelfde formule als in module 3 Uit module 3 (les 3.6) ken je de debietformule: debiet (l/h) = vermogen (W) / (1,163 x ΔT (K)). Fabrikanten van inregelmateriaal schrijven dezelfde formule vaak als qv = 0,86 x P / ΔT, met dezelfde eenheden: 1 gedeeld door 1,163 is namelijk 0,86. Twee onafhankelijke fabrikantbronnen (Intergas in module 3, Danfoss hier) komen dus op dezelfde constante uit, wat de formule bevestigt. > **Je moet het vermogen kennen voor je het debiet kunt bepalen** > Om een radiator waterzijdig in te regelen, heb je eerst het vermogen nodig dat die radiator moet leveren bij het gekozen temperatuurregime. Pas daarna kun je met de debietformule uitrekenen hoeveel water daarvoor nodig is, en met de kv-formule uit les 14.2 welke afsluiterstand daarbij hoort. #### Het vermogen van een bestaande radiator schatten Is het genormeerde vermogen van een bestaande radiator onbekend (vaak het geval bij een oudere installatie), dan kun je met een grove vuistregel per bouwjaar van de woning een indicatie krijgen van het benodigde vermogen per vierkante meter vloeroppervlak, bij een plafondhoogte van ongeveer 2,65 m: | Bouwjaar | Verwarmingscapaciteit per m2 | |---|---| | 1946-1964 | 140 W/m2 | | 1965-1974 | 130 W/m2 | | 1975-1982 | 120 W/m2 | | 1983-1991 | 115 W/m2 | | 1992-2004 | 105 W/m2 | | 2005-2009 | 100 W/m2 | | 2010-2015 | 85 W/m2 | Dit is uitdrukkelijk een benadering voor een gemiddelde woning, geen vervanging voor een echte warmteverliesberekening (ISSO 51). Rekenvoorbeeld: een woonkamer van 5 bij 4,5 meter in een woning uit 1978 heeft een benodigd radiatorvermogen van 5 x 4,5 x 120 = 2700 W. #### Corrigeren voor een ander temperatuurregime Uit module 7 (les 7.1) ken je de exponentformule Phi = Km x (ΔT)^n om het vermogen van een radiator om te rekenen naar een ander regime. Danfoss gebruikt in plaats daarvan een vaste correctietabel ten opzichte van het referentieregime 75/65: | Regime (aanvoer/retour) | Correctiefactor | |---|---| | 75/65 (normconditie) | 1,00 | | 80/60 | 1,01 | | 75/55 | 1,17 | | 70/55 | 1,25 | | 70/50 | 1,37 | | 55/45 | 1,96 | | 50/40 | 2,50 | Het regime 70/40 (factor 1,73) wordt volgens Danfoss uitsluitend bij stadsverwarming toegepast. Deze factoren gelden bij een ruimtetemperatuur van 20 graden en zijn, net als de exponentformule uit module 7, een benadering: voor het regime 70/50 geeft de correctietabel bijvoorbeeld 1,37 en de exponentformule met n = 1,3 ongeveer 1,33, twee onafhankelijke methoden die dicht bij elkaar uitkomen. #### Rekenvoorbeeld: bestaand vermogen bij lagere temperatuur Een bestaande radiator heeft een genormeerd vermogen van 2250 W bij 75/65. De woning is beter geisoleerd en de installatie wordt teruggezet naar 70/55 (correctiefactor 1,25). Werkelijk afgegeven vermogen bij 70/55 = 2250 / 1,25 = 1800 W. #### Rekenvoorbeeld: nieuw radiatorvermogen kiezen bij een lage stooktemperatuur Een ruimte heeft 1658 W nodig bij een regime van 55/45 (correctiefactor 1,96). Welk genormeerd vermogen (bij 75/65) moet de nieuwe radiator dan hebben? Benodigd genormeerd vermogen = 1658 x 1,96 = 3250 W (afgerond op een leverbare maat). #### Van vermogen naar afsluiterstand Is het vermogen bij het gekozen regime bekend, dan volgt het debiet uit de formule aan het begin van deze les, en de benodigde kv-waarde uit de formule in les 14.2. Fabrikanten van radiatorafsluiters (zoals Danfoss met zijn gratis Installer App) bieden hiervoor een rekentool aan die deze stappen voor je doet en meteen een inregelrapport genereert. **Controleer jezelf:** - Ik kan met debiet = vermogen / (1,163 x ΔT) het benodigde debiet van een radiator berekenen - Ik gebruik de bouwjaartabel alleen als grove schatting, niet als vervanging voor een warmteverliesberekening - Ik kan met een correctiefactor of de exponentformule het vermogen van een radiator omrekenen naar een ander temperatuurregime - Ik reken uit welk genormeerd vermogen een nieuwe radiator nodig heeft bij een gekozen, lagere stooktemperatuur - Ik weet dat de correctietabel en de exponentformule twee verschillende, elkaar bevestigende methoden zijn ### Les 14.5: Inregelen in de praktijk: de methoden stap voor stap URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/inregelen-in-de-praktijk-de-methoden-stap-voor-stap/ **Leerdoel:** Je kunt een installatie inregelen met de gangbare methoden en de instellingen onderbouwen. #### Voordat je begint Loop de installatie na voordat je met inregelen begint: zet alle radiatorafsluiters open, controleer de installatiedruk en ontlucht de installatie, en controleer bij elke radiator of de aanvoer- en retouraansluiting niet zijn verwisseld (dat geeft een verkeerd beeld van het temperatuurverschil bij de temperatuurmethode hieronder). Stel pas daarna de installatie in bedrijf. #### Methode 1: rekenkundig vooraf instellen (dynamisch inregelen) Deze methode volgt rechtstreeks uit les 14.3 en 14.4: eerst het vermogen en het ontwerpdebiet per radiator berekenen, dan de weg te smoren druk over elke afsluiter bepalen (op basis van een drukverliesberekening van het leidingnet), en pas daarna met de fabrieksgrafiek of -tabel van de afsluiter de juiste voorinstelling aflezen. Dit is de methode die je vooraf, op tekening, kunt doen, en die achteraf op de bouwplaats alleen nog het instellen van de berekende standen vraagt. #### Methode 2: meten met een debietmeter of drukverschilmeter In plaats van te rekenen, kun je het resultaat direct meten. Een drukverschilmeter (zoals de Danfoss PFM100 met dP-tool uit les 14.3) laat je het beschikbare drukverschil over een afsluiter meten, waarna je met de Kv-formule of de fabriekstabel de juiste stand bepaalt. Bij vloerverwarming (les 14.6) gebeurt dit met een debietmeter die rechtstreeks op de verdeler is ingebouwd, waardoor je het debiet per kring direct kunt aflezen zonder tussenstap. #### Methode 3: de temperatuurmethode (statisch inregelen) De temperatuurmethode regelt in op basis van het gemeten temperatuurverschil (ΔT) tussen aanvoer en retour, en is geschikt als je geen debiet- of drukverschilmeter hebt. 1. Draai de inregelafsluiters bij alle radiatoren 20 procent open. 2. Meet bij elke radiator het ΔT tussen aanvoer en retour, en noteer dit. 3. Deel de laagst gemeten ΔT door de hoogst gemeten ΔT (de inregelfactor). 4. Is de uitkomst groter dan 0,8, dan is de installatie voldoende in balans. Is de uitkomst lager, ga door naar stap 5. 5. Draai bij radiatoren met een grote ΔT de afsluiter verder open, en bij radiatoren met een kleine ΔT verder dicht. 6. Herhaal stap 2 tot 4. Twee belangrijke voorwaarden: de aanvoertemperatuur moet ongeveer 20 minuten op een nagenoeg constante waarde staan voor je gaat meten, en deze methode werkt niet bij vloer- of wandverwarming (zie les 14.6 voor de methode die daar wel werkt). > **De inregelfactor is een verhouding, geen absoluut getal** > Tmin / Tmax > 0,8 betekent: het temperatuurverschil bij de "traagste" radiator mag niet minder zijn dan 80 procent van het temperatuurverschil bij de "snelste" radiator. Is de verhouding lager, dan stroomt er relatief te veel water door de ene en te weinig door de andere radiator, en moet je bijstellen. #### Rekenvoorbeeld: de temperatuurmethode toepassen Na de eerste ronde meet je bij radiator A een ΔT van 8 K en bij radiator B (de traagste) een ΔT van 5 K. Inregelfactor = 5 / 8 = 0,625. Dat is lager dan 0,8, dus je draait de afsluiter van radiator A (grote ΔT) verder open en die van radiator B (kleine ΔT) verder dicht, en meet opnieuw. Blijkt de inregelfactor na de tweede ronde 6 / 7 = 0,86, dan mag je stoppen: dat is boven de 0,8. #### Temperatuur meten: contact of infrarood Temperatuur meet je met een contactmeter (met klemsensoren op aanvoer en retour, die de aanvoer, retour en ΔT in een keer uitlezen) of met een infraroodmeter. Een infraroodmeting is eenvoudiger, maar de meetafstand, de hoek en een terugkaatsend oppervlak kunnen de meting nadelig beinvloeden, wat tot grotere afwijkingen leidt dan bij een contactmeting. Richt een infraroodmeter (die met een laser werkt) nooit op gezichten. #### Pomp en ketelvermogen mee-instellen Naast de afsluiters zelf hoort bij inregelen ook het instellen van het cv-vermogen (vaak staat een ketel op 30 tot 50 procent van zijn maximale vermogen tijdens cv-bedrijf) en het maximale pompdebiet, via het installateursmenu van het toestel. Voor een gewone woning is een drukverschil van 15 tot 20 kPa over de installatie meestal voldoende; voor woongebouwen (collectieve installaties) die goed zijn ingeregeld is een pompcurve met een constant drukverschil de beste keuze, terwijl bij individuele woninginstallaties met thermostaatkranen een pompregeling met proportionele druk (of een automatische modus die daarop is gebaseerd) de gangbare keuze is. **Controleer jezelf:** - Ik controleer voor het inregelen altijd of aanvoer en retour bij elke radiator niet zijn verwisseld - Ik kan de drie methoden (rekenkundig vooraf, meten, temperatuurmethode) benoemen en hun voor- en nadelen - Ik kan de temperatuurmethode in stappen uitvoeren en de inregelfactor Tmin/Tmax berekenen - Ik weet dat de temperatuurmethode niet werkt bij vloer- of wandverwarming - Ik richt een infraroodmeter nooit op gezichten - Ik stel naast de afsluiters ook het cv-vermogen en de pompinstelling mee in ### Les 14.6: Vloerverwarming inregelen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/vloerverwarming-inregelen/ **Leerdoel:** Je kunt de kringen van vloerverwarming inregelen en het debiet per kring controleren met de debietmeter op de verdeler. #### Waarom vloerverwarming een andere methode vraagt De temperatuurmethode uit les 14.5 werkt niet bij vloer- of wandverwarming: de grote thermische massa van de dekvloer (les 7.3) maakt dat het temperatuurverschil tussen aanvoer en retour van een kring traag reageert op een verstelling, en er zijn geen radiatorafsluiters om op temperatuur te sturen. Bij vloerverwarming regel je daarom in met een debietmeter die rechtstreeks op de verdeler is ingebouwd, en die het debiet per kring in l/min laat aflezen. > **Bij vloerverwarming lees je het debiet af, je meet geen temperatuurverschil** > Op de aanvoerverdeler van een vloerverwarmingssysteem zit voor elke kring een debietmeter, meestal met een schaal van 0 tot 5 l/min. Je stelt het regelventiel van die kring in tot de debietmeter het berekende of gewenste debiet toont, zonder dat je daarvoor een temperatuur hoeft te meten of een referentiegrafiek nodig hebt. #### De opbouw van een verdeler Zowel Caleffi als Uponor (twee onafhankelijke fabrikanten) bouwen hun vloerverwarmingsverdelers op dezelfde manier op: de debietmeter (flowmeter) zit per kring op de aanvoerverdeler en toont het actuele debiet, en de retourverdeler heeft per kring een afsluiter (handmatig of elektrothermisch/thermisch aangedreven) waarmee die kring geheel kan worden afgesloten. Caleffi's verdeler voor vloerverwarming (serie 664) heeft bijvoorbeeld een debietmeterschaal van 0 tot 5 l/min met een nauwkeurigheid van plus of min 10 procent, een maximale bedrijfsdruk van 6 bar en een bedrijfstemperatuur van 5 tot 60 graden. Uponor levert onder meer de Vario S FM met geintegreerde debietmeters (eveneens 0 tot 5 l/min) voor 2 tot 16 kringen, en de Vario Plus, leverbaar met een stelring (zonder aflezing) of met een debietmeter. Dit zijn voorbeelden per merk en model: de precieze schaal en het aantal kringen verschillen. #### Rekenvoorbeeld: debiet per kring bepalen Voor het benodigde debiet per kring geldt dezelfde debietformule als in les 14.4, met het kleinere temperatuurverschil dat bij vloerverwarming gebruikelijk is (zie ook AFG-33 in module 7). | Grootheid | Waarde | Toelichting | |---|---|---| | Vermogen van de kring | 700 W | Bijvoorbeeld een badkamervloer van ongeveer 10 m2 | | Aangenomen ΔT | 5 K | Kleiner dan bij een radiatorcircuit (vaak ongeveer 20 K), dus een aanname die je expliciet benoemt | | Debiet | 700 / (1,163 x 5) = 700 / 5,82 is ongeveer 120 l/h, dus ongeveer 2,0 l/min | Stel de debietmeter van deze kring in op ongeveer 2,0 l/min | Een kleiner ΔT bij hetzelfde vermogen vraagt dus een groter debiet dan bij een radiatorcircuit: dat is precies de reden waarom vloerverwarmingsverdelers met een fijnere schaal (0 tot 5 l/min) werken dan de kv-waarden van radiatorafsluiters. #### Ontluchten voor je inregelt Ontlucht de verdeler en alle kringen grondig voor je begint met instellen: lucht in een kring geeft een onbetrouwbare aflezing op de debietmeter en kan een kring lijken te blokkeren terwijl het probleem eigenlijk lucht is. #### Wanneer een mengverdeler nodig is Voedt een cv-ketel op hoge temperatuur (bijvoorbeeld ongeveer 80 graden, zoals bij radiatoren) ook een vloerverwarmingskring, dan is een mengverdeler met een eigen pomp nodig die het hete aanvoerwater mengt met retourwater tot de lagere temperatuur die de vloer nodig heeft (zie les 7.4/7.5, AFG-30). Sluit vloerverwarming nooit rechtstreeks aan op een hogetemperatuur-aanvoer zonder mengunit: dat overschrijdt de toegestane vloertemperatuur. #### Bij twijfel: warmtebeeldcamera Een warmtebeeldcamera laat zien of een kring gelijkmatig warm wordt over zijn hele lengte, en is een aanvulling op de debietmeting: een kring die op de debietmeter het juiste debiet toont maar toch een koude plek heeft, kan lucht bevatten of een knik in de leiding hebben. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat de temperatuurmethode niet werkt bij vloerverwarming en gebruik in plaats daarvan de debietmeter op de verdeler - Ik kan de opbouw van een vloerverwarmingsverdeler beschrijven: debietmeter op de aanvoer, afsluiter op de retour, per kring - Ik ontlucht de verdeler en alle kringen voor ik ga inregelen - Ik kan met de debietformule en een aangenomen ΔT het debiet per kring berekenen en instellen - Ik weet wanneer een mengverdeler nodig is voordat vloerverwarming op een hogetemperatuurbron wordt aangesloten ### Les 14.7: Controleren, meten en opleveren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/controleren-meten-en-opleveren/ **Leerdoel:** Je kunt het resultaat van het inregelen meten, beoordelen en vastleggen voor de klant en de volgende monteur. #### Wat je meet om te bewijzen dat het goed is Inregelen is pas klaar als je het resultaat kunt aantonen, niet als je "denkt dat het beter is". Controleer en leg minstens dit vast: - De inregelfactor (Tmin / Tmax) van de temperatuurmethode, of het afgelezen debiet per kring bij vloerverwarming, ligt binnen de gestelde grens. - Elke ruimte bereikt zijn ontwerptemperatuur binnen een redelijke tijd, ook op een koude dag: een test bij mild weer geeft een te optimistisch beeld, omdat de warmtevraag dan laag is (zie ook les 7.6). - De waterdruk van de installatie is na het werk nog steeds correct (module 3). - Geen ruisend geluid meer bij volledig openstaande afsluiters. #### Vullen en ontluchten na montage van nieuwe afsluiters Na het monteren van nieuwe radiatorafsluiters of een nieuwe verdeler hoort een correcte vul- en ontluchtingsprocedure, bijvoorbeeld: 1. Ketel uitschakelen en de installatie 30 minuten laten afkoelen (het water kan heet zijn). 2. De vulslang eerst volledig met water vullen voor je hem aansluit, om te voorkomen dat er lucht vanuit de slang de installatie in gaat. 3. Vullen tot de gewenste druk (vaak tussen 1,5 en 2,0 bar, afhankelijk van het toestel en het expansievat, zie module 3) en dan pas de vulslang loskoppelen. 4. Alle radiatorafsluiters volledig open, de aanvoertemperatuur 15 minuten zo hoog mogelijk, de ketel 10 minuten spanningsloos. 5. Ontluchten van beneden naar boven, dus bij de laagst gelegen radiator beginnen. 6. Het expansievat ontluchten. 7. De ketel weer inschakelen en de waterdruk opnieuw controleren. > **Opleveren is meer dan "klaar zijn"** > Een inregelklus is pas afgerond als je kunt laten zien wat er is ingesteld: welke afsluiterstand of welk debiet per radiator of kring, en welk resultaat dat gaf. Zonder die vastlegging kan een volgende monteur (of jij zelf, een jaar later) niet meer beoordelen of een klacht door een verkeerde instelling komt of door iets anders. #### Wat je vastlegt Leg per radiator of kring vast: de gekozen voorinstelling of het ingestelde debiet, en de gemeten temperatuur of het afgelezen debiet na afronding. Sommige fabrikanten (zoals Danfoss met zijn Installer App) bieden een tool om automatisch een inregelrapport te genereren op basis van de ingevoerde gegevens. Zo'n rapport is nuttig bewijs bij een klacht achteraf, en scheelt een volgende monteur het opnieuw moeten uitzoeken van de installatie. #### Wat je de klant uitlegt Leg in gewone taal uit wat er is gedaan en wat het resultaat is: alle radiatoren of vloerverwarmingskringen warmen gelijkmatiger op, er gaat minder warmte verloren via de leidingen, de ketel of warmtepomp werkt met een beter rendement, er is geen hinderlijk geluid meer, en de stookkosten dalen. Vermeld ook wat de klant zelf niet meer moet doen: aan de nieuwe voorinstellingen van de afsluiters komen zonder overleg, want dat verstoort de balans die je net hebt ingesteld. #### Waar je bevoegdheid ophoudt Deze cursus geeft geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO. Fabrikanten zoals Danfoss bieden weliswaar een eigen certificaat voor dynamisch waterzijdig inregelen aan via e-learning, maar dat is een fabrikanttraining, geen wettelijk erkend certificaat en geen vervanging voor het Bewijs van Vakmanschap CO of een BRL-erkenning. Weten wat een fabrikantcertificaat wel en niet dekt, hoort bij vakbekwaamheid. **Controleer jezelf:** - Ik controleer na inregelen de inregelfactor of het debiet per kring, de opwarmtijd op een koude dag, de waterdruk en het geluid - Ik test niet alleen bij mild weer, omdat dat een te optimistisch beeld geeft - Ik volg een vaste volgorde bij vullen en ontluchten na montage van nieuwe afsluiters - Ik leg per radiator of kring de ingestelde waarde en het gemeten resultaat vast - Ik leg de klant het resultaat en het "niet zelf verstellen" uit in gewone taal - Ik weet dat een fabrikantcertificaat voor inregelen geen Bewijs van Vakmanschap CO vervangt ## Module 15: Onderhoud URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/onderhoud/ De onderhoudsbeurt als vast proces: inspecteren, reinigen, slijtdelen vervangen, veiligheid controleren, meten en rapporteren. Zo werk je reproduceerbaar en vind je problemen voordat de klant ze merkt. **Na deze module kun je:** - Een onderhoudsbeurt als vast proces uitvoeren - Brander, warmtewisselaar en sifon inspecteren en reinigen - Slijtdelen herkennen en vervangen volgens de fabrikant - De veiligheidsfuncties controleren en afronden met een meting - De bevindingen rapporteren en de klant adviseren ### Les 15.1: De onderhoudsbeurt als proces URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-onderhoudsbeurt-als-proces/ **Leerdoel:** Je kunt een onderhoudsbeurt als vast proces uitvoeren, van veiligheid vooraf tot afronden en rapporteren. #### Een onderhoudsbeurt is geen los rijtje handelingen Een goede monteur doet bij elke ketel hetzelfde soort stappen, in dezelfde volgorde, ongeacht merk of humeur. Dat is geen kwestie van gewoonte: het is de enige manier om niets te vergeten en om achteraf te kunnen aantonen wat je hebt gecontroleerd. Vaillant beschrijft dit voor de ecoTEC plus VHR letterlijk als een vaste volgorde: eerst het toestel tijdelijk buiten bedrijf stellen, dan de voormantel demonteren, de schakelkast beschermen tegen spatwater, en pas daarna de compacte thermomodule demonteren om bij brander, warmtewisselaar en sifon te kunnen. Andere merken hebben hun eigen volgorde, maar het principe is hetzelfde: eerst veilig maken, dan pas openen. #### Hoe vaak is onderhoud nodig? Er bestaat geen wettelijke onderhoudsplicht voor de eigenaar van een cv-ketel: artikel 2.6 van het Bbl verplicht wel dat een installatie functioneert en geen gevaar oplevert, maar legt geen vaste termijn op. De fabrikant bepaalt daarom in de praktijk het interval, en dat loopt uiteen: Intergas eist jaarlijks onderhoud (ook voor de garantie), Nefit ProLine NxT noemt minimaal eens per 2 jaar, ATAG adviseert jaarlijks met minimaal een inspectie per 2 jaar en onderhoud per 4 jaar, en Vaillant splitst het per onderdeel (VLT/VGA en verontreiniging jaarlijks, isolatiematten en brander minimaal iedere 2 jaar). Is er geen fabrikantvoorschrift, dan valt de BRL 6000-25 terug op minimaal een keer per 12 maanden met de controlepunten uit Bijlage 4. Een vaste waarde als "om de 2 jaar is altijd genoeg" bestaat dus niet: je kijkt naar het toestel dat voor je hangt. #### Veiligheid vooraf: eerst meten, dan pas werken Voordat je iets demonteert, meet je de CO-concentratie in de opstellingsruimte, op ongeveer 1,7 m hoogte en 1 m van het toestel. Onder de 5 ppm kun je zonder bezwaar beginnen. Tussen 5 en 20 ppm doe je nader onderzoek naar de oorzaak en meld je dat aan de opdrachtgever, waarna je verder werkt. Boven de 20 ppm geldt de wettelijke meldplicht: onverwijld en schriftelijk melden aan bewoner of gebruiker, eigenaar, bevoegd gezag en de certificerende instelling. Hoe je die meting precies uitvoert en beoordeelt, staat in [module 10](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/meten-en-analyseren/); hier is het genoeg om te onthouden dat de meting altijd vóór het werk gebeurt, niet pas achteraf als er iets misgaat. > **De volgorde is het proces** > Eerst de storings- en foutgeschiedenis uitlezen, dan de ruimte-CO meten, dan pas het toestel spanningsloos en gasvrij maken en openen. Wie deze volgorde omdraait, werkt op een toestel waarvan hij de voorgeschiedenis en de veiligheid nog niet kent. #### Beginnen bij de geschiedenis, niet bij de brander Voordat je iets schoonmaakt, lees je de storings- en foutgeschiedenis van het toestel uit: Nefit vraagt om het historiemenu te bekijken, Vaillant bewaart de tien laatste foutmeldingen en noodbedrijfmeldingen. Een terugkerende code vertelt je vaak meer dan een visuele controle. Vaillant biedt in het installateurmenu bovendien een actortest (T.001 tot en met T.007) waarmee je losse componenten, zoals de interne pomp, de driewegklep of de ventilator, apart aanstuurt en controleert, los van een warmtevraag. Zo weet je zeker of een onderdeel fysiek werkt voordat je een storing aan iets anders toeschrijft. #### Praktijkgeval: de klant belt over een "vreemde geur bij het starten" Een klant meldt dat de ketel bij het opstarten soms een vreemde geur geeft. Je noteert dat vooraf, samen met eventuele eerdere storingsmeldingen en de leeftijd van het toestel. Op locatie meet je eerst de CO in de opstellingsruimte: 3 ppm, geen bezwaar om te beginnen. Je leest de foutgeschiedenis uit en ziet geen recente meldingen. Bij de visuele controle valt op dat de sifon droogstaat: de geur is condens- en rookgaslucht via de open sifon, geen gaslek. Je vult de sifon, controleert daarna alsnog de rest van de checklist, en meet aan het eind opnieuw de ruimte-CO om te bevestigen dat alles weer normaal is. Zonder de vaste volgorde (eerst meten, dan geschiedenis, dan pas visueel) had je misschien meteen aan de brander getwijfeld. #### Afronden en vastleggen Vaillant sluit bijvoorbeeld elke onderhoudsbeurt van de ecoTEC plus VHR af met dezelfde vaste stappen: de gasaansluitdruk of gasstroomdruk controleren, het CO2- en O2-gehalte controleren, het toestel op dichtheid controleren, het onderhoudsinterval opnieuw instellen (bijvoorbeeld via bedrijfsuren of een vaste datum) en de inspectie en het onderhoud noteren. Andere merken hebben een vergelijkbare afsluitende volgorde, met net andere stappen of een andere manier van intervalinstelling: zoek dit op in de handleiding van het toestel. Van elke controle leg je vast wat je hebt gecontroleerd, met welke instrumenten, wat de resultaten waren en of er afwijkingen zijn geconstateerd. Dat is niet alleen prettig voor de volgende monteur: de certificerende instelling kan dit bij een steekproef opvragen. Rapporteren en klantadvies werken we verder uit in [les 15.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/rapporteren-en-klantadvies/). **Controleer jezelf:** - Ik lees eerst de storings- en foutgeschiedenis uit voordat ik iets demonteer - Ik meet de CO in de opstellingsruimte voordat ik begin, en beoordeel de uitkomst volgens het actiekader (onder 5, 5 tot 20, boven 20 ppm) - Ik volg een vaste volgorde: buiten bedrijf stellen, mantel demonteren, dan pas de thermomodule of gelijkwaardige onderdelen - Ik weet dat het onderhoudsinterval per fabrikant en model verschilt en zoek dit op in plaats van uit mijn hoofd te werken - Ik sluit elke onderhoudsbeurt af met dezelfde stappen: gasdruk, CO2/O2, dichtheid, interval resetten, noteren ### Les 15.2: Reinigen en inspecteren URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/reinigen-en-inspecteren/ **Leerdoel:** Je kunt brander, warmtewisselaar en sifon inspecteren en reinigen zonder onderdelen te beschadigen. #### Reinigen is per merk anders, en dat is geen slordigheid Wie denkt dat "de warmtewisselaar schoonmaken" bij elk toestel hetzelfde is, maakt een dure fout. Vaillant reinigt de warmtewisselaar van de ecoTEC plus VHR met water of, indien nodig, azijn tot maximaal 5% zuur met een inwerktijd van 20 minuten, spoelt het losgekomen vuil af met een scherpe waterstraal of kunststofborstel, en richt die straal nadrukkelijk niet direct op de isolatiemat aan de achterkant. Remeha zegt voor de Calenta Ace het tegenovergestelde: de warmtewisselaar heeft aan de verbrandingszijde een oppervlaktebehandeling en hoeft niet te worden gereinigd, en reinigingsgereedschap, chemische middelen, perslucht en water zijn daar niet toegestaan. Intergas (Kombi Kompakt HRE) zit er tussenin: brander en geïntegreerde isolatieplaat behoeven geen onderhoud en mogen nooit met borstel of perslucht worden gereinigd (keramische vezels), terwijl de stuwstrippen en lamellen van de warmtewisselaar wél met een borstel of stofzuiger worden gereinigd. Nefit (ProLine NxT) gebruikt een zachte borstel en een stofzuiger met goed stoffilter (met mondkapje), zonder staalborstel en zonder perslucht. > **Er is geen algemene reinigingsmethode** > Water, azijn, borstel, stofzuiger of juist "niet aanraken": wat is toegestaan hangt af van het merk en het model. Zoek dit op in de handleiding van het toestel dat voor je hangt, in plaats van de methode van je vorige klus te herhalen. #### Een vaste controlevolgorde bij het openen Bij het demonteren van de brander- en verbrandingsmodule controleert Vaillant steeds drie dingen na elkaar: de warmtewisselaar op schade (bij schade vervangen), de warmtewisselaar op verontreiniging (bij vervuiling reinigen) en de isolatiemat van de warmtewisselaar op beschadiging (bij beschadiging vervangen). Die volgorde is bruikbaar bij elk merk: eerst kijken of iets kapot is voordat je gaat schoonmaken, want schoonmaken van een beschadigd onderdeel lost niets op. #### Waarom de branderflens-afdichting geen "nog wel even goed"-onderdeel is > **Beschadigde afdichting, isolatiemat of moeren op de branderflens** > Als de afdichting, de isolatiemat of de zelfborgende moeren op de branderflens beschadigd zijn, kunnen hete verbrandingsgassen lekken. Dat is geen esthetisch mankement maar levensgevaar: verbrandingsgassen horen niet in de opstellingsruimte. Daarom vervangt Vaillant bij elke keer openen van de branderflens standaard de afdichting én de zelfborgende moeren, en vervangt hij de isolatiemat zodra die tekenen van beschadiging vertoont, ook als hij er op het eerste gezicht nog bruikbaar uitziet. #### Wat je verder tijdens een onderhoudsbeurt reinigt Naast de warmtewisselaar en de brander hoort bij een volledige beurt: de zeef in de koudwateringang van een combitoestel (Vaillant sluit hiervoor eerst de koudwaterstopkraan, maakt het toestel aan warmwaterzijde leeg en plaatst bij het terugbouwen altijd een nieuwe O-ring), de sifonbeker (spoelen en opnieuw vullen tot de voorgeschreven vulhoogte, zie [module 8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/) voor de werking van de sifon zelf), en bij Remeha de platenwarmtewisselaar aan de tapwaterzijde als de tapcapaciteit merkbaar lager is dan de opgegeven waarde, met bijvoorbeeld citroenzuur (pH ongeveer 3) en grondig naspoelen. Chemische stoffen zoals sprays, chloorhoudende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen en verf horen nooit in de buurt van het toestel of in de verbrandingslucht: ze veroorzaken corrosie en storingen, ook als je zelf niets aan het toestel doet. #### Praktijkgeval: een ATAG en een Remeha op dezelfde dag Je onderhoudt 's ochtends een ATAG-toestel en 's middags een Remeha Calenta Ace. Bij de ATAG reinig je de brander volgens het voorschrift van dat model. Aan het einde van de dag pak je uit gewoonte hetzelfde reinigingsgereedschap voor de warmtewisselaar van de Calenta Ace. Voordat je begint, controleer je de handleiding: Remeha verbiedt dat expliciet voor dit model. Je laat de warmtewisselaar met rust, controleert alleen op schade en vervuiling, en gaat verder met de rest van de checklist. Twee toestellen op dezelfde dag, twee verschillende reinigingsregimes: dat is precies waarom je de handleiding raadpleegt in plaats van op geheugen te werken. **Controleer jezelf:** - Ik controleer eerst het reinigingsvoorschrift van dit merk en model voordat ik begin - Ik controleer bij het openen eerst op schade, dan op vervuiling, dan op een beschadigde isolatiemat - Ik vervang de afdichting en de zelfborgende moeren van de branderflens telkens als ik die flens open - Ik gebruik nooit chemische middelen, sprays of perslucht op een onderdeel waarvoor de fabrikant dat verbiedt - Ik reinig de sifon en controleer of hij na het werk weer gevuld is voordat het toestel weer brandt ### Les 15.3: Slijtdelen en vervangen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/slijtdelen-en-vervangen/ **Leerdoel:** Je kunt slijtdelen herkennen, de juiste onderdelen kiezen en ze vervangen volgens de fabrikant. #### Slijtdelen zijn geen keuze, maar een lijst per merk Sommige onderdelen zijn er om na een bepaalde tijd te worden vervangen: ze slijten door de omstandigheden waarin ze werken (hitte, vonkoverslag, condens). Welke onderdelen dat zijn en na hoeveel tijd, verschilt per fabrikant. Nefit vervangt bij de ProLine NxT de branderpakkingen elke 2 jaar. ATAG vervangt bij de XL de ontstekingselektrode minimaal elke 4 jaar. Remeha vervangt bij de Calenta Ace de ionisatie- of ontstekingselektrode bij minder dan 3 microampere of bij zichtbare beschadiging. Vaillant vervangt de regelelektrode minimaal na 5 jaar of 20.000 bedrijfsuren, welke waarde het eerst wordt bereikt. Wat de garantie van een fabrikant juist uitsluit, is ook een aanwijzing: Intergas sluit de ontsteek- en ionisatiepen, de glaszekering en de ontluchter uit van zijn garantie, precies omdat dat de onderdelen zijn die door gebruik verslijten. > **Slijtdelen leer je niet uit je hoofd, je zoekt ze op** > De grens waarbij je een elektrode vervangt (microampere, jaren, bedrijfsuren) verschilt per merk en model. Ga altijd na wat de fabrikant van het toestel dat voor je hangt, voorschrijft. #### Alleen originele of gelijkwaardige onderdelen Bij onderhoud gebruik je uitsluitend onderdelen die door de fabrikant zijn voorgeschreven, of die minstens gelijkwaardig zijn aan de originele (gereviseerde onderdelen inbegrepen). Dit is een bovenwettelijke eis van de BRL 6000-25, en Intergas en ATAG vragen dit ook expliciet in hun eigen handleiding. Een "bijna passend" onderdeel van onbekende herkomst is dus geen optie, ook niet als het net zo goedkoop en snel beschikbaar is. #### Wat een aanhaalmoment met veiligheid te maken heeft Bij het terugplaatsen van een onderdeel is niet alleen welk onderdeel je gebruikt van belang, maar ook hoe vast je het aandraait. Vaillant schrijft voor de ecoTEC plus VHR vaste aanhaalmomenten voor: de vier branderflensmoeren kruiselings op 6 Nm, de gasblok-wartelmoer met nieuwe afdichting op 40 Nm (of als alternatief 15 Nm plus nog 60 graden verder), de ontstekings- en regelelektrode elk met twee nieuwe schroeven op 3 Nm. Dit zijn de waarden van dit ene merk en model: een ander toestel heeft eigen aanhaalmomenten, die je opzoekt in de handleiding in plaats van uit je hoofd aan te draaien. Te los aandraaien geeft een lekkage van gas of verbrandingsgas, te vast beschadigt de schroefdraad of de afdichting. Beide elektroden mag je bovendien alleen op het keramische deel aanraken; reinigen van de elektrode is uitdrukkelijk verboden, bij twijfel vervang je hem. #### Rekenvoorbeeld: welke elektrode vervang je wel, welke niet? Je meet bij een Remeha Calenta Ace op vollast 3,4 microampere en op laaglast 2,4 microampere. De grens van Remeha is 3 microampere, gemeten in vol- en laaglast. De laaglastwaarde ligt eronder, dus voldoet het toestel niet aan de eis, ook al is de vollastwaarde in orde. Je vervangt de elektrode volgens het voorschrift van de fabrikant, en zoekt daarna ook uit waarom de stroom laag is (bijvoorbeeld vervuiling of een slechte aarding), in plaats van alleen het onderdeel te wisselen en verder te gaan. #### Een offeranode: alleen nodig bij bepaalde materialen Een boilervat van gewoon staal heeft vaak een magnesiumanode nodig: die anode corrodeert zelf in plaats van het vat, en beschermt zo de tank tegen roest. Bij de Loria Duo (een lucht/water warmtepomp) controleert de fabrikant deze anode aanbevolen jaarlijks en vervangt hem wanneer de diameter kleiner is dan 13 mm; bij het openen van het inspectieluik wordt altijd de pakking mee vervangen. Een boilervat van roestvaststaal, zoals de Remeha Aqua Pro of de ATAG Comfort Boiler, heeft die bescherming niet nodig doordat het materiaal zelf al corrosiebestendig is: het installatievoorschrift van dat toestel noemt dan ook geen anode. Kijk dus eerst naar het materiaal van het vat voordat je aanneemt dat "elke boiler een anode heeft": dat klopt niet. > **Werk aan het boilervat altijd spanningsloos en watervrij** > Voordat je een inspectieluik van een boiler opent, maak je het toestel spanningsloos (met een korte wachttijd voor de condensatoren zijn ontladen), sluit je de watertoevoer af en tap je af naar een afvoerpunt. Pas daarna open je het luik. #### Vervangen en de rest van de installatie Wat je aan slijtdelen vervangt, staat los van de vraag of het hele toestel nog rendabel te onderhouden is. De BRL 6000-25 noemt als richtlijn vervanging van een gasverbrandingstoestel "na ca. 15 jaar", waarbij ook het rookgasafvoersysteem wordt beoordeeld en meestal vervangen (zie [module 8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/) voor de eisen aan de afvoer zelf). Dat gesprek met de klant, over vervangen van een los onderdeel tegenover vervangen van het hele toestel, werk je uit in [les 15.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/rapporteren-en-klantadvies/). **Controleer jezelf:** - Ik ken de slijtdelen en de vervangingsgrens van het merk en model waaraan ik werk, en zoek dat op als ik het niet zeker weet - Ik gebruik alleen originele of aantoonbaar gelijkwaardige onderdelen - Ik draai schroeven en moeren aan op het voorgeschreven aanhaalmoment, niet op gevoel - Ik raak een elektrode alleen op het keramische deel aan en reinig hem nooit - Ik controleer bij een boilervat eerst het materiaal voordat ik ervan uitga dat er een anode in zit ### Les 15.4: Veiligheidscontroles en afronden met een meting URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/veiligheidscontroles-en-afronden-met-een-meting/ **Leerdoel:** Je kunt de veiligheidsfuncties controleren en het onderhoud afronden met een aantoonbare meting. #### Onderhoud is pas klaar na een meting Een toestel dat weer "gewoon aan gaat" is geen bewijs dat het veilig is. Onderhoud sluit je daarom altijd af met een meting, niet met een visuele indruk. Hoe je een rookgasmeting precies uitvoert en beoordeelt, en hoe je CO in de opstellingsruimte meet, staat uitgewerkt in [module 10](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/meten-en-analyseren/) (in het bijzonder [les 10.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-rookgasmeting-uitvoeren-en-beoordelen/) en [les 10.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/co-in-de-opstellingsruimte-meten/)): hier gaat het om de plek van die meting in het onderhoudsproces, en om de andere veiligheidscontroles eromheen. #### De veiligheidscontroles op de checklist De BRL 6000-25-controlelijst voor onderhoud noemt naast reiniging ook expliciet: het functioneren van de luchtdrukverschilschakelaar, de netspanning, de aarding, de ventilatorspanning, de gasdichtheid van het gasblok en de aansluiting, de droogkookbeveiliging, de thermostaten, de afvaltijd van de vlambeveiliging en de rookgas- en luchttransportbeveiliging. Dat is een andere categorie dan "schoonmaken": het gaat om functies die moeten ingrijpen als er iets misgaat, en die je dus test, niet alleen bekijkt. > **Meten is het bewijs, niet de bevestiging achteraf** > Je meet niet om te bevestigen wat je al dacht, je meet om te weten. Een toestel dat "lijkt te branden zoals het hoort" kan alsnog een te hoog CO-gehalte geven: alleen de meting laat dat zien. #### Gasdichtheid na demontage Elke keer dat je een gasvoerend onderdeel hebt losgekoppeld (gasblok, meetnippel, brander), controleer je de nieuwe verbinding op dichtheid voordat het toestel weer in bedrijf gaat. Vaillant staat op een reeds aangesloten toestel een maximale testdruk van 11 kPa (110 mbar) toe; kan die druk niet worden begrensd, dan sluit je eerst een voor het toestel geïnstalleerde gasafsluitkraan en ontspan je de leidingdruk voordat je die kraan weer opent. Andere fabrikanten controleren op vergelijkbare wijze: Vaillant zelf controleert de gastransporterende onderdelen, de interne lucht-rookgasdichtheid en het cv- en warmwatercircuit als aparte stap, Nefit controleert de gas-luchtunit, het gasregelblok en de gasleiding tijdens een warmtevraag. > **Lekzoeken nooit met een vlam** > Voor het opsporen van een gaslek gebruik je lekzoekspray of een gaslekzoeker met display en akoestisch signaal. Lekzoeken met een vlam is uitgesloten: dat is precies de vonkbron die je probeert te vermijden. #### Verbrandingsmeting op vol- en deellast Je meet de verbranding niet alleen op één belastingpunt. Fabrikanten vragen om te meten op vollast en op laaglast (of een instelbare deellast), omdat een goede waarde op vollast niets zegt over de laaglastsituatie en andersom: bij Remeha ligt de grenswaarde voor de ionisatiestroom bijvoorbeeld apart voor vol- en laaglast (zie [les 15.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/slijtdelen-en-vervangen/)). Bij een toestel op een concentrisch rookgasafvoersysteem controleer je bovendien de recirculatie: je meet CO2 op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer. Een goed systeem geeft daar de buitenluchtwaarde, tot ongeveer 1% CO2 is door windinvloed toelaatbaar; een veel hogere waarde wijst op interne lekkage van het systeem en vraagt nader onderzoek. #### Ruimte-CO na afloop en wanneer je niet vrijgeeft Na het werk meet je opnieuw de CO in de opstellingsruimte. Onder de 5 ppm is er geen bezwaar tegen inbedrijfstelling. Tussen 5 en 20 ppm neem je de oorzaak weg voordat je (opnieuw) in bedrijf stelt. Boven de 20 ppm meld je dit onverwijld en schriftelijk aan bewoner of gebruiker, eigenaar, bevoegd gezag en de certificerende instelling, en stel je het toestel buiten bedrijf. Een certificaathouder mag een toestel niet in bedrijf stellen als bij gebruik ontoelaatbare hoeveelheden CO vrijkomen: die regel geldt onverkort na onderhoud, ook als de klant liever "gewoon weer verwarming" wil. #### Praktijkgeval: een vaste vervolgprocedure bij een te hoge CO-waarde Bij een Vaillant-toestel meet je na onderhoud 800 ppm CO onverdund in het rookgas, ruim boven de 650 ppm die de fabrikant als signaalwaarde noemt. Je volgt de vaste vervolgprocedure: eerst controleer je de lengte en de diameter van het VLT/VGA-systeem en of het correct gemonteerd, geblokkeerd of beschadigd is. Dat blijkt in orde. Vervolgens vervang je de regelelektrode en meet je opnieuw: nog steeds 720 ppm. Je controleert daarna de verbrandingskamer op vervuiling of beschadiging van de isolatiematten. Pas als dat allemaal geen verbetering geeft, neem je contact op met het serviceteam. Deze volgorde, van goedkoop en snel naar duur en specialistisch, voorkomt dat je onnodig dure onderdelen vervangt voor een probleem dat ergens anders zit. **Controleer jezelf:** - Ik controleer bij onderhoud niet alleen brander en warmtewisselaar, maar ook de beveiligingen van de BRL-checklist (droogkookbeveiliging, thermostaten, vlambeveiliging, luchtdrukverschilschakelaar) - Ik controleer elke nieuwe gasverbinding op dichtheid met lekzoekspray of een gaslekzoeker, nooit met een vlam - Ik meet de verbranding op vol- én laaglast, niet alleen op één belastingpunt - Ik meet de CO in de opstellingsruimte na afloop en beoordeel die volgens het actiekader (onder 5, 5 tot 20, boven 20 ppm) - Ik geef een toestel niet vrij als het CO-gehalte in het rookgas of de opstellingsruimte te hoog blijft, ook niet onder tijdsdruk van de klant ### Les 15.5: Rapporteren en klantadvies URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/rapporteren-en-klantadvies/ **Leerdoel:** Je kunt de bevindingen van een onderhoudsbeurt vastleggen en de klant helder en eerlijk adviseren. #### Wat je vastlegt, is het bewijs van je werk Van elke controle en meting leg je vast wat je hebt gecontroleerd, op basis van welke eisen, wie het deed en wanneer, met welk instrument gemeten is, en wat de resultaten waren. Bij een afwijking rapporteer je die apart. Dit is geen overbodige administratie: de certificerende instelling kan dit bij een steekproef opvragen, en bij een geschil is dit je bewijs dat je hebt gedaan wat je moest doen. Na een controle brengt de verantwoordelijke Vakbekwaam Persoon een ingevulde sticker op het toestel aan met minstens: gecontroleerd door, volgens welk schema, de datum, wanneer het volgende onderhoud nodig is, en het certificaatnummer. > **Vastleggen is niet hetzelfde als "het is toch gedaan"** > Een controle die je niet hebt genoteerd, kun je later niet aantonen. Schrijf de meetwaarde op, niet alleen "gecontroleerd, in orde". #### Wat de klant van jou hoort en krijgt Je informeert de klant over het voorgeschreven onderhoud en het onderhoudsinterval van het toestel en de rookgasafvoer, en je controleert of het gebruiksvoorschrift van het toestel aanwezig is; ontbreekt het, dan wijs je de gebruiker daarop. Bij oplevering van nieuw werk hoort daar ook bij: uitleggen waar de veiligheidsvoorzieningen zitten en hoe ze werken, instrueren over de bediening, wijzen op de onderhoudsintervallen, alle handleidingen en papieren overhandigen, en de klant erop wijzen dat hij niets aan de rookgasafvoer of luchttoevoer mag veranderen en geen explosieve of licht ontvlambare stoffen in de opstellingsruimte mag bewaren. Ontbreekt er nog een CO-melder bij een open of afvoerloos toestel, dan adviseer je die schriftelijk, met de plaatsingsadviezen van de Brandweer als richtlijn (op plafondhoogte, 1 tot 3 m horizontale afstand van de bron, minstens 30 cm van muren, in de slaapkamer op ademhoogte). #### Garantie: iets anders dan de wettelijke conformiteit De wettelijke conformiteit van geleverd werk is iets anders dan de fabrikantgarantie op het toestel. Veel fabrikanten koppelen hun garantie aan bewijsbaar jaarlijks onderhoud: Intergas laat de garantie vervallen bij ondeskundige reparatie of onderhoud door niet-erkende installateurs, of als niet aantoonbaar minimaal een keer per jaar onderhoud is gepleegd; ATAG doet hetzelfde bij niet-gespoelde installaties, waterkwaliteit buiten specificatie of niet-vrijgegeven additieven. Leg dit uit aan een klant die overweegt onderhoud over te slaan: hij bespaart kort op de rekening, maar kan bij een defect zijn garantie kwijtraken. #### Advies over vervanging: eerlijk en met argumenten > **Een advies is geen verkooppraatje** > Je adviseert op basis van wat je hebt gecontroleerd en gemeten, niet op basis van wat het bedrijf die maand het liefst verkoopt. Noem het onderliggende feit (leeftijd, staat van de afvoer, onderdelenbeschikbaarheid), niet alleen de conclusie "vervangen". Bij een oudere ketel speelt de leeftijd een rol, maar niet als enige argument. De BRL 6000-25 noemt als richtlijn vervanging van een gasverbrandingstoestel "na ca. 15 jaar", waarbij ook het rookgasafvoersysteem wordt beoordeeld en meestal gelijktijdig wordt vervangen (zie [module 8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/) voor de afvoereisen zelf, en [les 15.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/slijtdelen-en-vervangen/) voor slijtdelen). Wordt een toestel op een collectief afvoersysteem vervangen, dan mag dat alleen door exact hetzelfde type toestel (bijvoorbeeld HR door HR), niet door een ander werkingsprincipe, tenzij het hele CLV-systeem daarop is beoordeeld. Leg dat uit voordat de klant zelf online een ander type bestelt. #### Waar je bevoegdheid ophoudt Niet elke handeling mag door iedereen worden gedaan, ook niet door een ervaren monteur. In bedrijf stellen, groot onderhoud (brander, warmtewisselaar) en een installatie uit bedrijf nemen zijn voorbehouden aan de Vakbekwaam Persoon; een Voldoende Onderricht Persoon werkt hierbij onder toezicht en verantwoordelijkheid van een VP. Deze cursus geeft geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO: wat je hier leert, is de achtergrond en de redenering, niet het certificaat. Weten waar je eigen bevoegdheid ophoudt, en wanneer je een collega of een specialist nodig hebt, hoort net zo goed bij vakbekwaamheid als het kunnen vervangen van een elektrode. #### Praktijkgeval: het gesprek na de meting Je hebt een 17 jaar oude ketel onderhouden. De verbranding is nog binnen de norm, maar de warmtewisselaar toont beginnende corrosie en de rookgasafvoer is van hetzelfde bouwjaar. Je legt de klant uit wat je hebt gemeten (de concrete waarden, niet alleen "het werkt nog"), wijst op de leeftijdsrichtlijn van 15 jaar voor toestel én afvoer samen, en op wat er gebeurt als de garantie van een eventueel nieuw toestel straks weer aan jaarlijks onderhoud gekoppeld is. Je noemt geen vast bedrag en geen merk dat toevallig in de aanbieding is: je legt de feiten voor en laat de klant kiezen tussen nu vervangen of dit jaar nog doorgaan met onderhoud, met de kanttekening dat je daar volgend jaar opnieuw naar kijkt. **Controleer jezelf:** - Ik leg van elke controle vast wat ik heb gecontroleerd, met welk instrument, en wat het resultaat was - Ik informeer de klant over het onderhoudsinterval en controleer of het gebruiksvoorschrift aanwezig is - Ik leg uit dat fabrikantgarantie vaak gekoppeld is aan aantoonbaar jaarlijks onderhoud, los van de wettelijke conformiteit - Ik adviseer op basis van wat ik heb gemeten en gecontroleerd, niet op basis van wat het makkelijkst te verkopen is - Ik weet welke handelingen voorbehouden zijn aan een Vakbekwaam Persoon en waar mijn eigen bevoegdheid ophoudt ## Module 16: Storingzoeken en reparatie URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/storingzoeken-en-reparatie/ Systematisch storingzoeken: van klacht naar bewezen oorzaak. De methode, het lezen van storingscodes en de klassieke klachten: geen warm water, geen verwarming, drukproblemen, ontsteking en afvoer. Twee monteurs komen bij dezelfde storing. De een vervangt het onderdeel dat de vorige keer de oorzaak was en hoopt dat het weer werkt. De ander stelt vragen, meet, en vervangt pas als hij heeft bewezen wat de oorzaak is. Het verschil tussen die twee zit niet in ervaring maar in volgorde. Deze module bouwt die volgorde op: de methode, het lezen van een storingscode zonder erin te trappen, en dan de klassieke klachten van tapwater tot afvoer, in de volgorde waarin ze in de praktijk voorkomen. Storingscodes, meetwaarden en instelwaarden staan hier steeds als voorbeeld uit een handleiding, met merk en model erbij. Voor het toestel waaraan je werkt geldt de handleiding van dat toestel: een code die bij het ene merk "waterdruk te laag" betekent, kan bij een ander merk iets heel anders zijn. **Na deze module kun je:** - Een storing methodisch aanpakken van klacht tot bewezen oorzaak - Een storingscode lezen als aanwijzing en niet als diagnose - De klassieke klachten (tapwater, verwarming, druk, ontsteking, lucht en afvoer) diagnosticeren - Intermitterende storingen aanpakken - Beslissen of je repareert of adviseert te vervangen ### Les 16.1: De methode: van klacht naar bewezen oorzaak URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-methode-van-klacht-naar-bewezen-oorzaak/ **Leerdoel:** Je kunt een storing methodisch aanpakken en de oorzaak bewijzen voordat je een onderdeel vervangt. #### De onderdelenwisselaar en de topmonteur Twee monteurs komen bij dezelfde klacht. De eerste vervangt het onderdeel dat de vorige keer de oorzaak was, hoopt dat het weer werkt, en gaat naar de volgende klus. De tweede stelt vragen, kijkt, leest de storingsgeschiedenis, meet, en vervangt pas als hij heeft bewezen wat de oorzaak is. Het verschil zit niet in ervaring of gereedschap, het zit in de volgorde. Die volgorde is deze les. #### De acht stappen 1. **Vraaggesprek.** Wanneer treedt de klacht op, hoe vaak, en wat deed de klant vlak daarvoor (bijvoorbeeld bijgevuld, thermostaat versteld, onderhoud gehad)? 2. **Waarnemen.** Kijk en luister voor je iets aanraakt: geluid, geur, wat het display zegt, lekkage, roetsporen. 3. **Storingsgeschiedenis en code lezen.** Fabrikanten schrijven dit als eerste diagnosestap voor. Vaillant leest het gegevensoverzicht en de laatste 10 foutmeldingen uit, Nefit het historiemenu, en Remeha noemt de storingscode "belangrijk voor het correct en snel opsporen van de aard van de storing" (STO-01). 4. **Ketenanalyse.** Orden de mogelijke oorzaken per stroom: water, gas, lucht en afvoer, elektra, regeling. Een klacht past bijna altijd in een van die stromen, zelden in alle vijf. 5. **Hypothese.** Kies de meest waarschijnlijke oorzaak op basis van stap 1 tot 4, niet op basis van "vorige keer was het dit onderdeel". 6. **Meten.** Bewijs of de hypothese klopt, met gekalibreerde apparatuur (MET-03) en, bij elektrische metingen, pas nadat je hebt aangetoond dat een circuit spanningsloos is voor je op de weerstandsstand overschakelt. 7. **Bewijs, dan pas vervangen.** Vervang alleen een onderdeel waarvan je hebt aangetoond dat het de oorzaak is, en gebruik daarvoor een door de fabrikant voorgeschreven of ten minste gelijkwaardig onderdeel (ONT-17). 8. **Controle.** Test de herstelde functie en leg vast wat je vond, hoe je het maat en met welk instrument (KLA-01). > **Bewijs voor je vervangt** > Een storing "oplossen" door een onderdeel te vervangen zonder te meten, is gokken met het geld van de klant. Bewijs eerst met een meting dat een onderdeel de oorzaak is, vervang dan pas. #### Praktijkgeval: de elektrode die niet stuk was Een Remeha Tzerra Ace geeft af en toe "wel vonk maar geen vlam". Een collega verving vorige week de ontstekingselektrode; de storing kwam deze week terug. Volgens de volgorde uit deze les had hij eerst de ionisatiestroom in vol- en laaglast moeten meten. Remeha noemt reinigen of vervangen bij minder dan 3 microampere in beide standen (MET-26), maar wel vonk en geen vlam wijst volgens Remeha ook op gaskraan, gasvoedingsdruk, een niet-ontluchte leiding, de lucht-/rookgasleiding, of een sifon die niet gevuld of verstopt is (STO-05). Een nieuwe elektrode plaatsen zonder die keten langs te lopen, kan toevallig helpen of toevallig niet: het bewijst niets. #### Wanneer je moet stoppen: een onveilige situatie Soms vind je tijdens storingzoeken iets dat niets met de klacht te maken heeft, maar wel gevaarlijk is: te veel CO in de opstellingsruimte. De BRL 6000-25 geeft daarvoor een vast actiekader. Onder 5 ppm is er geen bezwaar. Tussen 5 en 20 ppm meld je de constatering aan de opdrachtgever en neem je de oorzaak weg voordat je het toestel (opnieuw) in bedrijf stelt (KLA-10, MET-16). Boven 20 ppm meld je onverwijld en schriftelijk aan bewoner, gebouweigenaar, bevoegd gezag en de certificerende instelling (KLA-09). In alle gevallen stel je een toestel niet in bedrijf als er ontoelaatbare hoeveelheden CO vrijkomen, ook als de oorspronkelijke klacht daarmee niet is opgelost (KLA-07). > **Doorgaan bij te veel CO** > Een toestel bij twijfel toch maar aanzetten "om te kijken of het werkt" terwijl er te veel CO vrijkomt, is levensgevaarlijk voor de bewoners en voor jezelf. Volg het actiekader, nooit je eigen aanvoelen. > **Verdieping: waarom je eerst spanningsloosheid aantoont** > Voor je met een multimeter op de weerstandsstand meet, toon je eerst aan dat het circuit spanningsloos is. Een weerstandsmeting op een circuit dat nog spanning voert, geeft een onjuiste waarde en kan het instrument beschadigen (ELK-33). Datzelfde principe, eerst aantonen en dan pas verder, is de rode draad van deze hele les: aannames zijn geen bewijs. #### Wat je vastlegt De BRL 6000-25 vraagt van elke controle of meting vast te leggen wat er is gecontroleerd, op welke eisen, wie het deed en wanneer, met welk instrument, en wat de uitkomst was (KLA-01). Dat is niet alleen administratie: het maakt je werk traceerbaar als de storing terugkomt, en het is het bewijs dat je gemeten hebt in plaats van gegokt. **Controleer jezelf:** - Ik doorloop bij een storing steeds dezelfde volgorde: vraaggesprek, waarnemen, code en geschiedenis, ketenanalyse, hypothese, meten, bewijs, herstel, controle - Ik vervang geen onderdeel voordat ik met een meting heb bewezen dat het de oorzaak is - Ik ken het actiekader voor CO en stel een toestel niet in bedrijf bij een onveilige situatie - Ik toon aan dat een circuit spanningsloos is voor ik op de weerstandsstand meet - Ik leg vast wat ik heb gemeten, waarmee, en wat de uitkomst was ### Les 16.2: Storingscodes lezen zonder erin te trappen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/storingscodes-lezen-zonder-erin-te-trappen/ **Leerdoel:** Je kunt een storingscode opzoeken en gebruiken als aanwijzing, en weet waarom een code geen diagnose is. #### Een code zegt wat, niet waarom Een storingscode vertelt welke beveiliging heeft ingegrepen: geen vlamsignaal, te lage druk, een sensor buiten bereik. Hij vertelt niet waarom dat gebeurde. "Geen vlamsignaal" kan bij hetzelfde toestel komen door een dichte gaskraan, een te lage voordruk, een vervuilde elektrode, een slechte aarding of een verkeerd afgesteld gasblok (STO-08). De code kiest niet tussen die vijf, jij wel, met de methode uit [les 16.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-methode-van-klacht-naar-bewezen-oorzaak/). #### Blokkering of vergrendeling: eerst dat onderscheid Voor je verder zoekt, kijk je of een code een waarschuwing, een blokkering of een vergrendeling is. Remeha onderscheidt A (waarschuwing, ketel blijft in bedrijf), H (blokkering, herstelt automatisch zodra de oorzaak weg is) en E (vergrendeling, alleen op te heffen met een handmatige reset na het wegnemen van de oorzaak). ATAG gebruikt een sleutelsymbool voor een blokkering en een belsymbool voor een error, Nefit onderscheidt soort 2 (blokkerend) en soort 3 (vergrendelend) (STO-03, MRK-07). Een vergrendeling zomaar resetten zonder de oorzaak te zoeken, brengt je terug bij af zodra de storing terugkomt: Vaillant staat daarom maximaal 3 herhaalde resetpogingen toe voordat naar het serviceteam wordt verwezen (STO-04). #### Codes zijn per merk en model, niet universeel | Merk en model (voorbeeld) | Opbouw van de code | Betekenis van een voorbeeldcode | |---|---|---| | Remeha Calenta Ace | Letter plus twee cijferparen, bijvoorbeeld A.02.06 | A.02.06: waarschuwing waterdruk lager dan 0,8 bar (MRK-08) | | Intergas Kombi Kompakt HRE | Een enkel cijfer op het temperatuurdisplay | 4: geen vlamsignaal, 8: ventilatortoerental niet juist (MRK-11) | | Vaillant ecoTEC plus VHR | F. gevolgd door drie cijfers | F.028: vlamsignaal in de ontstekingsfase niet herkend (MRK-02) | | Nefit ProLine NxT | Twee tekens, drie cijfers, een soort (bijv. 6A 227, soort 2 of 3) | 6A 227: onvoldoende ionisatiestroom na het ontsteken (MRK-13) | Vaillant waarschuwt zelf dat zijn codetabel voor verschillende producten wordt gebruikt en dat niet elke code bij elk product voorkomt (MRK-06): dezelfde tabel geldt dus niet automatisch voor een ander model van hetzelfde merk. Nefit/Bosch groepeert zijn foutmeldingenoverzicht voor installateurs eveneens per toestelserie (TrendLine, ProLine, ProLine NxT, ProLine Eco) en verwijst naar de servicedienst als een code er niet bij staat (STZ-06). Een code van het ene merk overnemen naar het andere is dus gokken. > **Zoek de code op in de handleiding van dat merk en model** > Onthoud geen codetabellen uit je hoofd. Dezelfde code betekent bij een ander merk, en soms bij een ander model van hetzelfde merk, iets anders. Zoek altijd op in de handleiding of de officiele foutcodepagina van dat specifieke toestel. #### Praktijkgeval: code 8 bij twee merken Een Intergas Kombi Kompakt HRE toont code 8: het ventilatortoerental is niet juist. Een ATAG-toestel gebruikt voor een vergelijkbaar probleem een ander nummer uit zijn eigen tabel (MRK-15). Een monteur die "code 8" uit zijn hoofd kent van Intergas en dat toepast op een ATAG-toestel, zoekt op de verkeerde plek. Zoek daarom altijd het merk en het model erbij op voor je een code interpreteert. > **Verdieping: waarom Remeha meerdere codes in een rij bundelt** > In de vergrendelingscodetabel van de Remeha Calenta Ace staan soms meerdere codes samen in een rij (bijvoorbeeld bij verbrandingsfouten binnen 24 uur). Lees zulke tabellen in de volgorde van de rij en vergelijk met de omschrijving in de lopende tekst van de handleiding: de tabelopmaak alleen is soms niet genoeg om een code eenduidig aan een omschrijving te koppelen (MRK-10). **Controleer jezelf:** - Ik gebruik een storingscode als aanwijzing voor waar ik moet zoeken, niet als kant-en-klare diagnose - Ik onderscheid waarschuwing, blokkering en vergrendeling voor ik ga resetten - Ik zoek een code altijd op in de handleiding van het merk en model waaraan ik werk - Ik reset een vergrendeling niet herhaaldelijk zonder de oorzaak te hebben gezocht ### Les 16.3: Geen warm tapwater URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/geen-warm-tapwater/ **Leerdoel:** Je kunt de oorzaken van een tapwaterstoring in een logische volgorde onderzoeken. #### De route van het tapwater Bij een combiketel signaleert een tapsensor het openen van een kraan, schakelt de driewegklep naar de warmwaterstand, start de pomp, en warmt de platenwarmtewisselaar het water op terwijl de brander aanslaat (TAP-01, KET-23). Elke schakel in die keten kan de oorzaak van "geen warm water" zijn. Zoek ze in een logische volgorde: van de eenvoudigste en meest voorkomende oorzaak naar de duurdere onderdelen. #### De volgorde 1. **Doorstroming.** Is er wel voldoende debiet? Intergas noemt bij deze klacht onder meer een tapflow onder 1,5 l/min (STO-11). Een mengkraan die zelf defect is, geeft hetzelfde beeld: warm water blijft weg terwijl de ketel niets doet. 2. **Sensor.** Krijgt de stromingssensor voeding en geeft hij een geloofwaardig signaal? Intergas noemt hierbij geen 5 V op de sensor of een defecte stromingssensor als oorzaak (STO-11). 3. **Driewegklep.** Schakelt de klep daadwerkelijk naar de warmwaterstand? Bij de Remeha Calenta is dit een veerbelaste, elektrisch aangestuurde klep die alleen stroom verbruikt tijdens het schakelen (KET-23): een klep die niet meer schakelt, blijft in de cv-stand hangen en dan komt er geen warm water uit de kraan, ook al draait de ketel wel. 4. **Platenwisselaar.** Is de warmteoverdracht nog goed, of is de wisselaar dichtgeslibd met kalk? Kalkafzetting hangt volgens Remeha af van waterhardheid, bedrijfsuren, tapgedrag en de ingestelde temperatuur (TAP-13); bij een merkbaar lagere tapcapaciteit reinigt Remeha de platenwisselaar samen met de tapwatercartridge (ONT-19). 5. **Regeling.** Staat de gewenste temperatuur wel hoog genoeg, en is de tapcomfortfunctie (voorverwarmen) aan of uit gezet zoals de klant verwacht? > **Van goedkoop en snel naar duur en langzaam** > Begin bij wat je snel en zonder onderdelen te bestellen kunt controleren (doorstroming, sensorspanning) voor je een duur onderdeel als de platenwisselaar vervangt. Andersom werken kost de klant geld voor niets als de oorzaak ergens anders zat. #### Praktijkgeval: warm water dat lauw blijft Een klant belt: het water wordt niet meer warm genoeg, terwijl het een paar weken geleden nog wel lukte. Volgens de volgorde hierboven begin je bij de doorstroming: is de tapflow onveranderd? Is die dat wel, dan is een te lage sensorspanning minder waarschijnlijk (die zou vaker een foutcode geven dan een geleidelijk kouder wordende stroom). Kalkafzetting in de platenwisselaar past beter bij een geleidelijke achteruitgang: minder warmteoverdracht per liter water. Reinig dan pas de wisselaar als de goedkopere controles niets opleveren, precies zoals in [les 16.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-methode-van-klacht-naar-bewezen-oorzaak/) beschreven. > **Verdieping: waarom de driewegklep zo weinig stroom gebruikt** > De driewegklep van de Remeha Calenta is veerbelast: hij verbruikt alleen stroom op het moment dat hij van stand wisselt, niet om in een stand te blijven staan (KET-23). Dat verklaart waarom een defecte klep soms lastig te ontdekken is met alleen een visuele controle: hij staat stil in een stand en lijkt daardoor "normaal", terwijl hij niet meer kan schakelen. **Controleer jezelf:** - Ik ken de route van het tapwater door de ketel: sensor, driewegklep, platenwisselaar, brander - Ik controleer bij geen warm tapwater eerst de doorstroming en de sensorspanning voor ik dure onderdelen vervang - Ik herken het verschil tussen een plotselinge storing (sensor, klep) en een geleidelijke achteruitgang (kalk in de platenwisselaar) - Ik weet dat de driewegklep alleen tijdens het schakelen stroom gebruikt, wat een visuele controle lastiger maakt ### Les 16.4: Geen verwarming URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/geen-verwarming/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel die niet verwarmt stap voor stap onderzoeken, van regeling tot afgifte. #### Wie geeft de warmtevraag, en komt hij aan? "Geen verwarming" begint bij de vraag of de ketel wel een warmtevraag krijgt, en pas daarna bij wat de ketel daarmee doet. Intergas noemt bij deze klacht: de ketel staat uit, de kamerthermostaat of weersafhankelijke regeling is niet gesloten of defect, de pomp draait niet, of er staat geen 24 V op de regeling (STO-09). Dat is precies de volgorde om te controleren: regeling, dan elektrische voeding van de regelketen, dan de waterzijdige kant. #### Van regeling naar afgifte 1. **Regeling.** Vraagt de thermostaat om warmte? Bij een aan/uit-thermostaat en bij een OpenTherm-regelaar werkt dat mechanisch anders, en welke van de twee is aangesloten bepaalt zelfs welke klemmen op de ketel worden gebruikt: bij Remeha delen aan/uit en OpenTherm dezelfde klemmen, bij Intergas heeft elke functie een eigen klemmenpaar (ELK-17, ELK-20). Een OpenTherm-thermostaat op de verkeerde klemmen aangesloten, geeft geen werkende warmtevraag. 2. **Bedrading van de regeling.** Intergas noemt voor een aan/uit-kamerthermostaat een maximale leidingweerstand van 15 ohm voor kabel plus thermostaat samen (ELK-21): een te lange of te dunne leiding kan dus zelf de storing zijn, niet de thermostaat. 3. **Pomp.** Draait de pomp? Bij Intergas zie je dit op het display, bij vastzitten helpt handmatig deblokkeren met een schroevendraaier op de as (STO-09). 4. **Water.** Is er voldoende druk en doorstroming? Zie [les 16.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/waterdruk-zakt-of-stijgt/) voor drukproblemen; een drukval die kwadratisch meegroeit met het debiet (HYD-21) betekent dat een kleine belemmering in de installatie een grote invloed op de doorstroming kan hebben. 5. **Vermogensvraag.** Ligt de warmtevraag van de woning onder de minimale belasting van de ketel? Dan pendelt (takt) de ketel: hij slaat aan en uit in plaats van door te moduleren (REG-11, KET-15, KET-28). Dat is geen storing, maar voelt voor de klant wel als "de verwarming doet het niet goed". > **Regeling voor pomp, pomp voor druk** > Voor je de pomp of de waterzijdige kant onderzoekt, stel je vast dat de ketel echt een warmtevraag krijgt. Een ketel zonder warmtevraag doet niets, en dat lijkt in eerste instantie op precies dezelfde klacht als een defecte pomp. #### Praktijkgeval: 24 V op de regeling Een klant meldt "de verwarming doet niets, warm water werkt wel". Volgens de keten in deze les start je bij de regeling: staat de thermostaat op een hogere temperatuur dan de kamertemperatuur, en geeft hij een signaal af? Intergas laat je vervolgens controleren of er 24 V op de regeling staat (MET-25). Ontbreekt die spanning, dan zit de oorzaak niet in de thermostaat zelf maar in de voeding van het regelcircuit: dat is een ander deel van de keten dan waar de klant zelf naar kijkt (de thermostaat), en precies waarom je de keten volgt in plaats van te raden. > **Verdieping: waarom pendelen geen storing is** > Een Remeha Calenta 25s heeft een minimale belasting van ongeveer 5,2 kW. Vraagt de woning maar 3 kW, dan kan de ketel niet lager moduleren en slaat hij aan en uit (REG-11). Dat voelt voor de klant als een probleem, maar er is niets defect: de oplossing zit in de afstemming tussen ketelvermogen en warmtevraag, niet in een reparatie. **Controleer jezelf:** - Ik controleer bij geen verwarming eerst of de ketel echt een warmtevraag krijgt, voor ik de pomp of de waterzijde onderzoek - Ik weet dat een aan/uit-thermostaat en een OpenTherm-regelaar niet bij elk merk op dezelfde klemmen worden aangesloten - Ik ken de maximale leidingweerstand die Intergas noemt voor een aan/uit-thermostaatleiding - Ik herken pendelen (aan/uit takken) als een gevolg van een te grote ketel voor de warmtevraag, niet als een storing ### Les 16.5: Waterdruk zakt of stijgt URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/waterdruk-zakt-of-stijgt/ **Leerdoel:** Je kunt een drukprobleem analyseren en onderscheid maken tussen lek, expansievat en vulling. #### Koud en warm aflezen, dat vertelt het meeste Een dalende druk kan twee heel verschillende oorzaken hebben, en je onderscheidt ze door de druk koud en warm af te lezen. Een lek geeft een gestage daling, ook bij een koude, stilstaande installatie. Een expansievat met een te lage voordruk geeft het omgekeerde beeld: de druk loopt bij opwarmen juist op, tot het veiligheidsventiel opent en het afgeblazen water bij afkoelen ontbreekt (HYD-15). Water zet tussen 10 en 80 graden ongeveer 3 procent in volume uit (HYD-01): dat uitzettingswater moet ergens heen, en dat is de taak van het expansievat. #### Het expansievat: voordruk, vuldruk, nuttig effect De voordruk van het vat is de druk op het stikstofventiel, gemeten bij een drukloos systeem met het vat afgesloten van de waterzijde (HYD-12). Die voordruk hangt af van de statische hoogte van de installatie: ongeveer 0,1 bar per meter hoogteverschil tussen het vat en het hoogste punt, plus een toeslag (HYD-10). ATAG noemt als voorbeeld 0,5 bar bij 5 meter hoogte, 1,0 bar bij 10 meter (HYD-11): een voorbeeld van één fabrikant, gebruik de tabel of berekening die bij het gemonteerde vat hoort. De vuldruk (de druk waarop je de installatie koud vult) ligt daarna weer boven de voordruk: Vaillant vraagt minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het vat (HYD-14). | Situatie | Wat je ziet | Waarschijnlijke oorzaak | |---|---|---| | Druk daalt gestaag, ook koud | Langzaam, dag na dag | Lek in leiding, radiator of ketel | | Druk stijgt sterk bij opwarmen, veiligheidsventiel druppelt | Vooral bij volle belasting | Te lage voordruk expansievat (HYD-15) | | Druk blijft na bijvullen kort goed en zakt dan weer snel | Herhaalt zich elke week | Combinatie van de twee: laag vat plus afblazen | > **Bewijs met koud en warm aflezen** > Lees de druk koud af, laat de ketel opwarmen, en lees opnieuw af. Dat onderscheidt een lek (gestage daling) van een expansievatprobleem (stijging, gevolgd door verlies via het veiligheidsventiel) sneller dan welke andere controle ook. #### Merkspecifieke codes en meldingen (voorbeeld) Vaillant meldt bij te weinig water of een te lage waterdruk code F.022, met als mogelijke oorzaken onder meer een defect intern expansievat, lucht in het systeem, of een storing van de waterdruksensor of de pomp (STO-12). Remeha Calenta Ace toont waarschuwing A.02.06 onder 0,8 bar (MRK-08) en kent een aparte vergrendelingscode als het automatisch vullen te lang duurt zonder de minimale druk te bereiken (MRK-09). ATAG meldt code 118 bij druk onder 0,7 bar, met als eerste maatregel het handmatig deblokkeren van de ketelpomp, en code 117 bij druk boven 3 bar (MRK-15). Drie merken, drie andere codes voor grofweg hetzelfde probleem: nog een reden om de code op te zoeken in de handleiding van dat toestel ([les 16.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/storingscodes-lezen-zonder-erin-te-trappen/)). #### Praktijkgeval: elke week bijvullen Zie de uitgewerkte casus in de storingzoeker: een installatie waarin de druk bij koude toestand 0,7 bar is en bij opwarmen oploopt tot bijna 3 bar, met een expansievat waarvan de voordruk maar 0,1 bar is in plaats van de ongeveer 0,5 bar die bij deze installatiehoogte hoort. Pompen tot de juiste voordruk en daarna opnieuw vullen tot de vuldruk uit de handleiding lost dit structureel op, in plaats van elke week een emmer water bij te vullen. > **Voordruk meten kan alleen drukloos** > Meet de voordruk van een expansievat alleen als het systeem drukloos en afgekoeld is en het vat is afgesloten van de waterzijde. Aan een systeem onder druk of met heet water werken is gevaarlijk voor jezelf. **Controleer jezelf:** - Ik lees de waterdruk koud en warm af om een lek te onderscheiden van een expansievatprobleem - Ik weet dat de voordruk van een expansievat afhangt van de statische hoogte en hoe ik hem meet - Ik ken het verband tussen een te lage voordruk, een druppelend veiligheidsventiel en een terugkerende lagedrukmelding - Ik zoek een merkspecifieke drukcode altijd op in de handleiding van dat toestel ### Les 16.6: Ontsteking en vlambewaking URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/ontsteking-en-vlambewaking-16-6/ **Leerdoel:** Je kunt een ketel die niet ontsteekt of de vlam verliest onderzoeken aan de hand van de startvolgorde. #### Drie takken, niet een "De ketel ontsteekt niet" is eigenlijk drie verschillende klachten die vaak over een kam worden geschoren. Remeha (Avanta) onderscheidt ze scherp: geen ontstekingsvonk, wel vonk maar geen vlam, en wel vlam maar te weinig ionisatie (STO-05). Elke tak wijst naar een ander deel van de keten, en verwarring tussen de drie is de snelste weg naar een verkeerd vervangen onderdeel. | Tak | Wat je waarneemt | Waar Remeha naar laat kijken | |---|---|---| | Geen vonk | Geen tikkend of knetterend geluid bij het opstarten | Ontstekingstransformator, ontstekingskabel, elektrodeafstand (3 tot 4 mm), aarding | | Wel vonk, geen vlam | Je hoort de vonk, er komt geen vlam | Gaskraan, gasvoedingsdruk, ontluchting van de leiding, lucht-/rookgasleiding, sifon, netvoeding, elektrode, gas-luchtafstelling | | Wel vlam, te weinig ionisatie | De brander gaat aan maar valt na kort branden weer uit | Verbrandingsstabiliteit, aarding, elektrode en elektrodeafstand | #### Hoe ionisatiebewaking werkt De vlam is een gas van geladen deeltjes (ionen). Over de ionisatie-elektrode en de ketelmassa staat een wisselspanning, en doordat de elektrode een veel kleiner oppervlak heeft dan de massa, geleidt de vlam die wisselspanning overwegend in een richting: er ontstaat een kleine, vrijwel gelijkgerichte stroom van een paar microampere zolang de vlam er is (ELK-08). Een slechte massa- of aardverbinding kan die gelijkrichting laten wegvallen, ook als de vlam zelf gewoon brandt (ELK-09): dat is de natuurkundige reden waarom fabrikanten bij een laag signaal ook "controleer de aarding" laten checken. > **De vlam heeft een goede massa nodig, niet alleen gas** > Een laag of wegvallend ionisatiesignaal betekent niet automatisch een kapotte elektrode. Een slechte aardverbinding van de brander geeft precies hetzelfde beeld, omdat het bewakingscircuit die massa nodig heeft om de wisselspanning gelijk te richten. #### Drempelwaarden zijn per merk (voorbeeld) Remeha (Tzerra Ace, Calenta Ace) vraagt reinigen of vervangen van de elektrode onder 3 microampere, gemeten in zowel vol- als laaglast, stabiel na 1 minuut (MET-26). ATAG XL vraagt meer dan 2,0 microampere op vollast, Nefit ProLine NxT vraagt op laaglast meer dan 10 microampere (MET-26). Drie merken, drie andere getallen: er is geen algemene "goede" ionisatiestroom. Meet de ionisatiestroom via het display van het toestel, zoals de fabrikant voorschrijft: een Nederlandse fabrikantprocedure om de stroom met een multimeter in serie te meten, is er niet, dus dat wordt hier niet aangeraden. #### Praktijkgeval: wel vonk, geen vlam Een Remeha Avanta geeft een vonk maar geen vlam. Volgens de tabel van Remeha loop je dan de keten gas, lucht/rookgas en elektra langs: gaskraan open, gasvoedingsdruk in orde, leiding ontlucht, lucht-/rookgasleiding vrij, sifon gevuld en niet verstopt, netvoeding aanwezig (STO-05). Pas als al die stappen in orde zijn, kijk je naar de elektrode zelf en naar de gas-luchtafstelling. Wie hier meteen de elektrode vervangt, slaat vier stappen over die sneller en goedkoper te controleren waren. > **Nooit een beveiliging overbruggen** > Een vlambewaking overbruggen of uitschakelen "om te zien of de ketel dan wel brandt" is levensgevaarlijk: bij vlamverlies blijft er dan onverbrand gas vrijkomen. Zoek de oorzaak van het wegvallende signaal, overbrug de beveiliging nooit. **Controleer jezelf:** - Ik onderscheid geen vonk, wel vonk zonder vlam, en wel vlam met te weinig ionisatie als drie verschillende oorzaken - Ik weet dat een slechte aarding hetzelfde beeld geeft als een vervuilde elektrode - Ik meet de ionisatiestroom via het display volgens de procedure van de fabrikant, niet in serie met een eigen multimeter - Ik overbrug een vlambewaking nooit, ook niet om te testen ### Les 16.7: Lucht, ventilator en afvoer URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/lucht-ventilator-en-afvoer/ **Leerdoel:** Je kunt storingen door luchttoevoer, ventilator en afvoer onderzoeken en veilig oplossen. #### De raakvlakken met module 8 Deze les gaat over wat er misgaat tussen de ventilator en de buitenlucht: een geblokkeerde luchtaanzuiging, een ventilator die niet op toerental komt, of rookgas dat terug de luchttoevoer bereikt (recirculatie). De opbouw van het afvoersysteem zelf (open of gesloten, de typeaanduidingen, de eisen aan de uitmonding) staat in [module 8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/rookgasafvoer-en-luchttoevoer/): deze les bouwt daarop voort vanuit het perspectief van storingzoeken. #### Ventilatortoerental Een moderne ketel bewaakt het toerental van zijn eigen ventilator. De Remeha Calenta heeft een DC-ventilator en toont het toerental op het display (KET-30); Intergas geeft bij een onjuist ventilatortoerental code 8 (MRK-11). Voor je een nieuwe, niet-goedkope ventilator bestelt, controleer je eerst of de ventilator ergens tegenaan loopt of vervuild is, en of de bedrading naar de printplaat goed contact maakt: de BRL 6000-25 onderhoudscontrolelijst noemt "functioneren luchtdrukverschilschakelaar" en het ventilatortoerental als afzonderlijke controlepunten (MET-24), maar niet elk toestel heeft dezelfde uitvoering: volg de handleiding van dat specifieke model. #### Recirculatie: rookgas dat zijn eigen lucht opeet Bij een gesloten toestel met een concentrisch systeem (lucht en rookgas door hetzelfde kanaal, gescheiden) kun je recirculatie controleren door op het meetpunt van de luchttoevoer de CO2 te meten. Een goed werkend systeem geeft daar de buitenluchtwaarde, met een windmarge van ongeveer 1 procent CO2 die toelaatbaar is; een duidelijk hogere waarde wijst op interne lekkage en vraagt nader onderzoek (MET-19). Bij een collectief afvoersysteem (CLV) noemt de Rijksoverheid als risico's onder meer lekkende aansluitingen, ontbrekende terugslagkleppen bij een overdruksysteem, en recirculatie via een drukvereffeningsopening bij een oudere onderdruksysteem (RGA-28, RGA-29). > **Meet CO2 op het luchttoevoermeetpunt bij twijfel over recirculatie** > Een vermoeden van recirculatie bewijs je niet met "het ruikt anders", maar met een CO2-meting op het meetpunt van de luchttoevoer. De buitenluchtwaarde is goed, een duidelijk hogere waarde niet (MET-19). #### Blokkade en condensafvoer Vaillant noemt bij het vlamsignaal dat in de ontstekingsfase niet wordt herkend onder meer een geblokkeerde luchtaanzuigbuis als mogelijke oorzaak (STO-06). Intergas noemt bij een luidruchtige ontsteking of resonerend geluid onder meer recirculatie van verbrandingsgassen (STO-14), en bij condensafvoerproblemen speelt een verstopte condensafvoer een rol in de storingscodetabel (STO-15). Een verstopte afvoer is dus niet alleen een "vervelend druppelend probleem": het kan zich melden als een heel ander soort storing dan je op het eerste gezicht zou verwachten. #### Praktijkgeval: geluid en een lage voordruk tegelijk Een Intergas-toestel resoneert. Volgens de storingscodetabel van Intergas horen bij resoneren onder meer een voordruk lager dan 20 mbar, recirculatie van verbrandingsgassen, een ontregelde gas-luchtregeling en een defecte branderpakking of brander (STO-14). Voordat je de brander of de pakking vervangt, meet je dus eerst de gasvoordruk en controleer je op recirculatie: allebei goedkoper en sneller te controleren dan een brander demonteren, en allebei mogelijke oorzaken van precies dit geluid. > **Nooit doorwerken bij CO in de opstellingsruimte** > Blokkade van de luchttoevoer of de afvoer, of recirculatie, kan leiden tot te veel CO in de opstellingsruimte. Vind je dat, dan volg je het actiekader uit [les 16.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-methode-van-klacht-naar-bewezen-oorzaak/): niet in bedrijf stellen, oorzaak wegnemen, en zo nodig melden. **Controleer jezelf:** - Ik controleer bij een ventilatorstoring eerst op vervuiling en bedrading voor ik het onderdeel vervang - Ik kan recirculatie aantonen met een CO2-meting op het meetpunt van de luchttoevoer - Ik weet dat een verstopte condensafvoer zich als andere klachten dan alleen lekkage kan melden - Ik volg bij te veel CO in de opstellingsruimte het actiekader uit les 16.1, ook als de oorzaak in lucht of afvoer zit ### Les 16.8: Intermitterende storingen en de keuze repareren of vervangen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/intermitterende-storingen-en-de-keuze-repareren-of-vervangen/ **Leerdoel:** Je kunt een storing die af en toe optreedt aantonen en onderbouwen of repareren of vervangen zinvol is. #### Het probleem met "hij deed het net nog wel" Een storing die er niet meer is zodra jij er staat, is de lastigste om te bewijzen. Je kunt geen meting doen aan een fout die niet optreedt. De oplossing is niet harder raden, maar het toestel zelf laten meemeten: fabrikanten bouwen daarvoor logging in die precies dit soort patronen vastlegt. #### Wat het toestel al voor je bijhoudt Vaillant bewaart de 10 laatste foutmeldingen en noodbedrijfmeldingen (ONT-08), en Nefit vraagt bij onderhoud altijd het historiemenu uit te lezen (ONT-08, STO-01). Voor pendelen specifiek gaat Nefit nog een stap verder: code 0A 202 verschijnt zodra er vaker dan 1 keer per 10 minuten een warmtevraag is geweest, en code 0A 353 zodra het toestel binnen 24 uur nooit langer dan 20 minuten uit is geweest (STO-13). Dat zijn geen foutmeldingen in de klassieke zin, het zijn automatisch vastgelegde patronen: precies het bewijs dat je nodig hebt bij een klacht die je zelf niet zag optreden. > **Laat het toestel getuige zijn** > Bij een storing die je niet zelf hebt gezien, is de storingsgeschiedenis van het toestel je belangrijkste bewijsmateriaal. Lees hem uit voor je concludeert dat er "niets te vinden is". #### Repareren of vervangen: wat je afweegt Een cv-ketel gaat volgens de Consumentenbond gemiddeld ongeveer 15 jaar mee, en 20 jaar trouwe dienst is geen uitzondering, maar de kans op kostbare reparaties neemt toe bij oudere toestellen (STZ-01). Een vakpublicatie voor installateurs bevestigt die 15 jaar en noemt vaker terugkerende vergrendelende storingen als signaal om goed te laten kijken (STZ-02). Onderdelenbeschikbaarheid speelt ook mee: Remeha garandeert als voorbeeld 15 jaar na de laatste productiedatum van een model nog onderdelen te leveren (STZ-03), en de BRL 6000-25 noemt voor een toestel op een collectief afvoersysteem vervanging "na ca. 15 jaar" als moment waarop ook de rookgasafvoer wordt beoordeeld (STO-18). Een vaste rekenregel in procenten van de nieuwprijs is er niet: dat soort vuistregels circuleert op installatiebedrijf-websites met uiteenlopende, tegenstrijdige percentages en zonder een onafhankelijke of fabrikantbron (STZ-04). Wat je wel kunt wegen: de leeftijd, hoe vaak de storingen terugkomen, of onderdelen nog leverbaar zijn, en of reparatie door een niet-erkende partij de garantie al heeft aangetast (KLA-12). | Factor | Pleit voor repareren | Pleit voor vervangen | |---|---|---| | Leeftijd | Ruim onder de 15 jaar | Rond of boven de 15 tot 20 jaar | | Storingsfrequentie | Eerste keer, duidelijke eenmalige oorzaak | Herhaalde vergrendelende storingen | | Onderdelen | Origineel of gelijkwaardig onderdeel leverbaar | Onderdeel niet meer leverbaar | | Eerdere reparaties | Vakkundig, door een erkend bedrijf | Ondeskundig, garantie al vervallen | #### Praktijkgeval: de vergrendeling die "vanzelf" wegging Een klant belt over een ketel die "af en toe" uitvalt en na een paar minuten zelf weer aanslaat. Voor je concludeert dat er niets te vinden is, lees je de storingsgeschiedenis uit: staat er een patroon in dat overeenkomt met wat de klant beschrijft? Blijkt daaruit een terugkerende vergrendeling met dezelfde code, dan heb je bewijs voor een structurele oorzaak in plaats van "een toevallige hapering". Bij een toestel van 16 jaar oud met een derde vergrendeling dit jaar leg je die informatie naast de leeftijd en de onderdelenbeschikbaarheid, en bespreek je gemotiveerd met de klant of repareren nog verstandig is. **Controleer jezelf:** - Ik lees bij een storing die ik zelf niet heb gezien altijd eerst de storingsgeschiedenis van het toestel uit - Ik herken automatisch vastgelegde patronen (zoals herhaalde warmtevraag binnen 10 minuten) als bewijs, niet als losse toevalligheden - Ik weeg bij repareren of vervangen de leeftijd, de storingsfrequentie en de onderdelenbeschikbaarheid samen - Ik gebruik geen vast percentage van de nieuwprijs als beslisregel, want daarvoor is geen onafhankelijke bron ## Module 17: Merken, documentatie en hybride URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/merken-documentatie-en-hybride/ De fabrikantdocumentatie is leidend bij installeren, onderhouden en afstellen. Deze module gaat over het vinden en lezen ervan, de grote merken in de praktijk, en het aangrenzende terrein van hybride systemen, warmtepompen en F-gassen. Een cv-monteur die de theorie van modules 1 tot en met 5 kent, weet nog niet hoe een Vaillant ecoTEC plus in het servicemenu komt, wat een Bosch-storingsklasse V betekent, of welke garantietermijn Intergas op een warmtewisselaar geeft. Dat staat niet in een norm of in deze cursus: dat staat in de documentatie van de fabrikant, en die documentatie is voor elk merk anders opgebouwd. Wie dat niet weet, zoekt op de verkeerde plek, gebruikt een verkeerde uitgave, of neemt een storingscode van het ene merk over op het andere. Deze module behandelt daarom hoe je de juiste documentatie vindt en dateert, hoe de zes grote merken in Nederland (Remeha, Intergas, Vaillant, Nefit Bosch, ATAG, Viessmann) in de praktijk verschillen, en hoe je fabrikantinformatie (servicebulletins, garantie, onderdelen) verwerkt. Het laatste deel gaat over het aangrenzende terrein: hybride opstellingen met een warmtepomp, en de grens waar jouw bevoegdheid als cv-monteur ophoudt en koudetechniek begint. Storingscodes, menuprocedures en garantietermijnen staan hier steeds als voorbeeld uit een handleiding of fabrikantpagina, met merk en model erbij: voor het toestel waaraan je werkt geldt de handleiding van dat toestel. Storingzoeken als methode staat in module 16, andere brandstoffen en toesteltypen in module 19: die stof wordt hier niet herhaald. **Na deze module kun je:** - De juiste fabrikantdocumentatie vinden met typeplaatje en serienummer, en een uitgave dateren - De vier documenttypen (installatievoorschrift, servicehandleiding, gebruikershandleiding, onderdelenlijst) uit elkaar houden - De grote merken in Nederland herkennen aan hun servicemenu, storingscodes en bedieningslogica - Fabrikantinformatie verwerken: servicebulletins, garantie, registratie en onderdelen bestellen - Een hybride opstelling met warmtepomp herkennen en aangeven welk deel van het werk bij jouw bevoegdheid past - De grens met koudetechniek (F-gassen) benoemen en weten waar je moet doorverwijzen ### Les 17.1: Fabrikantdocumentatie vinden en lezen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/fabrikantdocumentatie-vinden-en-lezen/ **Leerdoel:** Je vindt met typeplaatje en serienummer de juiste documentatie bij een toestel, onderscheidt de vier documenttypen en weet hoe je een uitgave dateert. #### Waarom je dit apart moet leren CLAUDE.md van deze cursus is niet iets wat je op je werk leest, maar de regel die daarin staat wel iets universeels: bij een gasverbrandingstoestel schrijft niet je geheugen voor, en niet een vage vuistregel van "vroeger", maar de documentatie van de fabrikant van dat exacte toestel. Een instelwaarde, een storingscode of een garantietermijn die je "toevallig weet" van een ander merk of een ander model, is geen bron: het is een gok. Deze les is daarom niet over een specifiek toestel, maar over de vaardigheid om bij elk toestel snel de juiste, actuele documentatie te vinden en te lezen. #### Typeplaatje en serienummer: je startpunt Voordat je iets opzoekt, lees je het typeplaatje. Daarop staan het merk, het model of typenummer, het serienummer en meestal de gassoort en de netvoeding. De plek verschilt per merk: bij Vaillant zit het typeplaatje aan de bovenkant van het product en nog eens op de achterkant van de schakelkast, met het serienummer ook op de onderkant van het voorpaneel; bij Remeha zit de typeplaat boven op de ketel, met naast het serienummer ook de configuratienummers CN1 en CN2; bij Intergas vind je de toestelgegevens op het typeplaatje aan de onderzijde van het toestel. | Merk (voorbeeld) | Waar het typeplaatje zit | |---|---| | Vaillant, ecoTEC plus VHR | Bovenkant van het product, en op de achterkant van de schakelkast; serienummer ook op de onderkant van het voorpaneel | | Remeha, Calenta Ace | Boven op de ketel | | Intergas, Kombi Kompakt HRE | Onderzijde van het toestel | > **Merk, model en serienummer, altijd samen** > Een modelnaam alleen is vaak niet genoeg: binnen een serie bestaan varianten met andere instelwaarden. Noteer merk, model of typenummer en serienummer voordat je een handleiding gaat zoeken. #### Vier documenttypen, elk met een eigen taak Fabrikanten geven niet één document per toestel uit, maar meerdere, elk met een eigen doel: - **Installatievoorschrift**: hoe je het toestel plaatst en aansluit (gas, water, lucht, elektra). Intergas noemt dit document zo. - **Servicehandleiding**: onderhoud, afstelling en storingzoeken, met instelwaarden en storingscodes. Bij Remeha vaak samengevoegd tot "installatie- en servicehandleiding" (Calenta, Avanta) of los ("Servicehandleiding" bij de Tzerra Ace). - **Gebruikershandleiding**: bediening voor de bewoner, zonder technische instelwaarden. - **Onderdelenlijst**: artikelnummers (en vaak prijzen) om een vervangend onderdeel te bestellen. Remeha publiceert hiervoor een apart document, de Onderdelenprijslijst, in zijn geheel of per hoofdstuk (bijvoorbeeld gaswandtoestellen, warmtepompen, regeltechniek) te downloaden. Nefit Bosch werkt met drie documenttypen (installatie-instructie, service-instructie, gebruikers-/installateursinstructie) en verwijst bij een foutmelding die daar niet in staat naar de servicedienst. ATAG combineert op service.atag.nl de gebruiksaanwijzing, het installatievoorschrift, de foutcodes en overige documenten, te doorzoeken op modelnummer of artikelnummer. #### Een uitgave dateren: elk merk anders Documentatie wordt herzien. Voor je een instelwaarde overneemt, wil je weten of je de laatste uitgave hebt voor precies dit model. Elk merk laat dat op zijn eigen manier zien: | Merk (voorbeeld) | Hoe je de uitgave dateert | |---|---| | Vaillant, ecoTEC plus VHR | Documentnummer met versie en datum op de omslag: "0020282267_08 - 03.12.2024" (versie 8, 3 december 2024) | | ATAG, i-Serie | Documentnummer met maand/jaar-code: "8A.51.36.03 / 01.18" (januari 2018) | | Bosch, Condens 7800i W (Duitse uitgave) | Documentnummer met jaar/maand en taalcode: "6721872900 (2024/10) DE" | | Intergas, Kombi Kompakt HRE | Ondertekening met plaats en maand/jaar: "Coevorden, mei 2021, P. Cool, Technisch Directeur", documentnummer 88557806 | Er is dus geen uniforme conventie tussen merken: je controleert de omslag of het colofon van het document dat je in handen hebt (bij Intergas de ondertekening met plaats en maand/jaar), en vergelijkt dat met de nieuwste versie op de website van de fabrikant zelf, in plaats van te vertrouwen op het eerste zoekresultaat. > **Een verkeerde of verouderde uitgave gebruiken voor gasinstellingen** > Instelwaarden voor de gas-luchtverhouding of de gasvoordruk horen bij een specifiek model en een specifieke uitgave. Een oude kopie die her en der online staat, kan bij een gewijzigd model tot een verkeerde afstelling en dus tot een onveilige verbranding leiden. Bij twijfel: de nieuwste uitgave rechtstreeks bij de fabrikant ophalen, niet de eerste PDF die een zoekmachine toont. #### Praktijkgeval: twee PDF's, twee instelwaarden Je zoekt online het installatievoorschrift van een Intergas Kombi Kompakt HRE en vindt een PDF met een instelwaarde die afwijkt van wat er op het typeplaatje van het toestel staat. Voordat je concludeert dat het toestel verkeerd is afgesteld: controleer eerst of de PDF wel de uitgave is die bij dit exemplaar hoort. Intergas geeft uitgaven een documentnummer en een datum van ondertekening mee; als die niet overeenkomt met wat je zou verwachten bij het bouwjaar van dit toestel (af te leiden uit het serienummer, samen met de fabrikant te controleren), zoek je de juiste uitgave op de website van Intergas zelf op voordat je verder gaat. > **Verdieping: waarom "onderdelenlijst" een apart document is** > Een servicehandleiding legt uit hoe een onderdeel werkt en wanneer je het vervangt; ze geeft zelden een artikelnummer of een prijs. Omdat onderdelen via een aparte handelsketen (groothandel, webshop, de fabrikant zelf) worden besteld, en omdat prijzen vaker wijzigen dan een technische procedure, houden fabrikanten als Remeha dit in een eigen, vaker bijgewerkt document. **Controleer jezelf:** - Ik lees eerst het typeplaatje (merk, model of typenummer, serienummer) voor ik iets opzoek - Ik weet dat de plek van het typeplaatje per merk verschilt - Ik onderscheid installatievoorschrift, servicehandleiding, gebruikershandleiding en onderdelenlijst - Ik controleer of ik de nieuwste uitgave voor dit exacte model heb, aan de hand van het documentnummer of de datum - Ik gebruik nooit een instelwaarde uit een niet-geverifieerde of mogelijk verouderde uitgave ### Les 17.2: Merken in de praktijk URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/merken-in-de-praktijk/ **Leerdoel:** Je herkent hoe Remeha, Intergas, Vaillant, Nefit Bosch, ATAG en Viessmann elk hun eigen servicemenu en storingscodes gebruiken. #### Zes merken, zes systemen De zes grote merken in Nederland (Remeha, Intergas, Vaillant, Nefit Bosch, ATAG, Viessmann) lossen dezelfde vragen (welke storing, hoe stel ik iets in, waar zit de historie) allemaal anders op. Er is geen "cv-ketel-standaard" voor een servicemenu: elk merk heeft zijn eigen toegangsprocedure, zijn eigen soort code en zijn eigen manier om een storingsgeschiedenis te tonen. #### Remeha: letters en niveaus Remeha (Calenta Ace, Tzerra Ace) bouwt een code op als een letter plus twee cijferparen, bijvoorbeeld A.02.06. De letter geeft het niveau aan: A is een waarschuwing (de ketel blijft in bedrijf), H een blokkering (herstelt automatisch) en E een vergrendeling (pas op te heffen met een handmatige reset na het wegnemen van de oorzaak). Remeha noemt het lezen van de storingscode "belangrijk voor het correct en snel opsporen van de aard van de storing", en dat lees je uit voordat je iets vervangt (zie ook [module 16](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/storingzoeken-en-reparatie/)). #### Intergas: een enkel cijfer Intergas (Kombi Kompakt HRE) toont op het temperatuurdisplay een los cijfer: 4 is geen vlamsignaal, 8 is een onjuist ventilatortoerental, 29 en 30 zijn een defect gasklep-relais. De laatste vergrendelende storing roep je op door het toestel in de uit-stand te brengen en een knop in te drukken. #### Vaillant: drie codesystemen naast elkaar Vaillant (ecoTEC plus VHR) gebruikt niet één, maar drie soorten codes. F.xxx is een storingscode (bijvoorbeeld F.028: vlamsignaal niet herkend in de ontstekingsfase). D.xxx is een diagnosecode voor de installateur, waarmee je bijvoorbeeld de gas-luchtverhouding (D.158) of de ventilatortransportdruk (D.164) instelt. En L.xxx/N.xxx zijn noodbedrijfmeldingen: een reversible L.xxx-code heft zichzelf op, een irreversible N.xxx-code vraagt ingrijpen. Je komt in het installateursniveau via MENU > INSTELLINGEN > Installateursniveau, met toegangscode 17; vanuit dat niveau lees je ook de fouthistorie uit (maximaal de 10 laatste meldingen). Vaillant waarschuwt zelf dat dezelfde codetabel voor meerdere productseries wordt gebruikt en dat niet elke code bij elk product voorkomt: dit alles geldt dus als voorbeeld voor dit model. > **Drie codesystemen bij één merk is geen uitzondering** > Wat bij Vaillant een F-, D-, L- of N-code is, heet bij Remeha een letter+cijfercode met drie niveaus, bij Nefit een 2-tekens-plus-3-cijfers-code met een soort (2 of 3), bij ATAG een cijfercode met een sleutel- of belsymbool, en bij Bosch een 3-cijferige code met een klasse (O, B, V of W). Onthoud geen tabel: zoek de code op in de handleiding van dat merk en model. #### Nefit Bosch: soort 2 of 3, en een Duits zustersysteem Nefit (ProLine NxT) bouwt een displaycode op uit een storingscode van 2 tekens (bijvoorbeeld 6A), een aanvullende code van 3 cijfers (227) en een soort (2 is blokkerend, 3 is vergrendelend); je vindt de historie via het historiemenu. Bosch, dezelfde fabrikant als Nefit Bosch maar hier bekeken via een Duitse uitgave (Condens 7800i W), werkt met 4 storingsklassen: O (bedrijfstoestand), B (blokkerend, herstelt automatisch), V (vergrendelend, reset nodig) en W (onderhoudsmelding, toestel blijft in bedrijf). Je roept het servicemenu op door een toets ongeveer 5 seconden ingedrukt te houden, en de storingshistorie vind je via Diagnose > Betriebsstatus - Storungen > Historie. Een vergrendelende storing reset je door twee toetsen gelijktijdig ingedrukt te houden tot de storingssymbolen verdwijnen, of door het toestel uit en weer in te schakelen. Bosch geeft als voorbeeld van zo'n vergrendelende storing "geen vlamsignaal na ontsteking", met een foutzoeklijst die van de hoofdafsluiter via de gasvoordruk en de elektroden naar de gasarmatuur loopt: dezelfde volgorde-logica (van eenvoudig naar duur) als bij Remeha's "wel vonk, geen vlam" ([les 5.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-hoofdstromingspad-gas-lucht-water-en-rookgas/)), maar met een eigen stappenlijst. #### ATAG: symbolen in plaats van letters ATAG (i-Serie) gebruikt op het display een sleutelsymbool voor een service-functie of een blokkering en een belsymbool voor een storing (Error, met code): code 118 is bijvoorbeeld druk te laag, met als eerste maatregel het handmatig deblokkeren van de ketelpomp. De toetsencombinatie "+ eco +" werkt als bevestiging en "- reset -" als teruggaan. #### Viessmann: een menu met wachtwoord Viessmann (Vitodens 200-W) werkt weer anders: je roept het servicemenu op via het menusymbool, kiest "Service", voert het wachtwoord "viservice" in en bevestigt. Welke menuonderdelen daarna zichtbaar zijn, hangt af van de systeemuitrusting. Van Viessmann is voor dit register geen volledige installatie- of servicehandleiding op handleidingniveau gecontroleerd: gebruik dit als voorbeeld van het principe (elk merk zijn eigen toegang), niet als volledige instructie voor een specifiek Viessmann-model. #### Praktijkgeval: code 8 bij twee merken Een Intergas-toestel toont code 8: ventilatortoerental niet juist. Een collega die net bij een ATAG-toestel heeft gewerkt, herinnert zich "code 8" van dat merk en past die betekenis toe op het Intergas-toestel. Dat is fout: ATAG heeft voor een vergelijkbaar probleem een ander nummer uit zijn eigen tabel. Zoek bij elke code eerst het merk en het model op, ook als een code "vertrouwd" aanvoelt. > **Verdieping: waarom zoveel verschillende systemen naast elkaar bestaan** > Storingscodes, diagnosecodes en menu's zijn ontworpen door verschillende fabrikanten, op verschillende momenten, voor verschillende regelaars. Er is geen norm die dat uniformeert (in tegenstelling tot bijvoorbeeld OpenTherm, dat wel een gedeelde standaard is voor de communicatie tussen thermostaat en ketel). Voor jou als monteur betekent dat: de handleiding is niet een geheugensteun, maar de enige betrouwbare bron. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat Remeha, Intergas, Vaillant, Nefit Bosch, ATAG en Viessmann allemaal een ander systeem van codes en menu-toegang gebruiken - Ik onderscheid bij Vaillant een F-code (storing), een D-code (diagnose/instelling) en een L- of N-code (noodbedrijf) - Ik onderscheid bij Bosch de klassen O, B, V en W - Ik neem nooit een storingscode van het ene merk over op een ander merk - Ik weet dat Viessmann in dit register het minst diep gecontroleerd is en behandel Viessmann-informatie extra voorzichtig ### Les 17.3: Informatie van de fabrikant verwerken URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/informatie-van-de-fabrikant-verwerken/ **Leerdoel:** Je verwerkt servicebulletins, garantievoorwaarden, registratie en onderdeelkeuze op een manier die de klant en jezelf beschermt. #### Servicebulletins: instructies die achteraf bijkomen Een handleiding is niet het laatste woord van een fabrikant. Op 25 november 2019 waarschuwde Ferroli Nederland voor AGPO Ferroli-cv-ketels van de typen Econpact, Megadens, Ultima en Megalux, geproduceerd tussen 1997 en 2011: onvoldoende onderhoud kon leiden tot brand- of smeltschade en gezondheidsschade door rookontwikkeling. Eigenaren werd gevraagd regelmatig onderhoud door een erkend bedrijf te laten uitvoeren, en installateurs om de nieuwste onderhoudsinstructies bij Ferroli op te vragen. Deze waarschuwing stond los van een nieuwe handleiding-uitgave: wie alleen de handleiding raadpleegde die hij al had, zag hem niet. > **De handleiding die je hebt, is niet altijd het hele verhaal** > Bij een ouder of afwijkend toestel hoort navragen bij de fabrikant of een certificerende instelling of er een latere veiligheidswaarschuwing, een servicebulletin of een modificatiebericht is bijgekomen. De BRL 6000-25 noemt modificatieberichten expliciet als iets dat een certificaathouder feitelijk beschikbaar moet hebben, naast de installatie-, gebruiks- en onderhoudsvoorschriften. #### Onderdelen bestellen: origineel tegenover gelijkwaardig De BRL 6000-25 schrijft voor dat je bij onderhoud uitsluitend onderdelen toepast die door de fabrikant zijn voorgeschreven of ten minste gelijkwaardig zijn aan de originele (gereviseerde onderdelen inbegrepen). Intergas en ATAG vragen dit expliciet, en ook Remeha vraagt bij vervanging na inspectie of onderhoud uitsluitend originele of aanbevolen onderdelen en materialen te gebruiken. Remeha vraagt daarnaast een vervangen onderdeel dat onder garantie valt met een volledig ingevuld retourformulier naar de afdeling Retourgoederen te sturen, en Intergas vraagt hetzelfde: het onderdeel franco en met vermelding van het serienummer en het mankement. Een "gelijkwaardig" onderdeel is dus toegestaan, maar de bewijslast dat het gelijkwaardig is, ligt bij jou als installateur: een goedkoop kopie-onderdeel zonder onderbouwing is geen gelijkwaardig onderdeel, het is een gok met de veiligheid en de garantie van de klant. #### Garantie: de basis, en wat registratie toevoegt De meeste merken geven een basisgarantie van 2 jaar, met een veel langere termijn op de warmtewisselaar en vaak een mogelijkheid om verder te verlengen: | Merk (voorbeeld) | Basisgarantie | Wat verlenging toevoegt | |---|---|---| | Intergas, Kombi Kompakt HRE | 2 jaar op onderdelen, 15 jaar op de dichtheid van de warmtewisselaar (met een aflopende eigen bijdrage vanaf het 6e jaar) | Onderdelen registreren via Mijn Intergas | | Remeha | 2 jaar | Onderdelen Garantie Plan (OGP): tot 15 jaar totaal voor bepaalde modellen, garantiekaart binnen 4 weken registreren in Mijn Remeha | | ATAG, i/Q-serie | 5 jaar op onderdelen, 15 jaar op de warmtewisselaar (via een ATAG Dealer) | ATAG ComfortGarantie: tot 10 of 15 jaar | | Vaillant | 2 jaar fabrieksgarantie | Verlengbaar via de installateur, tot 15 jaar op de warmtewisselaar | De rookgaskoker met geintegreerde tapwaterspiraal en de aluminium voorplaat vallen bij Intergas uitsluitend onder de algemene 2 jaar, niet onder de 15 jaar van de warmtewisselaar: lees dus ook bij garantie de kleine letters van het specifieke onderdeel, niet alleen de koptekst "2 jaar" of "15 jaar". #### Registratie: waarom dat niet alleen administratie is Remeha vraagt bij de inbedrijfstelling van de Calenta de garantiekaart samen met de eindgebruiker online in te vullen, naast het invullen van het typeplaatje (gassoort) en de checklist van het meegeleverde Serviceboekje. Dat is meer dan een formaliteit: zonder registratie kan een klant zijn recht op een verlengde garantietermijn mislopen, en kan de fabrikant hem niet snel bereiken bij een servicebulletin zoals in het AGPO Ferroli-voorbeeld hierboven. #### Praktijkgeval: een klant met een oud toestel en een dure reparatie Een klant heeft een AGPO Ferroli Econpact uit 2003 met een defecte branderautomaat. Voordat je repareert of vervangt: dit type valt onder de waarschuwing van 2019 (bouwjaren 1997-2011). Je vraagt bij Ferroli de laatste onderhoudsinstructies op en controleert of de eerder aanbevolen aanpassing (een metalen plaatje in plaats van het doorzichtige kijkglas) al is uitgevoerd, voordat je alleen de branderautomaat vervangt en het toestel weer in bedrijf stelt. Zo behandel je niet alleen de klacht waarvoor je geroepen bent, maar ook de bekende risico's van dit specifieke toestel. > **Verdieping: waarom garantie per onderdeel kan verschillen** > Een warmtewisselaar gaat bij normaal gebruik en goede waterkwaliteit vaak decennia mee, terwijl een pomp of een printplaat een kortere technische levensduur heeft. Fabrikanten geven daarom niet één garantietermijn voor het hele toestel, maar per onderdeelgroep een andere: dat is geen marketingtruc, het volgt uit het verschil in slijtage en faalkans tussen onderdelen. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat een servicebulletin of veiligheidswaarschuwing los van een nieuwe handleiding-uitgave kan komen - Ik vraag bij een ouder of afwijkend toestel de laatste onderhoudsinstructies bij de fabrikant op - Ik gebruik alleen originele of aantoonbaar gelijkwaardige onderdelen - Ik weet dat garantie per merk en per onderdeel kan verschillen, en dat registratie de termijn kan verlengen - Ik registreer een garantiekaart namens of samen met de klant als dat bij het merk hoort ### Les 17.4: Hybride en warmtepompen: wat je moet weten URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/hybride-en-warmtepompen-wat-je-moet-weten/ **Leerdoel:** Je herkent een hybride opstelling, begrijpt hoe de regeling kiest tussen warmtepomp en ketel, en weet wat dat van de afgifte vraagt. #### Wat een hybride opstelling is Een hybride opstelling combineert een lucht-water-warmtepomp met een gasketel: de warmtepomp levert het grootste deel van de warmte, en de gasketel springt bij op de koudste dagen of bij een hoge warmwatervraag. Bij een monoblock-warmtepomp zit het koudemiddel in een gesloten circuit in de buitenunit en lopen alleen waterleidingen naar binnen; bij een split-systeem lopen er koudemiddelleidingen tussen de buiten- en de binnenunit. Dat onderscheid is niet alleen techniek: het bepaalt ook wie het waterzijdig mag aansluiten (zie hieronder). #### Hoe de regeling kiest tussen warmtepomp en ketel In het Intergas-hybrideconcept (Kombi Kompakt HREco) ontvangt de gasketel de warmtevraag van de warmtepomp-binnenunit: na een warmtevraag van de warmtepomp volgt ventilator, ontsteken en cv-bedrijf, en bij tapwaterbedrijf boven een bepaald debiet wordt een cv-vraag onderbroken. De warmtepompregeling bepaalt dus welke bron levert; de precieze regelstrategie (bijvoorbeeld op basis van buitentemperatuur of energieprijs) verschilt per fabrikant en is hier niet met een fabrikantbron bevestigd, dus laten we die hier bewust weg. > **De regeling kiest de bron, jij onderhoudt de gasketel-kant** > Bij een storing op een hybride systeem is de eerste vraag: zit het probleem bij de warmtepomp, bij de gasketel, of in de communicatie tussen beide? De gasketel-kant is jouw terrein; het koudemiddelcircuit van de warmtepomp is dat niet (zie [les 17.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-grens-met-koudetechniek-f-gassen/)). #### Wat dit van de afgifte en het temperatuurregime vraagt Een warmtepomp verwarmt water tot doorgaans 30 tot 55 graden, waar een cv-ketel vaak op 60 tot 80 graden staat afgesteld. Bij die lagere temperatuur moet het afgiftesysteem (radiatoren of vloerverwarming) "groot genoeg" zijn om voldoende warmte af te geven: is dat niet het geval, dan springt de gasketel vaker bij, wat het voordeel van de warmtepomp juist wegneemt. Milieu Centraal biedt hiervoor de Verwarmingstest aan (aanvoertemperatuur een stookseizoen op 50 graden, en bijhouden of het huis warm genoeg blijft); Vaillant beschrijft een vergelijkbare vierstappentest met een grens van 55 graden. Hoe je een afgiftesysteem daadwerkelijk beoordeelt en optimaliseert (radiatorventilator, groter afgiftevlak, vloerverwarming), staat in [les 7.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afgiftesystemen-combineren-en-koppelen-aan-de-warmtebron/) en [les 7.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-afgiftesysteem-beoordelen-en-optimaliseren/): dat wordt hier niet herhaald. #### Wat een cv-monteur wel en niet doet Wat je als cv-monteur aan een hybride systeem doet, hangt af van het onderdeel: - **Gasketel, waterzijdige aansluiting, regeling van de gasketel-kant**: dit valt onder je Vakmanschap CO, net als bij een gewone cv-ketel. Zowel Remeha als Intergas schrijven voor dat werk aan gasvoerende delen alleen door een erkend installateur gebeurt. - **Waterzijdig aansluiten van een monoblock-warmtepomp**: volgens Remeha kan een installateur zonder F-gassen-certificaat dit doen, omdat er geen koudemiddel door de leidingen naar binnen loopt. - **Een split-systeem, of het koudemiddelcircuit van welke warmtepomp dan ook**: dit vraagt een apart persoonscertificaat voor koudemiddelen (zie [les 17.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-grens-met-koudetechniek-f-gassen/)). Dat is niet jouw terrein zonder die aparte certificering. #### Praktijkgeval: geen warmte, en twee mogelijke bronnen Een klant met een hybride Intergas-installatie klaagt dat het huis kouder blijft dan normaal bij een buitentemperatuur van 5 graden. Volgens de methode uit [module 16](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/storingzoeken-en-reparatie/) begin je met de vraag: welke bron zou nu moeten leveren? Bij 5 graden buiten zou de warmtepomp normaal het grootste deel van de vraag moeten dekken. Je controleert eerst of de warmtepomp-binnenunit inderdaad een warmtevraag doorgeeft aan de gasketel (de gasketel-kant, jouw terrein), voordat je concludeert dat de warmtepomp zelf (de buitenunit, het koudemiddelcircuit) defect is. Blijkt het probleem echt in de buitenunit of het koudemiddelcircuit te zitten, dan verwijs je door naar een gecertificeerd koudetechnisch bedrijf in plaats van zelf verder te onderzoeken. > **Verdieping: waarom "hybride" geen vast omschreven vermogensverdeling heeft** > Beweringen als "de warmtepomp levert altijd 50 tot 70% van de warmtevraag" circuleren veel, maar zijn in dit register niet met een fabrikant- of ISSO-bron bevestigd en worden daarom niet als feit gebruikt. De werkelijke verdeling hangt af van het specifieke systeem, de instelling en de woning: noem dit in een klantgesprek als een indicatie, niet als een harde belofte. **Controleer jezelf:** - Ik herken het verschil tussen een monoblock- en een split-warmtepomp en weet waarom dat verschil bepaalt wie mag aansluiten - Ik weet dat de warmtepompregeling bepaalt welke bron levert, en dat de gasketel de warmtevraag daarvan ontvangt - Ik weet dat een lagere aanvoertemperatuur een groter of beter afgiftesysteem vraagt, en verwijs voor de beoordeling daarvan naar module 7 - Ik onderhoud de gasketel-kant van een hybride systeem onder mijn Vakmanschap CO - Ik verwijs een storing in het koudemiddelcircuit door naar een gecertificeerd koudetechnisch bedrijf ### Les 17.5: De grens met koudetechniek: F-gassen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/de-grens-met-koudetechniek-f-gassen/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wat F-gassen zijn, welke certificering nodig is voor werk aan het koudemiddelcircuit, en waar jouw bevoegdheid ophoudt. #### Wat een F-gas is Een F-gas (gefluoreerd broeikasgas) is een kunstmatig gas dat geen ozonlaagafbrekende werking heeft, maar wel een klimaatopwarmend effect; bij sommige F-gassen is dat effect enkele duizenden keer zo groot als dat van CO2. F-gassen worden onder meer gebruikt als koudemiddel in de warmtepomp van een hybride systeem. Hoeveel een koudemiddel bijdraagt aan klimaatverandering, wordt uitgedrukt in GWP (Global Warming Potential): het klimaatopwarmend effect ten opzichte van CO2 over 100 jaar. Veelgebruikte koudemiddelen lopen daarin ver uiteen: R410A heeft een GWP van ongeveer 2088, R32 ongeveer 675, en het natuurlijke koudemiddel R290 (propaan) ongeveer 3. Fabrikanten als Nefit Bosch zeggen daarom de voorkeur te geven aan koudemiddelen met een zo laag mogelijke klimaatimpact. > **Het risico van een F-gas is meestal klimaat, niet acuut gevaar zoals bij aardgas** > Een F-gas heeft geen ozonlaagafbrekende werking, maar wel een klimaatopwarmend effect: daarop is de certificering vooral gericht, anders dan de acute CO- en explosiegevaren die de rest van deze cursus behandelt. Koudemiddelen hebben daarnaast niet allemaal hetzelfde risicoprofiel: ga bij een specifiek koudemiddel niet uit van een vast beeld, maar raadpleeg het veiligheidsinformatieblad of de handleiding van dat middel. #### Welke certificering nodig is Voor werk aan het koudemiddelcircuit (installeren, onderhouden, lekcontrole, terugwinnen van koudemiddel) is een persoonscertificaat nodig volgens BRL 200: A1 voor F-gassen en koolwaterstoffen in alle hoeveelheden, A2 voor kleinere hoeveelheden (tot 3 kg, of 6 kg hermetisch), B voor CO2, C voor ammoniak, D alleen voor terugwinning en E alleen voor lekcontrole zonder het circuit te openen. Bedrijven die aan koelinstallaties, airco's en warmtepompen werken, hebben daarnaast een bedrijfscertificaat nodig (BRL 100). Sinds 29 september 2025 geldt de certificeringsplicht niet meer alleen voor F-gassen, maar ook voor natuurlijke koudemiddelen zoals propaan: tot 29 maart 2026 worden nog certificaten volgens het oude systeem uitgegeven, en per 12 maart 2029 moeten alle monteurs die aan koudemiddelcircuits werken, volgens het nieuwe systeem gecertificeerd zijn. | Wat je doet | Welke certificering | Van toepassing op | |---|---|---| | Gasketel installeren, onderhouden, afstellen | Vakmanschap CO (BRL 6000-25) | Elke cv-ketel, ook de gasketel-kant van een hybride systeem | | Monoblock-warmtepomp waterzijdig aansluiten | Geen apart certificaat nodig (Remeha) | Alleen als er geen koudemiddel door de leidingen naar binnen loopt | | Koudemiddelcircuit installeren, onderhouden, lekcontrole, terugwinnen | Persoonscertificaat BRL 200 (A1, A2, B, C, D of E) plus bedrijfscertificaat BRL 100 | Elke warmtepomp, split of monoblock, zodra je het koudemiddelcircuit zelf opent of erin werkt | #### Waar jouw bevoegdheid ophoudt Vakmanschap CO en de BRL 6000-25 gaan over gasverbrandingstoestellen tot 100 kW en de bijbehorende lucht- en rookgasvoorzieningen. Die scope noemt geen koudemiddelcircuit. Concreet betekent dat: je mag de gasketel van een hybride systeem installeren, onderhouden en afstellen; je mag, als installateur zonder F-gassen-certificaat, een monoblock-warmtepomp waterzijdig aansluiten omdat er geen koudemiddel naar binnen loopt; maar zodra je aan het koudemiddelcircuit zelf moet werken (een split-systeem aansluiten, een lekkage zoeken in het koudemiddelcircuit, koudemiddel bijvullen of aftappen), heb je een BRL 200-certificaat nodig dat een Vakmanschap CO-certificaat niet vervangt. Dit is precies dezelfde logica als bij andere brandstoffen en toesteltypen die buiten je CO-certificering vallen (zie [les 19.5](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/olie-lpg-hout-en-pellets-herkennen-en-de-grens/) voor olie, LPG, hout en pellets): weten waar je bevoegdheid ophoudt, hoort bij vakbekwaamheid, niet bij onzekerheid. > **Zelf aan een koudemiddelcircuit werken zonder certificaat** > Het is wettelijk verboden om zonder het juiste persoonscertificaat aan een koudemiddelcircuit te werken, en zonder de juiste apparatuur en training kan koudemiddel ongecontroleerd vrijkomen: bij een brandbaar koudemiddel zoals propaan is dat ook een brandgevaar. Bij twijfel of iets "nog gasketel" of al "koudetechniek" is: niet zelf proberen, een gecertificeerd koudetechnisch bedrijf inschakelen. #### Praktijkgeval: waar ligt de grens bij deze klacht? Een hybride installatie geeft een storing die volgens het display bij de buitenunit hoort. Je controleert eerst, net als in [les 17.4](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/hybride-en-warmtepompen-wat-je-moet-weten/), of de warmtepomp-binnenunit wel een warmtevraag doorgeeft aan de gasketel: dat mag je zelf controleren, want dat is de gasketel-kant en de communicatie ertussen. Blijkt de oorzaak in de buitenunit te zitten, bijvoorbeeld een compressor die niet aanslaat of een vermoeden van een koudemiddellek (bijvoorbeeld een ijsvorming op leidingen die daar niet zou moeten zitten), dan stop je daar: dat onderzoek en die reparatie vragen een BRL 200-certificaat. > **Verdieping: waarom de certificering per 2025-2029 verandert** > De herziening van de F-gassenverordening breidt de certificeringsplicht uit naar natuurlijke koudemiddelen, juist omdat steeds meer warmtepompen op propaan of andere natuurlijke koudemiddelen met een lage GWP overstappen. Een lage GWP maakt een koudemiddel klimaatvriendelijker, maar niet per se ongevaarlijker om mee te werken (propaan is bijvoorbeeld brandbaar): vandaar dat de certificeringsplicht meegroeit met het gebruik, in plaats van te verdwijnen. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een F-gas is en wat GWP betekent - Ik weet dat het risico van een F-gas klimaatopwarming is, niet acuut gevaar zoals bij aardgas of CO - Ik weet welk certificaat nodig is voor werk aan een koudemiddelcircuit (BRL 200) en dat mijn Vakmanschap CO dat niet vervangt - Ik weet dat ik een monoblock-warmtepomp waterzijdig mag aansluiten zonder F-gassen-certificaat, maar een split-systeem niet - Ik verwijs werk aan het koudemiddelcircuit door naar een gecertificeerd koudetechnisch bedrijf ## Module 18: Examen en beroepspraktijk URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/examen-en-beroepspraktijk/ Voorbereiding op het theorie- en praktijkexamen, plus klantcommunicatie, administratie, werkvoorbereiding en een leerplan voor na het examen. Let op: deze cursus geeft zelf geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO. **Na deze module kun je:** - Het theorie-examen doelgericht aanpakken - Het praktijkexamen voorbereiden - Helder en professioneel met klanten communiceren, ook onder druk - Werkbonnen en administratie bijhouden en je aansprakelijkheid begrijpen - Een werkdag voorbereiden en plannen - Een leerplan opstellen om na het examen door te groeien ### Les 18.1: Het theorie-examen aanpakken URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-theorie-examen-aanpakken/ **Leerdoel:** Je kunt het theorie-examen doelgericht voorbereiden: je kent de vorm, de vraagverdeling voor je profiel, de cesuur en de herkansingsregels. #### Wat het theorie-examen van je vraagt Het theorie-examen Vakmanschap CO maak je digitaal, op een moment en plek die je zelf kiest. De toets duurt ongeveer anderhalf uur en moet in een keer worden afgemaakt: halverwege stoppen telt als afgerond. Je krijgt direct de uitslag. Voor het dubbele profiel dat jij volgt (Werktuigkundige Installatie en Service en Onderhoud) telt de toets 40 vragen als monteur of 55 vragen als eerste monteur, verdeeld over negen onderwerpen. De slaagnorm is 70%. | Onderwerp | Vragen (monteur) | Vragen (eerste monteur) | |---|---|---| | 1 Algemene basiskennis | 5 | 7 | | 2 Signaleren en melden onveilige situatie CO | 3 | 3 | | 3 Opstellingsruimte ontwerpen en beoordelen | 7 | 9 | | 4 Rookgasafvoerleidingen aanleggen | 7 | 5 | | 5 Rookgasafvoer in gestapelde bouw | - | 5 | | 6 Rookgasafvoer controleren en adviseren | 3 | 6 | | 7 Gasverbrandingstoestel installeren | 5 | 6 | | 8 Onderhoud toestellen en rookgasafvoer | 8 | 12 | | 9 CO-melder adviseren, plaatsen, controleren | 2 | 2 | | **Totaal** | **40** | **55** | > **Leer naar de toetsmatrijs, niet naar je gevoel** > Onderhoud (8 tot 12 vragen) en opstellingsruimte (7 tot 9 vragen) wegen het zwaarst. Besteed je leertijd in die verhouding: een onderwerp met 2 vragen (de CO-melder) verdient minder uren dan een onderwerp met 12. #### Hoeveel vragen moet je goed hebben? Rekenvoorbeeld: bij het profiel Eerste Monteur WI+SO (55 vragen, cesuur 70%) is 70% van 55 gelijk aan 38,5 vragen. De toetsmatrijs zegt niet hoe er wordt afgerond, dus reken voor de zekerheid met 39 vragen goed als ondergrens, niet met 38. #### Vraagvormen en valkuilen De officiele bronnen noemen geen vraagvorm voor de initiele theorietoets. Reken op een praktijkgerichte insteek: een gemeten waarde of een situatie, waarbij je moet beoordelen wat die betekent, niet alleen een definitie opnoemen. Drie valkuilen die voor deze cursus ook golden: - Een waarde uit een handleiding (een instelwaarde, een storingscode) als algemene regel gebruiken. Op de toets telt de regel uit wet, schema of norm, niet het merk dat jij toevallig kent. - De grenzen voor CO in de opstellingsruimte (5 en 20 ppm) verwisselen met de grens voor CO in het rookgas (50, 200 of 400 ppm, afhankelijk van het toestel). Dat zijn twee verschillende metingen met twee verschillende doelen. - Denken dat een norm (NEN, NPR) op de toets letterlijk wordt geciteerd. Normen zijn auteursrechtelijk beschermd: de toets vraagt of je weet wat een norm regelt en waar je hem raadpleegt, niet de normtekst zelf. #### Is de toetsmatrijs nog actueel? De enige gepubliceerde toetsmatrijs voor de initiele theorietoets is van 15 juli 2019. Op 20 september 2026 stond op de website van de Vakbekwaamheidscommissie nog steeds geen nieuwere versie: alleen de matrijs voor de verlengingstoets is recenter (14 november 2025). Dat betekent niet dat de aantallen zeker kloppen voor jouw toets: de toetsmatrijs is de enige openbare bron, en de site van Vakmanschap Techniek zelf noemt geen aantallen. Vraag bij twijfel de helpdesk van Vakmanschap Techniek. #### Als je zakt Ben je het niet eens met de uitslag, dan kun je eerst een klacht indienen en, als je het daarna nog oneens bent, in beroep gaan bij de onafhankelijke beroepscommissie uit het examenreglement. Dat verandert niets aan de kernregel: ben je gezakt, dan doe je een nieuwe, betaalde poging. Er is geen minimale wachttijd of maximumaantal pogingen in de officiele bronnen gevonden. #### Wat deze cursus wel en niet is Deze cursus bereidt je voor, maar is geen vervanging van het examen: je haalt hier geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO. Dat haal je alleen bij een door InstallQ geaccrediteerde exameninstelling. **Controleer jezelf:** - Ik weet hoeveel vragen mijn profiel telt en welke onderwerpen het zwaarst wegen - Ik heb de gratis zelftest gehaald voordat ik de echte toets boek - Ik reken de cesuur uit voor mijn eigen profiel in plaats van "70% klinkt wel genoeg" aan te nemen - Ik weet dat een gezakte toets een nieuwe, betaalde poging vraagt, ook als ik eerst nog een klacht of beroep indien over de uitslag - Ik weet dat deze cursus geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO oplevert ### Les 18.2: Het praktijkexamen voorbereiden URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/het-praktijkexamen-voorbereiden/ **Leerdoel:** Je kunt het praktijkexamen voorbereiden: je weet wat je moet laten zien, hoe de beoordeling werkt en welke fouten je moet vermijden. #### Wat het praktijkexamen van je vraagt Het praktijkexamen bestaat uit drie onderdelen: voorbereiding, werkuitvoering en nazorg. Voor het dubbele profiel duurt het ongeveer een dag (twee dagdelen van maximaal 4 uur), met een installatie-opdracht en een onderhoudsopdracht. Voor een enkel profiel is het een dagdeel van maximaal 4 uur. Je krijgt een zo concreet mogelijke feitelijke werksituatie: een echte opstelling, een echt merk en model, een klacht zoals een klant hem zou formuleren. De assessor speelt de klant. Dat is geen bijzaak: je moet net zo werken als op een echte klus. Vraag naar bijzonderheden, raadpleeg de fabrikantvoorschriften, leg vast wat je meet en doet, adviseer over de installatie en over een CO-melder, en laat de klant (de assessor) aftekenen. > **De assessor beoordeelt gedrag, niet alleen het resultaat** > Tijdens de uitvoering observeert de assessor je gedrag en handelen (de richtlijnen noemen dit de methode "WAKKER"). Een goed werkend toestel opleveren is niet genoeg als je onderweg belangrijke controles overslaat of niet kunt uitleggen waarom je iets deed. #### Het eindgesprek Het examen sluit af met een eindgesprek volgens de methode "START": een concrete casus van een onveilige situatie (aan de hand van een film of foto) en een paar vooraf vastgestelde theorievragen. Signaleren en melden van een onveilige situatie is dus geen apart hoofdstuk maar een verplicht onderdeel van het hele examen, ook van dit gesprek. #### Hardop werken en een afkeuring verantwoorden De officiele toetsmatrijs formuleert het leerdoel voor de eerste monteur zo: je kunt "zelfs onder druk van de consument altijd zorgen voor een veilige gebruikssituatie ook al betekent dat voor de consument een impopulaire maatregel." Op het examen is de "consument" de assessor, die je bewust onder druk kan zetten. Verwacht wordt dat je: - de meetwaarde of de bevinding hardop benoemt in plaats van iets stilzwijgend te doen; - de regel of norm noemt waarop je je beslissing baseert; - vasthoudt aan een veilige beslissing, ook als de "klant" tegenwerpt dat het toestel toch al jaren zo werkt. #### Praktijkgeval Tijdens de onderhoudsopdracht meet je in de opstellingsruimte 14 ppm CO. De assessor (in de rol van klant) zegt: "Vorige keer was het ook wat hoog en toen mocht het toestel toch aan blijven." Wat doe je? Je stelt het toestel niet in bedrijf voordat je de oorzaak hebt gevonden en weggenomen: 14 ppm ligt tussen 5 en 20 ppm, dus onderzoek is verplicht voordat je opnieuw in bedrijf stelt. Je legt uit welke grens je hanteert en waarom, en je informeert de klant. Dat het toestel "vorige keer" ook aanbleef, is geen argument: elke meting staat op zichzelf. #### Wat je meeneemt Je brengt je eigen, goedgekeurde meetinstrumenten en gereedschap mee; de praktijklocatie levert de opstelling en de materialen. Zorg dat je meetinstrumenten een geldige kalibratie hebben: een assessor kan daarnaar vragen, en een niet-gekalibreerd instrument ondermijnt elke meting die je daarna doet. #### Veelgemaakte fouten - Alleen het toestel beoordelen en de rest van de installatie (luchttoevoer, rookgasafvoer, opstellingsruimte) overslaan. - Wel goed meten, maar de bevindingen niet benoemen: de assessor kan alleen beoordelen wat hij ziet en hoort. - Toegeven aan de "klant" die haast heeft of het toestel toch wil aanhouden. - Vergeten de klant te laten aftekenen of te adviseren over een CO-melder. #### Resultaat Het resultaat van het praktijkexamen is bindend. Zak je voor een onderdeel, dan boek en betaal je binnen 10 werkdagen herexamen voor dat onderdeel (bij meerdere onvoldoende onderdelen gebeurt dat op dezelfde dag); verzetten van de examendatum zelf kan alleen in overleg met de praktijkorganisatie. **Controleer jezelf:** - Ik weet uit welke drie onderdelen het praktijkexamen bestaat - Ik benoem mijn bevindingen en de regel waarop ik mijn beslissing baseer, hardop - Ik houd een veilige beslissing vast, ook als de "klant" tegenwerpt - Ik controleer voor het examen of mijn meetinstrumenten gekalibreerd zijn - Ik weet dat het resultaat bindend is en dat herexamen voor het onvoldoende onderdeel opnieuw wordt betaald ### Les 18.3: Klantcommunicatie en moeilijke gesprekken URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/klantcommunicatie-en-moeilijke-gesprekken/ **Leerdoel:** Je kunt een afkeuring, een offerte of een slecht bericht helder en respectvol uitleggen aan een klant, ook onder druk. #### Een afkeuring uitleggen Een installatie afkeuren of een toestel niet in bedrijf stellen is een van de minder leuke kanten van het vak, en tegelijk een kerncompetentie: de officiele toetsmatrijs verwacht van een (eerste) monteur dat hij "zelfs onder druk van de consument altijd zorgt voor een veilige gebruikssituatie ook al betekent dat voor de consument een impopulaire maatregel." Dat lukt beter met een vaste opbouw dan met improviseren. Een aanpak die in de praktijk werkt: 1. Benoem het feit: wat je hebt gemeten of gezien, in gewone taal ("ik meet 14 ppm koolmonoxide in deze ruimte"). 2. Leg de reden uit: waarom dat een probleem is, niet alleen een regelnummer ("dat is te veel om dit toestel gewoon te laten draaien zonder de oorzaak te vinden"). 3. Geef het vervolg: wat je nu doet en wat de klant kan verwachten. 4. Laat ruimte voor vragen, en leg vast wat je hebt gezegd en gedaan (zie les 18.4). > **Het waarom overtuigt, het bevel niet** > "Het mag niet" roept weerstand op. "Ik meet dit, en daarom mag het pas weer aan als..." legt de klant uit wat je ziet en waarom dat telt. Dezelfde boodschap, een heel ander gesprek. #### Verwachtingen managen Klanten vragen vaak niet naar de wettelijke term maar naar iets concreets: "kan het nog vandaag?", "moet dat echt?", "wat kost dat?". Wees concreet terug: noem de garantietermijn die geldt, het onderhoudsinterval, en wanneer je terugkomt. Een klant die vooraf weet waar hij aan toe is, klaagt minder snel achteraf: hoe duidelijker je nu communiceert, hoe minder discussie er later is over wat er precies is afgesproken. #### Als de klant wil doorwerken Soms wil een klant het toestel toch laten draaien, "want het is buiten koud" of "de vorige monteur zei dat het wel kon". Jij mag een installatie niet in bedrijf stellen als er ontoelaatbare hoeveelheden CO vrijkomen, en alleen de gemeente kan een eigenaar dwingen tot herstel als hij niet wil meewerken. > **Onder druk toch in bedrijf stellen kan iemand het leven kosten** > Een installatie die je zelf als onveilig hebt beoordeeld, stel je niet in bedrijf, wat de klant ook zegt of hoe vervelend het gesprek ook wordt. Leg uit wat je hebt gemeten, meld het volgens de regels (les 1.6) en laat de beslissing over herstel aan de klant zelf: hij kan het laten herstellen, of de gemeente kan hem daartoe dwingen. Toegeven aan druk is geen optie. #### Slecht nieuws brengen Een offerte die hoger uitvalt, een reparatie die niet meer rendabel is, een toestel dat echt aan vervanging toe is: ook dat is slecht nieuws. Breng het zonder omwegen, maar met de reden erbij: "de warmtewisselaar lekt, en dat is met dit merk en deze leeftijd niet meer te repareren voor een bedrag dat de moeite waard is" werkt beter dan een ontwijkend "dat wordt een dure klus". #### Praktijkgeval Een klant belt geirriteerd: de vorige monteur (van een ander bedrijf) zei dat de ketel "gewoon goed was", en nu kom jij en zeg je dat de opstellingsruimte niet voldoet. De klant vraagt: "wie heeft er nou gelijk?" Je legt uit dat je verantwoordelijk bent voor de veiligheid van de hele installatie op het moment dat jij hem beoordeelt of in bedrijf stelt, ook als een ander bedrijf hem eerder heeft gecontroleerd. Je benoemt wat je concreet ziet (bijvoorbeeld: te weinig ventilatieopening voor dit type toestel), niet wie er "gelijk" heeft, en legt uit wat er nu moet gebeuren voordat het toestel weer aan mag. #### Als het toch een klacht wordt Werkt het bedrijf volgens de AVIC-voorwaarden en is de klant een consument, dan kan die na een onopgeloste klacht naar de Geschillencommissie Installerende Bedrijven, mits het bedrijf lid is van Techniek Nederland. Weten dat die route bestaat, en een klant daar rustig naar verwijzen, voorkomt dat een gesprek verhardt tot een welles-nietes. **Controleer jezelf:** - Ik benoem eerst het feit, dan de reden, dan het vervolg, in die volgorde - Ik leg uit waarom een beslissing veilig moet zijn, in plaats van alleen "het mag niet" te zeggen - Ik stel een als onveilig beoordeelde installatie nooit in bedrijf, ook niet onder druk - Ik noem concrete termijnen (garantie, onderhoud, planning) in plaats van vage toezeggingen - Ik weet dat een klant bij een lid van Techniek Nederland naar de Geschillencommissie kan ### Les 18.4: Administratie, werkbonnen en aansprakelijkheid URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/administratie-werkbonnen-en-aansprakelijkheid/ **Leerdoel:** Je kunt werkbonnen en meetgegevens vastleggen, weet welke bewaartermijnen gelden en begrijpt waarom aantoonbaar werken jou en je bedrijf beschermt. #### Wat je vastlegt, en waarom Van elke controle leg je vast: wat je hebt gecontroleerd en op welke eisen, wie het deed en wanneer, met welk instrument, en het resultaat. Bij een afwijking leg je ook vast wat je daarmee hebt gedaan. Dat is geen bureaucratie voor de vorm: het is de enige manier waarop jij (of je bedrijf) achteraf kunt aantonen dat er zorgvuldig is gewerkt, en de enige manier waarop een certificerende instelling je werk kan controleren. Een werkbon bevat in de praktijk minimaal: je bedrijfsgegevens, de klantgegevens, de datum, een concrete omschrijving van wat je hebt gedaan, gebruikte materialen, gewerkte uren, en de handtekening van de klant voor akkoord. Bij CO-werk komen daar de eisen van BRL 6000-25 nog bovenop, zoals de meetwaarden en of je een CO-melder hebt geadviseerd. > **Een handtekening is meer dan een formaliteit** > Een handtekening (ook digitaal) op een werkbon levert dwingend bewijs op dat de klant akkoord ging met wat erop staat. Laat een klant dus altijd voor akkoord tekenen op uren, materiaal en advies, niet alleen mondeling bevestigen. #### Hoe lang je bewaart | Wat | Bewaartermijn | |---|---| | Fiscale basisadministratie | 7 jaar (vanaf 1 januari volgend op het boekjaar) | | Gegevens over onroerende zaken | 10 jaar | | Projectdossier CO-certificaathouder | minstens 10 jaar na afronding van het project | #### Rekenvoorbeeld Je rondt op 15 maart 2026 een installatieproject af. Tot wanneer moet je het projectdossier volgens BRL 6000-25 bewaren, en tot wanneer je fiscale administratie over dat boekjaar? Het projectdossier bewaar je minstens tot 15 maart 2036 (10 jaar na afronding). De fiscale bewaarplicht loopt vanaf 1 januari 2027 (het jaar na boekjaar 2026) tot 1 januari 2034: 7 jaar. Het projectdossier moet dus langer bewaard blijven dan de fiscale basisadministratie. Persoonsgegevens van de klant vallen daarnaast onder de AVG: je bewaart ze niet langer dan nodig voor het doel waarvoor je ze hebt verzameld, met dien verstande dat een andere bewaarplicht (fiscaal, of het projectdossier) voorrang heeft als die een langere termijn eist. #### Wie is aansprakelijk: jij of het bedrijf? Maak jij tijdens je werk een gewone fout, dan is dat volgens de wet voor risico van het bedrijf, niet van jou persoonlijk: een werknemer is tegenover de werkgever niet aansprakelijk voor schade tijdens het werk, tenzij er opzet of bewuste roekeloosheid in het spel is. Van die regel afwijken mag alleen schriftelijk, en alleen als jij daarvoor verzekerd bent. Tegenover een klant (een derde) geldt hetzelfde principe omgekeerd: het bedrijf is risicoaansprakelijk voor een fout die jij tijdens je werk maakt, ook als jij een instructie hebt overtreden. Dat betekent niet dat er niets van je gevraagd wordt: je moet handelen zoals een redelijk bekwame vakgenoot in dezelfde situatie zou doen. Doe je dat niet en levert het bedrijf daardoor niet wat is afgesproken, dan kan de klant het bedrijf aanspreken op wanprestatie. #### Garantie: drie lagen Een klant kan met drie verschillende soorten garantie te maken krijgen, en het is aan jou om ze niet door elkaar te laten lopen in een gesprek: 1. De fabrieksgarantie: aan voorwaarden gebonden (spoelen, waterkwaliteit, jaarlijks onderhoud), en verschillend per merk. 2. De garantie van het installatiebedrijf zelf, bijvoorbeeld volgens de AVIC-voorwaarden als het bedrijf lid is van Techniek Nederland. 3. De wettelijke garantie (non-conformiteit): bij een consument mag een geleverde installatie doen wat je op grond van de overeenkomst mocht verwachten, en de eerste zes maanden na aflevering wordt een gebrek vermoed er al bij aflevering te zijn geweest. #### Verzekering Een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering is voor een installatiebedrijf niet wettelijk verplicht, maar wordt in de praktijk vaak gevraagd door opdrachtgevers, banken of VvE's. Dat is geen certificeringseis: het Bewijs van Vakmanschap CO en BRL 6000-25 zeggen er niets over. **Controleer jezelf:** - Ik leg van elke controle vast wat, hoe, wanneer, met welk instrument en met welk resultaat - Ik laat een klant altijd voor akkoord tekenen, niet alleen mondeling bevestigen - Ik weet welke bewaartermijn voor welk document geldt - Ik weet dat een gewone fout tijdens mijn werk voor risico van het bedrijf is, geen opzet of roekeloosheid - Ik houd fabrieksgarantie, bedrijfsgarantie en wettelijke garantie uit elkaar in een klantgesprek ### Les 18.5: Werkvoorbereiding, planning en gereedschap URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/werkvoorbereiding-planning-en-gereedschap/ **Leerdoel:** Je kunt een werkdag voorbereiden en weet welk gereedschap, welke meetapparatuur en welke documentatie je meeneemt. #### Een werkdag voorbereiden Voor je op pad gaat, neem je de opdracht door: wat is de klacht (in de woorden van de klant), welk merk en model staat er, welke voorgeschiedenis is bekend, en welke materialen en onderdelen heb je waarschijnlijk nodig? BRL 6000-25 verwacht van een certificaathouder dat binnenkomende materialen worden gecontroleerd op de gestelde eisen (ingangscontrole) en dat ook de opslag van materiaal op de werklocatie wordt beoordeeld. Leg vast wie dat deed, bijvoorbeeld op de werkbon. > **Voorbereiding voorkomt een tweede rit** > Een niet gecontroleerde voorraad of een vergeten onderdeel kost je een tweede rit en de klant een tweede wachtdag. Neem de klacht, het merk, het model en de meest waarschijnlijke oorzaken door voordat je vertrekt, niet onderweg. #### Gereedschap en meetapparatuur Voor CO-werk gelden concrete eisen aan je meetapparatuur: voor het meten van CO, O2 en rookgastemperatuur in het rookgas, en voor verschildruk en trek, moet je apparatuur voldoen aan EN 50379 deel 2. Denk ook aan een gaslekzoeker of lekzoekspray, en aan je legitimatiebewijs (met bedrijfsnaam, je naam en pasfoto, het CO-VRIJ-beeldmerk en de uitgiftedatum, of het Vakpaspoort). #### Kalibratie Elk meetinstrument waarvan de uitkomst bepaalt of je goed- of afkeurt, moet gekalibreerd zijn, met de kalibratiestatus zichtbaar op het instrument. De wet en de BRL leggen geen vaste kalibratiefrequentie vast: dat bepaalt en registreert het bedrijf zelf. Een fabrikant kan wel een concreet advies geven. #### Rekenvoorbeeld Je koopt op 1 maart 2025 een rookgasanalyser. De fabrikant adviseert jaarlijkse kalibratie om de opgegeven nauwkeurigheid te houden. Wanneer zet je de eerste kalibratie in je overzicht, en wat noteer je op de sticker van het instrument? Je plant de eerste kalibratie op of voor 1 maart 2026, en zet op de sticker de kalibratiedatum en de volgende uiterste datum. Dat overzicht (welk instrument, welke frequentie, wanneer voor het laatst gekalibreerd) houd je zelf bij: er is geen vaste wettelijke termijn die je daarvan ontslaat. #### Voorraad en onderdelen Houd rekening met beperkte onderdelenbeschikbaarheid, vooral bij een oudere ketel: er is geen betrouwbare bron gevonden die een vaste minimumtermijn voor onderdelenbeschikbaarheid na verkoop garandeert. Vraag bij twijfel bij de fabrikant of onderdelen voor het specifieke model nog leverbaar zijn, in plaats van op een vast aantal jaren te rekenen. #### Fysieke belasting Een cv-ketel, boiler of gasfles til je niet zomaar: de praktijkrichtlijn voor tillen (A-blad Lichamelijke belasting) noemt bij incidenteel tillen een maximum van 23 kg, en bij vaker dan twaalf keer per dienst tillen 12 kg. Onder minder gunstige omstandigheden (draaien, bukken, een trap op) ligt de veilige last lager. Persoonlijke beschermingsmiddelen die je nodig hebt, zijn voor rekening van de werkgever; als zzp'er ben je daar zelf verantwoordelijk voor. **Controleer jezelf:** - Ik neem de klacht, het merk en model door voordat ik vertrek - Ik controleer bij binnenkomst van materiaal of het aan de gestelde eisen voldoet - Ik weet welke meetapparatuur aan EN 50379 deel 2 moet voldoen - Ik houd een overzicht bij van mijn meetinstrumenten en hun kalibratiedatum - Ik vraag bij een oudere ketel na of onderdelen nog leverbaar zijn, in plaats van dat aan te nemen ### Les 18.6: Je leerplan als topmonteur URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/je-leerplan-als-topmonteur/ **Leerdoel:** Je kunt een leerplan opstellen om na het examen door te groeien, en weet wat deze cursus wel en niet is. #### Wat deze cursus wel en niet is Deze cursus geeft je geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO: dat haal je alleen bij een door InstallQ geaccrediteerde exameninstelling, na een theorietoets en een praktijkexamen. Wat de cursus wel doet: je een compleet beeld geven van de negen examenonderwerpen, de fysische en juridische achtergrond erbij, en de onderdelen die het examen niet toetst maar die het verschil maken tussen een monteur die slaagt en een monteur die tot de top 1% van het vak behoort. > **Weten waar je bevoegdheid ophoudt, is ook vakbekwaamheid** > Een topmonteur kent niet alleen zijn eigen vak, maar ook de grens van zijn eigen bevoegdheid: wanneer je een fabrikant belt, wanneer je een expert inschakelt, en wanneer je iets aan een ander vakgebied (elektrotechniek, asbest, leidingwerk) overlaat. #### Na het Bewijs: verlengen en bijblijven Het Bewijs van Vakmanschap CO is vijf jaar geldig. Zet de einddatum in je agenda en begin uiterlijk zes maanden ervoor met de verlengingsroute (de module Basiskennis Opfrisser en een theorietoets). Is het bewijs eenmaal verlopen, dan moet je het hele initiele traject opnieuw doen: theorietoets en praktijkexamen. Het CO-stelsel staat niet stil. Sinds 2025 en 2026 zijn er wijzigingsbladen op de certificatieschema's aangewezen, en er is een wijziging van de meldplicht in voorbereiding (minder verplichte meldingen aan het bevoegd gezag, maar wel een verplichte melding van de achterliggende oorzaak). Blijf dit soort ontwikkelingen volgen via je certificerende instelling of InstallQ: de cursus zelf wordt niet automatisch bijgewerkt. #### Vervolgopleidingen Deze cursus behandelt het fundament: warmte en hydraulica, de ketel als keten, regeling en afgifte, rookgasafvoer, installeren, meten, onderhoud en storingzoeken. Er zijn onderwerpen waar opleiders apart voor opleiden en die niet in deze cursus zitten: - Vakmanschap Inregelen (waterzijdig inregelen): deze cursus legt het principe uit (module 14), maar niet de volledige vakbekwaamheid. - Vakmanschap Afgiftesystemen en Warmtepompen: relevant nu hybride en warmtepompsystemen steeds vaker naast of in plaats van de cv-ketel komen (module 17). #### Generieke veiligheidscertificering Naast het Bewijs van Vakmanschap CO bestaat VCA (Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers): geen wettelijke plicht, maar in de praktijk vaak een eis van een opdrachtgever om op locatie te mogen werken, los van je CO-certificering. B-VCA is het basisniveau voor uitvoerende medewerkers. #### Praktijkgeval: een leerplan in stappen Een realistisch leerplan voor de eerste jaren in het vak ziet er ongeveer zo uit: 1. Nu tot het examen: deze cursus afronden, de gratis zelftest halen, dan de theorietoets en het praktijkexamen boeken. 2. Eerste jaren na het Bewijs: ervaring opbouwen onder begeleiding van een gecertificeerde monteur (deze cursus vervangt dat niet), en de zwaarste examenonderwerpen (onderhoud, opstellingsruimte, rookgasafvoer) in de praktijk laten landen. 3. Rond het derde tot vierde jaar: overwegen of een vervolgopleiding (inregelen, warmtepompen) bij je loopbaan past. 4. Zes maanden voor de einddatum van het Bewijs: de verlengingsroute plannen. #### Blijven leren zonder een cursus Niet elk nieuw inzicht komt uit een cursus. Vraag bij storingen die je niet meteen snapt door naar het waarom, niet alleen naar de oplossing; lees een fabrikanthandleiding ook als het toestel het (nog) goed doet; en volg het jaarverslag van de TloKB of nieuws van Techniek Nederland om te weten wat er in het stelsel verandert. **Controleer jezelf:** - Ik weet dat deze cursus geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO oplevert - Ik heb de einddatum van mijn Bewijs (zodra ik het heb) in mijn agenda staan, met een herinnering zes maanden ervoor - Ik weet welke vervolgopleidingen bij mijn vak passen en waarom - Ik ken het verschil tussen het Bewijs van Vakmanschap CO en VCA - Ik heb een idee van mijn eigen leerplan voor de eerste jaren na het examen ## Module 19: Andere ketels en oudere toestellen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/module/andere-ketels-en-oudere-toestellen/ Naast de moderne HR-ketel kom je oudere ketels, geisers, gaskachels en toestellen op andere brandstoffen tegen. Juist open toestellen geven CO-ongevallen. Je leert ze herkennen en weet wat er verandert als je er een vervangt. De meeste lessen in deze cursus gaan over de HR-ketel die je nu het vaakst tegenkomt. Maar bij een oudere woning, een vakantiehuis, een tussenwoning zonder gasaansluiting of een pand met een houtkachel sta je voor een ander toestel. Dan moet je kunnen herkennen wat je voor je hebt, weten waarom een open of ouder toestel meer CO-risico geeft, en weten waar je bevoegdheid ophoudt. De feiten in deze module komen uit een apart register (feiten/12-andere-toestellen.md, voorvoegsel TST) en uit stof die al vaststaat in de modules over rookgasafvoer (8), gas en verbranding (4) en wet en certificering (1). Waar die stof al ergens anders in de cursus staat, verwijst deze module daar naartoe in plaats van hem te herhalen. Voor merkspecifieke storingscodes en instelwaarden op oudere toestellen geldt dezelfde regel als overal: alleen als voorbeeld, met merk en model erbij, en alleen uit een officiele handleiding. **Na deze module kun je:** - De soorten ketels en toestellen indelen op brandstof, rendementsklasse en type (open of gesloten) - Een atmosferische of VR-ketel herkennen en uitleggen waarom hij meer CO-risico geeft dan een gesloten HR-ketel - Geisers, doorstroomtoestellen en losse gastoestellen herkennen en de risico's benoemen - Ketels op olie, LPG, hout of pellets, warmtenetten en elektrische ketels plaatsen en weten waar jouw bevoegdheid ophoudt - Uitleggen wat er verandert (afvoer, ventilatie, ruimte, afgifte) als je een oud toestel door een HR-ketel vervangt ### Les 19.1: Overzicht: soorten ketels en toestellen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/overzicht-soorten-ketels-en-toestellen/ **Leerdoel:** Je kunt ketels indelen op brandstof, rendementsklasse (HR, VR) en type (open of gesloten, solo of combi) en herkent ze op het typeplaatje. #### Niet elke ketel is een HR-ketel In de rest van deze cursus staat de moderne HR-ketel centraal. Maar bij een oudere woning, een vakantiehuis of een pand zonder gasaansluiting kom je andere toestellen tegen: een conventionele of VR-ketel, een geiser, een gaskachel, een toestel op olie of pellets, of een afleverset van een warmtenet. Deze module helpt je ze te herkennen en te weten wat daarbij anders is. #### Drie manieren om een toestel in te delen Een gasverbrandingstoestel deel je in op drie onafhankelijke kenmerken: 1. **Rendementsklasse**: hoe zuinig het toestel is en of het condenseert. 2. **Solo of combi**: alleen verwarming, of ook warm tapwater. 3. **Open of gesloten**: waar de verbrandingslucht vandaan komt (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/)). #### Rendementsklasse: conventioneel, VR en HR Een **conventionele ketel (CR)** heeft een atmosferische brander zonder ventilator (natuurlijke trek) en condenseert de waterdamp in het rookgas niet. Een **VR-ketel** (verbeterd rendement) werkt volgens hetzelfde principe, met minder verlies, maar condenseert net als de conventionele ketel niet: de warmte van de waterdamp verdwijnt met het rookgas. Een **HR-ketel** (hoogrendement) koelt het rookgas in de warmtewisselaar zo ver af dat de waterdamp condenseert. Die condensatiewarmte wordt mee benut, waardoor het rendement op onderwaarde boven 100% kan komen (zie [les 4.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/volledige-verbranding-en-de-luchtbehoefte/) en [les 4.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/condensatie-dauwpunt-condensaat-en-rendement/)). Bij aardgas is die winst theoretisch maximaal circa 11% van de onderwaarde. > **Condenseren is het verschil, niet de ventilator** > Het onderscheid tussen VR en HR gaat niet over "wel of geen ventilator", maar over "wel of geen condensatie van de waterdamp in het rookgas". Een VR-ketel kan een ventilator hebben en toch niet condenseren. Herken een HR-ketel aan de kunststof of RVS afvoer met weerstandsklasse W en aan een condensaataansluiting (zie [les 8.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/materialen-temperatuurklassen-en-condens/)). Het Gaskeur-label van Kiwa kende vroeger drie HR-niveaus (HR100, HR104 en HR107); op een gegeven moment is dat samengevoegd tot een enkel HR-label, met een eis die gelijk is aan die van het voormalige HR107: 107% rendement op onderwaarde, ongeveer 96,5% op bovenwaarde. Het precieze moment van die samenvoeging en de precieze percentages van de oude labels HR100 en HR104 zijn in het feitenregister niet met een sterke bron te bevestigen: gebruik ze niet als harde datum of harde getallen, alleen als naam die je nog op een oud typeplaatje kunt tegenkomen. #### Solo of combi Een **solo ketel** verwarmt alleen het cv-water; voor warm tapwater is een apart toestel nodig, zoals een boiler of een keukengeiser. Een **combiketel** verwarmt zowel het cv-water als het tapwater in één toestel, en verhit het tapwater op het moment van gebruik (doorstroomprincipe). De meeste woningen in Nederland hebben een combiketel. De CW-klasse van een combiketel (het tapdebiet) staat al met een Kiwa-bron in [les 7.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/lage-temperatuur-en-het-rendement-van-de-ketel/) en in het feitenregister van module 2 (REN-11 tot REN-15). #### Het typeplaatje lezen Op het typeplaatje van elk gasverbrandingstoestel staan onder meer de toestelcategorie (bijvoorbeeld II2EK3P, zie [les 4.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/aardgas-in-nederland-gassoorten-gasdruk-en-wobbe/)), de aansluitwijze (A/B/C-indeling, zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/)), de CE-markering en het vermogen. De exacte lay-out verschilt per fabrikant en staat in de installatiehandleiding van dat toestel. #### Praktijkgeval: wat hangt hier? Je komt bij een klant met een toestel in een keukenkast waarvan niemand weet wat het precies is. Je gaat systematisch te werk: 1. **Typeplaatje zoeken.** Merk, model, categorie en aansluitwijze staan erop. 2. **Solo of combi?** Is er een aparte boiler of geiser voor warm water, of doet dit toestel alles? 3. **Open of gesloten?** Zit er een aparte luchttoevoerleiding naar buiten, of alleen een afvoer? 4. **Condensaat aanwezig?** Een sifonaansluiting en een kunststof of RVS afvoer wijzen op HR; metaal zonder condensaat wijst op conventioneel of VR. Alleen met het typeplaatje en de handleiding erbij weet je zeker wat je voor je hebt: gokken op het oog leidt tot verkeerde aannames over veiligheid en onderhoud. **Controleer jezelf:** - Ik kan rendementsklasse, solo/combi en open/gesloten als drie losse kenmerken van elkaar onderscheiden - Ik weet dat het verschil tussen VR en HR condensatie is, niet de aanwezigheid van een ventilator - Ik zoek bij een onbekend toestel altijd eerst het typeplaatje en de handleiding op - Ik gebruik oude Gaskeur-labels (HR100, HR104) alleen als herkenningsnaam, niet als hard rendementsgetal ### Les 19.2: Atmosferische en VR-ketels URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/atmosferische-en-vr-ketels/ **Leerdoel:** Je herkent een atmosferische of VR-ketel, legt uit hoe hij zonder ventilator werkt (natuurlijke trek, trekonderbreker) en waarom hij CO-gevoelig is. #### Werken zonder ventilator Een atmosferische of VR-ketel heeft geen ventilator. De brander werkt met **natuurlijke trek**: de hete rookgassen zijn lichter dan de omgevingslucht en stijgen op, wat lucht van onderaf de brander in trekt. Dat is precies hetzelfde principe als bij een open haard, alleen dan gecontroleerd in een gesloten verbrandingskamer. Natuurlijke trek is gevoelig voor omstandigheden die je niet in de hand hebt: wind rond de schoorsteen, temperatuurverschil met de buitenlucht, en de lengte en staat van het kanaal. Daarom heeft een atmosferisch toestel een **trekonderbreker** (ook wel valwindafleider): een open verbinding tussen de opstelruimte en de rookgasafvoer, net boven de verbrandingskamer. > **De trekonderbreker ontkoppelt het toestel van de wind** > Een trekonderbreker zorgt dat de werking van het toestel wordt bepaald door de eigen thermische trek, niet door wisselende windinvloeden of een valwind in de schoorsteen. Een deel van de omgevingslucht wordt door de opening aangezogen, zodat een plotselinge terugslag van buiten niet rechtstreeks bij de brander komt. Zie ook de typeaanduiding B11 en B11BS in [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/). #### Waakvlam en thermokoppel De meeste atmosferische en VR-toestellen hebben, in plaats van elektronische ontsteking, een **waakvlam**: een klein, continu brandend vlammetje dat de grotere brander ontsteekt. De waakvlam heeft een tweede functie: hij verhit een **thermokoppel**, twee samengevoegde metalen die daardoor een kleine elektrische spanning opwekken. Die spanning houdt een elektromagnetische gasklep open. Dooft de waakvlam, dan koelt het thermokoppel af, verdwijnt de spanning en sluit de klep de gastoevoer automatisch. Dit is een simpele maar robuuste beveiliging: zonder vlam geen gastoevoer, zonder dat er elektriciteit uit het lichtnet nodig is. Bij het aansteken moet de bedieningsknop meestal circa 30 seconden ingedrukt blijven, tot het thermokoppel zelf voldoende spanning opwekt. #### Waarom meer CO-risico Een atmosferisch of VR-toestel is bijna altijd een **open toestel** (type B): het haalt zijn verbrandingslucht rechtstreeks uit de opstelruimte (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/) en [les 8.7](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbrandingslucht-en-ventilatie-afzuiging-onderdruk-en-terugslag/)). Dat maakt het gevoelig voor onderdruk in die ruimte, bijvoorbeeld door een afzuigkap, een wasdroger of mechanische ventilatie: bij te veel onderdruk kan het rookgas niet via de trekonderbreker naar buiten en komt het (deels) de ruimte in. Daar komt bij dat een ouder toestel vaker een oudere, niet meer optimale afvoer heeft, en dat de veiligheidsvoorzieningen (alleen een thermokoppel, geen elektronische bewaking van de rookgasafvoer) minder uitgebreid zijn dan bij een modern toestel. De Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeerde in 2015 dat de meeste CO-ongevallen echter met moderne en goed onderhouden installaties gebeurden, niet uitsluitend met oude toestellen (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/), WET-81): leeftijd alleen is dus geen garantie voor veiligheid, en jeugdigheid alleen is geen garantie voor gevaar. > **Terugslag bij een open toestel** > Ruik je bij een klant plotseling rookgaslucht in de opstelruimte van een atmosferisch of VR-toestel, of zie je roetsporen boven de trekonderbreker, dan is dat een teken van terugslag (spillage): rookgas dat niet via de afvoer naar buiten gaat. Stel het toestel buiten bedrijf, zoek de oorzaak (onderdruk, verstopte of beschadigde afvoer, te weinig ventilatie) voor je het weer in bedrijf stelt, en informeer de opdrachtgever. Bij twijfel: meet CO in de ruimte volgens de procedure uit [les 1.6](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/afkeuren-melden-en-aansprakelijkheid/). #### Extra controles bij een atmosferisch of VR-toestel - Controleer de trekonderbreker op corrosie, vervorming en roetsporen. - Controleer of de opstelruimte voldoende geventileerd is en of er nieuwe mechanische ventilatie of een afzuigkap is bijgekomen sinds de laatste controle. - Controleer waakvlam en thermokoppel op vervuiling en op een stabiele vlam. - Beoordeel de afvoer zoals bij elk ander toestel (zie [les 8.9](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-bestaande-afvoer-beoordelen/)): materiaal, staat, beugeling. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat natuurlijke trek is en waarom een atmosferisch toestel daar gevoelig voor is - Ik kan de werking van een trekonderbreker en van een waakvlam met thermokoppel uitleggen - Ik weet dat een atmosferisch of VR-toestel bijna altijd een open toestel is en dus gevoelig voor onderdruk - Ik herken tekenen van terugslag (roetsporen, rookgaslucht) en weet wat ik dan doe ### Les 19.3: Geisers en doorstroomtoestellen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/geisers-en-doorstroomtoestellen/ **Leerdoel:** Je herkent een gasgeiser of doorstroomtoestel, weet waarom deze toestellen historisch vaak bij CO-ongevallen betrokken waren en wat je bij aantreffen doet. #### Warm water op het moment dat je de kraan opent Een gasgeiser (doorstroomtoestel) verwarmt water alleen op het moment dat de warmwaterkraan wordt geopend: een brander slaat aan zodra er doorstroming is, en dooft weer als de kraan dicht gaat. Er is geen voorraad warm water zoals bij een boiler. Oudere geisers zijn typisch een open toestel (type B, met trekonderbreker, zie [les 19.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/atmosferische-en-vr-ketels/)) of, bij de allerouds­te modellen, een **afvoerloos toestel (type A)** dat zijn rookgas rechtstreeks in de ruimte afgeeft. #### Waarom geisers historisch zoveel CO-ongevallen gaven Volgens het RIVM is de kans op een CO-ongeval bij een geiser groter dan bij een cv-ketel. Het RIVM noemt daar zelf geen specifieke oorzaak bij. Denkbare verklaringen, die volgen uit wat je al weet over CO en ventilatie (zie [les 8.7](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbrandingslucht-en-ventilatie-afzuiging-onderdruk-en-terugslag/)) maar niet apart door het RIVM zijn bevestigd: - **Vaak in een kleinere ruimte.** Een keuken of badruimte is vaak kleiner dan een cv-ketelruimte, waardoor een lek CO-hoeveelheid zich sneller tot een gevaarlijke concentratie kan opbouwen. - **Kortstondig, herhaald gebruik.** Een geiser slaat vaak aan en uit, op het moment dat iemand in de buurt staat (afwassen, douchen). - **Vaak minder goed onderhouden en ouder.** Een geiser wordt door bewoners vaker als "gewoon een kraantje warm water" gezien dan als verbrandingstoestel dat onderhoud nodig heeft. Omdat het aantal geisers in woningen sinds ongeveer 2001 sterk is afgenomen, veroorzaken cv-ketels tegenwoordig in absolute aantallen wel meer CO-incidenten dan geisers, ook al is de kans per toestel bij een geiser groter. > **Klein, kort en onopgemerkt: een mogelijke verklaring voor het risico van een geiser** > Het RIVM stelt vast dat een geiser per toestel risicovoller is dan een cv-ketel, zonder daar zelf een oorzaak bij te geven. Een aannemelijke verklaring: hij staat vaak in een kleinere ruimte, slaat kort en herhaald aan precies op het moment dat iemand in de buurt is, en wordt door bewoners minder snel als onderhoudsplichtig verbrandingstoestel gezien. Geen van die drie punten is op zich al gevaarlijk, maar de combinatie kan dat wel zijn. > **Een geiser in een afgesloten ruimte** > Een geiser (of een ander open toestel) in een kleine, afgesloten ruimte zoals een badruimte is een van de gevaarlijkste combinaties die je kunt tegenkomen: weinig lucht, korte afstand tot de bron, en vaak weinig ventilatie. Een open verbrandingstoestel mag volgens het Bbl nooit in een toilet- of badruimte staan (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/)). Tref je dit toch aan, dan is dat een acuut aandachtspunt: adviseer directe actie (verplaatsen of vervangen) en niet alleen een CO-melder. #### Wat mag nog, en wat doe je als je een geiser aantreft Een afvoerloze keukengeiser (type A) mag in nieuwbouw niet meer worden geplaatst. In bestaande bouw is een open kook- of warmwatertoestel tot en met 15 kW per toestel in een verblijfsruimte (zoals een keuken) vrijgesteld van de plicht tot rookgasafvoer en verbrandingsluchtvoorziening, maar hij mag nooit in een toilet- of badruimte staan (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/), RGA-01, WET-54). Tref je bij een klant een geiser aan zonder CO-melder in de ruimte, dan schrijft BRL 6000-25 voor dat je CO-melders adviseert en vastlegt dat je dat hebt gedaan. Dat is iets anders dan het toestel zelf verwijderen: dat is geen wettelijke plicht, maar wel iets wat je als vakbekwaam monteur bespreekt met de klant, zeker bij een geiser in een badruimte of bij tekenen van slecht onderhoud (roet, een instabiele vlam, een verkleurde wand boven het toestel). #### Praktijkgeval Bij een renovatie tref je in de badkamer een oude keukengeiser aan die daar ooit is bijgeplaatst voor extra warm water. Er is geen CO-melder in de ruimte. - **Wat je vaststelt:** type (open, met trekonderbreker), locatie (badruimte, niet toegestaan voor een open toestel), staat van onderhoud (roetsporen boven het toestel). - **Wat je adviseert:** verplaatsen of vervangen door een toestel dat wel geschikt is voor die ruimte (bijvoorbeeld een gesloten toestel met eigen luchttoevoer), en tot die tijd een CO-melder. - **Wat je vastlegt:** je bevindingen en je advies, inclusief de reden (locatie, staat, ontbrekende melder). **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen hoe een doorstroomtoestel werkt en het verschil met een boiler benoemen - Ik kan een aannemelijke verklaring geven voor het hogere CO-risico van een geiser per toestel - Ik weet dat een open toestel nooit in een toilet- of badruimte mag staan - Ik weet wat ik doe als ik een geiser zonder CO-melder aantref ### Les 19.4: Gaskachels, convectoren en gashaarden URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/gaskachels-convectoren-en-gashaarden/ **Leerdoel:** Je kunt losse gastoestellen (kachel, convector, haard) indelen naar open of gesloten type, hun afvoer en ventilatie beoordelen en de risico's uitleggen. #### Dezelfde open/gesloten-indeling, andere toestellen Een gaskachel, een gasconvector en een gashaard zijn losse verwarmingstoestellen die niet aan een cv-installatie zijn aangesloten. Ze vallen onder dezelfde indeling die je al kent van ketels: een **open** kachel of haard heeft geen aparte luchttoevoer en gebruikt lucht uit de ruimte waarin hij staat, ook als er glas of een deurtje voor de vlammen zit. Een **gesloten** kachel of haard heeft een extra leiding naar buiten voor de verbrandingslucht. Volgens Milieu Centraal zijn gesloten kachels veiliger en hebben ze een hoger rendement dan open kachels. Een **convector** verwarmt door lucht langs een verwarmd oppervlak te laten stromen: koude lucht wordt onderaan aangezogen, warmt op, stijgt op en zakt afgekoeld weer naar de vloer (natuurlijke convectie, zonder ventilator). Een gasconvector kan net als een gaskachel open of gesloten zijn, met dezelfde risico's van onderdruk als bij een open toestel. > **Open blijft open, ook met glas ervoor** > Een decoratief venstertje of een deurtje voor de vlammen maakt een kachel niet gesloten. Gesloten betekent: een eigen luchttoevoerleiding naar buiten. Vraag bij twijfel de installatiehandleiding op, of controleer of er een leiding naar buiten loopt. #### Onderdruk: hetzelfde risico als bij een open ketel Bij een open gaskachel kan onderdruk in de ruimte, bijvoorbeeld door te weinig verse lucht of door mechanische ventilatie elders in de woning, ertoe leiden dat verbrandingsgassen niet via de afvoer naar buiten gaan maar de ruimte in komen (zie ook [les 8.7](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbrandingslucht-en-ventilatie-afzuiging-onderdruk-en-terugslag/) en [les 19.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/atmosferische-en-vr-ketels/)). Milieu Centraal noemt daarom voldoende verse lucht (een klapraam of ventilatierooster) als voorwaarde bij een open kachel, en een CO-melder als aanvullende voorzorg. #### Sfeerhaarden zonder afvoer Een gashaard zonder rookgasafvoer is qua werkingsprincipe een afvoerloos toestel (type A): alle verbrandingsproducten komen in de ruimte. Fabrikanten bieden voor dit soort haarden soms extra voorzieningen aan die een deel van de verbrandingsproducten zouden moeten omzetten, maar zulke voorzieningen vervangen geen ventilatie: elke haard zonder afvoer vraagt om voldoende luchttoevoer in de ruimte, wat er ook op de haard is aangebracht. > **Een afvoerloze sfeerhaard in een kleine of goed geïsoleerde ruimte** > Een moderne, goed geïsoleerde woning heeft weinig natuurlijke ventilatie. Een sfeerhaard zonder afvoer stookt zijn verbrandingsproducten rechtstreeks die ruimte in. Zonder voldoende ventilatie en zonder CO-melder is dat een risicovolle combinatie, vooral 's avonds als de haard lang aan blijft en de bewoners in de buurt zitten of slapen. #### Waar de grens van jouw certificering ligt Een gebouwgebonden gasinfraroodstraler (helder- of donkerstraler) valt onder dezelfde certificeringsplicht als een cv-ketel, zolang het vermogen per toestel onder de 100 kW blijft. Een losse, verplaatsbare gaskachel of terraskachel die niet aan het gebouw is verbonden valt daarbuiten: dat is geen gasverbrandingsinstallatie in de zin van het Bbl. Dat betekent niet dat zo'n toestel veilig is zonder aandacht: het betekent alleen dat het buiten jouw certificeringsplicht valt. **Controleer jezelf:** - Ik kan open en gesloten gaskachels, convectoren en haarden uit elkaar houden aan de hand van de luchttoevoer - Ik weet dat glas of een deurtje voor de vlammen een toestel niet gesloten maakt - Ik ken het onderdruk-risico bij een open gaskachel of -convector - Ik weet dat een gebouwgebonden gasinfraroodstraler wel, en een losse terraskachel niet onder de CO-certificering valt ### Les 19.5: Olie, LPG, hout en pellets: herkennen en de grens URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/olie-lpg-hout-en-pellets-herkennen-en-de-grens/ **Leerdoel:** Je herkent ketels op olie, LPG, hout of pellets, weet wat er anders is aan brandstof en rookgas en waar de grens van jouw bevoegdheid en van Vakmanschap CO ligt. #### Dezelfde chemie, andere brandstof Verbranding van stookolie en van hout of pellets verloopt volgens hetzelfde basisprincipe als aardgas: brandstof plus zuurstof geeft CO2, water en warmte, en te weinig lucht geeft CO (zie [les 4.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/volledige-verbranding-en-de-luchtbehoefte/)). De brandstof zelf verschilt wel: - **Stookolie (mazout)** is een vloeibaar mengsel van zwaardere koolwaterstoffen. Onvolledige verbranding geeft eerder roet en zwaveloxiden dan bij aardgas. - **Hout en pellets** zijn vaste biomassa. Naast CO2 en water ontstaan as en fijnstof (koolstofdeeltjes), en de verbranding is moeilijker te regelen dan bij een gas- of oliebrander. Dat betekent andere eisen aan de rookgasafvoer, andere onderhoudspunten (roet, as) en andere regelgeving dan bij aardgas. Deze cursus behandelt die techniek niet in detail: het belangrijkste is dat je weet waar jouw bevoegdheid stopt. > **BRL 6000-25 gaat alleen over gas** > De CO-certificering (BRL 6000-25, het Bewijs van Vakmanschap CO) geldt uitsluitend voor gebouwgebonden gasverbrandingstoestellen: toestellen die op gas werken. Een olieketel, een houtkachel of een pelletketel verbrandt geen gas en valt dus niet onder deze certificeringsplicht. Propaan (LPG) is wel een gas, dus een toestel op propaan valt wel onder BRL 6000-25, net als een toestel op aardgas. #### Wat wel geldt voor olie, hout en pellets Deze toestellen vallen niet buiten alle regelgeving, alleen buiten BRL 6000-25: - **Grotere stookinstallaties** (globaal vanaf 100 kW, tot 50 MW) op olie of vaste brandstof vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met een keuringsplicht door een SCIOS-gecertificeerd bedrijf. Voor een kleine olieketel in een woonhuis is in het feitenregister van deze cursus geen specifiek wettelijk keuringsregime gevonden dat vergelijkbaar is met de CO-certificering voor gas. - **Toestellen voor lokale ruimteverwarming op vaste brandstof** (zoals een houtkachel of pelletkachel) tot 50 kW moeten voldoen aan Europese Ecodesign-eisen voor rendement en emissies (fijnstof, CO, NOx). Dat is een eis aan het toestel dat op de markt komt, geen installatiecertificaat voor de monteur. - **Propaan in een bovengrondse tank** (bij een woning zonder gasaansluiting) valt onder eigen veiligheidsafstanden en voorschriften voor de opslag (PGS 19), los van de certificering van het toestel dat op die tank is aangesloten. #### Waar de grens van Vakmanschap CO ligt Het Bewijs van Vakmanschap CO en BRL 6000-25 dekken het gasverbrandingstoestel zelf en de bijbehorende rookgasafvoer en verbrandingsluchttoevoer. Ze dekken niet: gasleidingen verder het pand in, warmteafgiftesystemen (radiatoren, vloerverwarming), en toestellen op een andere brandstof dan gas. Werk aan een koudemiddelcircuit (koeltechniek, warmtepompen) vraagt sinds 29 september 2025 weer een eigen, apart certificaat voor alle koudemiddelen, ook natuurlijke zoals ammoniak, propaan of CO2: dat staat los van je CO-certificaat. Een bijzonder grensgeval is de **gasabsorptiewarmtepomp**: dit toestel combineert een condenserende gasbrander (die onder de CO-certificering valt) met een water-ammoniakcircuit als koudemiddelkring (dat onder de certificering voor koudemiddelen valt). Eén toestel, twee vakgebieden. #### Praktijkgeval Een klant met een oud vakantiehuis zonder gasaansluiting vraagt of jij, met je Bewijs van Vakmanschap CO, ook onderhoud kunt doen aan zijn olieketel en aan de propaantank waarop zijn keukenfornuis is aangesloten. - **Olieketel:** nee, dat valt buiten je certificering; verwijs naar een gespecialiseerd bedrijf. - **Propaan-keukenfornuis:** een kooktoestel valt sowieso buiten de certificeringsplicht (zie [les 8.1](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/toesteltypen-open-en-gesloten/), RGA-01), gas of niet. - **De propaantank zelf:** de opslag valt onder eigen veiligheidsvoorschriften (PGS 19), niet onder jouw certificaat. Wees hier eerlijk en concreet: "dat mag ik niet, en hier is waarom" is onderdeel van vakbekwaamheid, niet een tekortkoming. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat er chemisch anders is aan olie- en houtverbranding vergeleken met aardgas, op hoofdlijnen - Ik weet dat BRL 6000-25 alleen geldt voor gasverbrandingstoestellen, en dat propaan daarbij wel meetelt - Ik weet dat olie- en houttoestellen onder andere, niet-CO regelgeving kunnen vallen (SCIOS, Ecodesign, PGS 19) - Ik weet dat een koudemiddelcircuit (ook bij een gasabsorptiewarmtepomp) een apart certificaat vraagt, los van CO ### Les 19.6: Warmtenet, elektrische ketel en andere warmtebronnen URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/warmtenet-elektrische-ketel-en-andere-warmtebronnen/ **Leerdoel:** Je kunt een afleverset van een warmtenet en een elektrische ketel plaatsen en weet wat je er als cv-monteur wel en niet aan doet. #### Warmte zonder eigen verbranding Niet elke woning heeft een eigen verbrandingstoestel. Twee alternatieven die je steeds vaker tegenkomt: - **Een afleverset** haalt warmte uit een warmtenet (stadswarmte) via een warmtewisselaar en geeft die door aan het cv-water en het warme tapwater van de woning. Er wordt in de woning niets verbrand. - **Een elektrische cv-ketel** verwarmt het cv-water met een elektrisch verwarmingselement, ook zonder verbranding. Landelijk werd in 2025 gemiddeld 7,3% van de Nederlandse woningen verwarmd via een warmtenet; dat percentage is veel lager bij vrijstaande woningen (1,0%) en bij woningen van voor 1965 (1,4%), en veel hoger bij nieuwbouw en gestapelde bouw. Warmtenetten en elektrische ketels zijn dus nog een minderheid, maar een groeiende categorie woningen zonder gasaansluiting. > **Geen gas, dan geen BRL 6000-25** > Een afleverset en een elektrische cv-ketel verbranden geen gas. Ze vallen daarom niet onder de CO-certificeringsplicht van Bbl art. 6.45, niet onder BRL 6000-25 en niet onder je Bewijs van Vakmanschap CO. Dat betekent niet dat er geen regels zijn: het betekent dat er andere regels zijn. #### Wie mag een afleverset plaatsen Voor het plaatsen van een afleverset heeft InstallQ de erkenningsregeling Afleversets ontwikkeld, met een eigen e-learning, theorietoets (niet voor Basismonteur) en praktijkexamen. Wie slaagt, krijgt een persoonlijk Vakbekwaamheidsbewijs Afleverset, 5 jaar geldig. Deze erkenning staat los van het Bewijs van Vakmanschap CO: het is een ander vakgebied, met een eigen route. Werknemers van warmtebedrijven en aannemers die voor warmtebedrijven werken, werken bij onderhoud aan de warmte-installatie bovendien volgens sector-eigen veiligheidsvoorschriften. De precieze reikwijdte daarvan voor een gewone cv-monteur die incidenteel bij een afleverset komt, is niet in detail uitgezocht voor deze cursus: ga bij twijfel na welke afspraken het warmtebedrijf voor jouw situatie stelt. #### Elektrische ketel: wat is wel en niet jouw werk Een elektrische cv-ketel heeft geen rookgasafvoer en geen verbrandingsluchttoevoer nodig, en dus geen CO-certificering. Het aansluiten en beveiligen (aansluitpunt, aardlekbeveiliging, groepen) is wel elektrisch installatiewerk, met dezelfde regels als andere vaste elektrische installaties in een woning: dat is het werkterrein van de Cursus Elektrotechniek, niet van het Bewijs van Vakmanschap CO. Een elektrische ketel kom je in de praktijk vaker tegen als aanvulling (bijvoorbeeld bij een warmtepomp, of als piekvoorziening) dan als enige hoofdverwarming van een Nederlandse woning; harde cijfers daarover staan niet in het feitenregister van deze module, dus behandel dit als een indruk uit de praktijk en niet als een vaststaand feit. #### Wat blijft jouw vakgebied Ook bij een afleverset of elektrische ketel blijft het waterzijdige deel van de installatie (radiatoren, vloerverwarming, leidingwerk, expansievat) een vertrouwd vakgebied: dat werkt hetzelfde als bij een cv-ketel, alleen de warmtebron verschilt. Je CO-certificaat dekt het gasverbrandingstoestel zelf en de bijbehorende rookgasafvoer en verbrandingsluchttoevoer, niet de gasleidingen verder het pand in en niet de warmteafgiftesystemen: die twee laatste zijn dus altijd al, met of zonder gasketel, een ander deel van je werk. #### Praktijkgeval Een VvE schakelt over van een gemeenschappelijke gasketel naar een warmtenet met een afleverset per woning. De bewoners vragen jou, hun vaste cv-monteur, om raad. - **Wat verandert er?** Geen gasverbranding meer in de woning, dus geen CO-certificering meer nodig voor het nieuwe toestel zelf. - **Wat blijft?** De radiatoren, het leidingwerk en de vloerverwarming blijven hetzelfde vakgebied. - **Wat is nieuw voor jou?** Als je zelf afleversets wil plaatsen of onderhouden, is dat de erkenningsregeling Afleversets van InstallQ, een aparte route naast je Bewijs van Vakmanschap CO. **Controleer jezelf:** - Ik kan uitleggen wat een afleverset doet en waarom die geen gas verbrandt - Ik weet dat het plaatsen van een afleverset een eigen erkenningsregeling (Afleversets) van InstallQ vraagt, los van CO - Ik weet dat het aansluiten van een elektrische cv-ketel elektrisch installatiewerk is - Ik weet dat waterzijdig werk (radiatoren, leidingwerk) mijn vakgebied blijft, ook zonder gasketel ### Les 19.7: Een oud toestel vervangen door een HR-ketel URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-oud-toestel-vervangen-door-een-hr-ketel/ **Leerdoel:** Je kunt uitleggen wat er verandert bij het vervangen van een oud toestel (afvoer, ventilatie, ruimte, temperatuur) en welke controles je vooraf doet. #### Vijf dingen die veranderen Een oud atmosferisch of VR-toestel vervangen door een HR-ketel is meer dan "de oude eraf, de nieuwe erop". Vijf dingen veranderen mee, en je controleert ze voordat je begint. #### 1. De afvoer: van onderdruk naar overdruk Een atmosferisch of VR-toestel werkt op natuurlijke trek (onderdruk in de afvoer, warme rookgassen die opstijgen). Een HR-toestel heeft een ventilator die het rookgas met lichte overdruk door de afvoer drukt, bij een veel lagere, condenserende temperatuur. Een bouwkundig collectief kanaal met natuurlijke trek (een shunt of onderdruk-CLV) is daardoor niet zonder meer geschikt voor een HR-toestel: het drukverschil en de lagere rookgastemperatuur passen niet bij een kanaal dat voor de oude situatie is berekend (zie [les 8.8](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/collectieve-afvoer-clv-en-gestapelde-bouw/)). BRL 6000-25 eist bovendien dat het bestaande afvoersysteem bij vervanging gelijktijdig met het toestel wordt vervangen, tenzij het grondig is gecontroleerd en beoordeeld als geschikt voor een verwachte resterende levensduur van minimaal 15 jaar (zie [les 8.9](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-bestaande-afvoer-beoordelen/)). Bij een VR-toestel dat door een HR-toestel wordt vervangen, geldt in de praktijk van fabrikanten dat het afvoersysteem altijd wordt vervangen: de lagere rookgastemperatuur en de condens vragen om ander materiaal dan een oudere metalen afvoer zonder weerstandsklasse W (zie [les 8.3](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/materialen-temperatuurklassen-en-condens/)). #### 2. De opstelruimte en de ventilatie Bij verbouw gelden voor een nieuw geïnstalleerde rookgasafvoer in beginsel de nieuwbouw-prestatieniveaus, behalve als de bestaande voorziening wordt vervangen en de plaats van de uitmonding niet wijzigt: dan geldt die plaatseis niet (zie [les 8.9](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/een-bestaande-afvoer-beoordelen/)). Dat neemt niet weg dat je de ventilatie van de opstelruimte altijd beoordeelt: een oud atmosferisch toestel had minder verbrandingslucht nodig dan sommige nieuwe situaties vragen, en een nieuwe afzuigkap of mechanische ventilatie die er sinds de vorige ketel is bijgekomen, verandert het risico op onderdruk (zie [les 19.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/atmosferische-en-vr-ketels/) en [les 8.7](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/verbrandingslucht-en-ventilatie-afzuiging-onderdruk-en-terugslag/)). #### 3. De condensafvoer Een HR-toestel maakt, in tegenstelling tot het oude toestel, zuur condensaat dat moet worden afgevoerd. Dat condensaat gaat via een sifon naar de (vuilwater)riolering: de sifon houdt rioollucht en methaan uit het riool tegen. Voor een kleine woninginstallatie wordt het zure condensaat in de praktijk vermengd met het overige, meer alkalische huishoudelijke afvalwater. De exacte aansluitwijze en diameter staan in de installatiehandleiding van het nieuwe toestel: dit is bij het oude toestel niet aan de orde geweest, dus je voegt een nieuwe leiding toe die er nog niet was. #### 4. Het temperatuurregime en de afgifte Een HR-toestel heeft een lagere retourtemperatuur nodig om te kunnen condenseren dan een ouder toestel (zie [les 7.2](https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/les/lage-temperatuur-en-het-rendement-van-de-ketel/)). Oude radiatoren die voor een hoog temperatuurregime zijn ontworpen (bijvoorbeeld 90/70 °C), geven bij een lager temperatuurregime minder vermogen af. Dat betekent niet dat je de radiatoren per se moet vervangen, maar wel dat je vooraf checkt of de bestaande afgifte bij een lagere aanvoertemperatuur nog voldoende is, zeker in de koudste dagen van het jaar. #### 5. De rest van de installatie Gasaansluiting en gasdruk, bestaand leidingwerk, en of er een CLV of ander collectief systeem bij betrokken is: dit zijn geen nieuwe onderwerpen, maar wel punten die je bij een vervanging opnieuw beoordeelt in plaats van klakkeloos over te nemen van de oude situatie. > **Vervangen is beoordelen, niet aannemen** > De kern van een toestelvervanging is dat je niets van de oude situatie automatisch overneemt: niet de afvoer, niet de ventilatie, niet het temperatuurregime. Elk van die vijf punten controleer je opnieuw, ook als de oude installatie jarenlang zonder klachten heeft gedraaid. #### Praktijkgeval: checklist vooraf Bij een offerte voor een nieuwe HR-ketel ter vervanging van een 22 jaar oude VR-ketel op een individueel metalen kanaal loop je vooraf langs: 1. **Afvoer:** materiaal en staat van het bestaande kanaal; geschikt te maken voor overdruk en condens, of vervangen. 2. **Opstelruimte:** ventilatie-openingen aanwezig en niet afgesloten; geen nieuwe afzuigkap of mechanische ventilatie bijgekomen zonder dat daar rekening mee is gehouden. 3. **Condensafvoer:** een sifonaansluiting op de riolering realiseren, die er nu niet is. 4. **Temperatuurregime:** radiatoren en leidingwerk geschikt voor een lagere aanvoertemperatuur, of vooraf een afgiftecheck. 5. **Overig:** gasdruk en leidingwerk controleren, en nagaan of er een collectief systeem bij betrokken is. Alleen met deze vijf punten vooraf gecheckt, is de vervanging meer dan "de oude ketel eraf, de nieuwe erop". **Controleer jezelf:** - Ik kan de vijf dingen noemen die veranderen bij het vervangen van een oud toestel door een HR-ketel - Ik weet wanneer BRL 6000-25 vraagt om de afvoer gelijktijdig met het toestel te vervangen - Ik weet dat een HR-toestel een nieuwe condensafvoer nodig heeft die er bij het oude toestel niet was - Ik controleer bij vervanging altijd de ventilatie en het temperatuurregime opnieuw, in plaats van de oude situatie over te nemen ## Naslag cv-ketels URL: https://cv-ketels.keesvanwanrooij.nl/naslag/ ### Formules | Formule | Waarvoor | |---|---| | Q = m × c × ΔT | Warmte om water op te warmen. Water: c = 4,19 kJ/(kg K) = 1,163 Wh/(kg K), 1 liter = 1 kg (aanname, ongeveer 2 tot 3% fout bij 70 tot 80 °C) | | Debiet (l/h) = P (W) / (1,163 × ΔT) | Water dat per uur langs moet. 20 kW bij ΔT 20 K is ongeveer 860 l/h, bij ΔT 30 K ongeveer 570 l/h | | P (kW) ≈ 1,16 × debiet (m³/h) × ΔT (K) | Vermogen dat het water transporteert | | P (kW) ≈ 0,07 × debiet (l/min) × ΔT (K) | Idem, met debiet in liters per minuut. Tapwater CW4: 7,5 l/min van 10 naar 60 °C is ongeveer 26 kW | | E (kWh) = P (kW) × t (h) | Energie is vermogen maal tijd. 1 kWh = 3,6 MJ | | V (m³(n)/h) = P nuttig (kW) / (η × calorische waarde) | Gasverbruik. Hi: 8,792 kWh/m³(n), Hs: 9,769 kWh/m³(n). Rendement en waarde altijd op dezelfde basis, anders ongeveer 10% fout. η als fractie (0,893 en niet 89,3) | | Q (W) = U × A × ΔT | Transmissieverlies. U in W/(m² K), A in m², ΔT in K | | Q = Q50 × (ΔT / 50)^n | Radiatorvermogen bij een ander regime. Q50 (vermogen bij ΔT 50 K) en n geeft de fabrikant, n is gemiddeld ongeveer 1,3 en verschilt per radiator | ### Druk en eenheden | Eenheid | Gelijk aan | |---|---| | 1 bar | 100 kPa = 1000 mbar = 100.000 Pa | | 1 kPa | 10 mbar | | 1 mbar | 100 Pa | | 25 mbar | 2,5 kPa (sommige handleidingen geven gasdruk in kPa) | | 1 meter waterkolom | ongeveer 0,1 bar (precies 9810 Pa) | | 10 meter waterkolom | ongeveer 1 bar (0,98 bar) | | 1 kW | 1000 W = 3,6 MJ per uur | | 1 kWh | 3,6 MJ | | 1 K verschil | even groot als 1 °C verschil. 0 °C = 273,15 K | Vuistregel: **1 meter hoogteverschil in water geeft 0,1 bar statische druk.** ### Hs, Hi en rendement | Onderwerp | Hs (bovenwaarde) | Hi (onderwaarde) | |---|---|---| | Verbrandingswater | condenseert volledig, condensatiewarmte telt mee | blijft damp, condensatiewarmte telt niet mee | | 1 m³(n) aardgas | 35,17 MJ = 9,769 kWh | 31,65 MJ = 8,792 kWh | | Hoogste rendement | niet boven 100% | tot 1 / 0,902 = 110,9% | | Gaskeur HR-label, deellast (30% van de grootste nominale belasting) | minimaal 96,5% | 107% (HR107) | **HR107 is 107% op de onderwaarde (Hi), niet op de bovenwaarde.** Op Hs kan een ketel niet boven 100% komen. - Hi / Hs = 0,902 voor aardgas (Kiwa, G25), afgerond 0,90. Rendement op Hi = rendement op Hs / 0,902. - In Europa en in Gaskeur is het Hs-rendement de standaard, het Hi-rendement is de oude Nederlandse uitdrukking. Zie je 107% in een folder, lees dan Hi. - De energie per m³ is een gemiddelde: de werkelijke waarde verschilt per gaskwaliteit. - Condensatie begint onder het dauwpunt van het rookgas: circa 55 °C (Remeha Calenta), berekend 54 tot 56 °C bij lambda 1,2 tot 1,3. De retour moet daar onder blijven. | Remeha Avanta 24c | Rendement Hs | Rendement Hi | |---|---|---| | Vollast, 80/60 °C | 89,3% | 99,1% | | Vollast, 50/30 °C | 94,0% | 104,4% | | Laaglast, retour 60 °C | 84,9% | 94,3% | | Deellast (Gaskeur HR-methode), retour 30 °C | 97,9% | 108,7% | Voorbeeld uit de handleiding (v.13), per model verschillend. Van 30 naar 60 °C retour daalt het Hs-rendement met 13 procentpunten. ### Gasgegevens | Gas | Nominale aansluitdruk | Toegestane voordruk | |---|---|---| | G25.3 (K-groep, huisgas) | 25 mbar | 20 tot 30 mbar | | G20 (E-groep, H-gas) | 20 mbar | 17 tot 30 mbar | | G31 (propaan) | 30 tot 50 mbar | 30 tot 50 mbar | Voordruk: voorbeeld Remeha Avanta (handleiding v.13, categorie II2EK3P). Het bereik verschilt per model, lees de handleiding. **Een gewone Nederlandse woning heeft G-gas (K-groep, referentiegas G25.3) op nominaal 25 mbar.** G20 op 20 mbar is H-gas: dat hoort bij ombouw en keuring, niet bij de gangbare woningsituatie. - Referentiegassen: G25 (L-groep), G25.3 (K-groep), G20 (E-groep). Categorie II2EK3P: af fabriek afgesteld op K-gas, met ombouw of herafstelling geschikt voor E-gas (H-gas) en propaan. - G-gas bevat ongeveer 14% stikstof. Dat brandt niet, dus er zit minder energie in een m³ dan in H-gas. - Wobbe-index (Hs): G25 43,88 en G25.3 45,07 MJ/m³(n). Een lagere Wobbe-index geeft meer luchtovermaat: een op G25.3 afgesteld toestel (lambda 1,3, O2 5,2%) meet op G25 lambda 1,335 en O2 5,6%. Daar hoeft niets mis mee te zijn. Beoordeel met de waarden van de fabrikant. - Intergas Kombi Kompakt meldt voordruk te laag onder 20 mbar, ATAG i-Serie eist een dynamische voordruk hoger dan 20 mbar. - 1 m³(n) is het volume bij 0 °C (273,15 K) en 101,325 kPa. Of de m³ op de gasrekening een m³(n) is, is niet vastgesteld. - Gasmeter, maximale capaciteit: G4 6 m³/h, G6 10 m³/h, G10 16 m³/h, G16 25 m³/h, G25 40 m³/h (Enexis). G4 is de standaard huisaansluiting. **Open punten.** 25 of 30 mbar: fabrikanten en keuring noemen nominaal 25 mbar, Netbeheer Nederland noemt 30 mbar als ontwerpdruk (een huisdrukregelaar verlaagt de druk op 100-mbargebied tot 30 mbar). Bij het toestel ligt de druk in de praktijk ruwweg tussen 25 en 30 mbar. Voor de beoordeling geldt het bereik uit de handleiding van het model. Of woningen ooit naar H-gas omschakelen, is in de gebruikte bronnen niet vastgesteld: ga niet uit van een gassoort, maar vergelijk de gasgroep op het typeplaatje met de gasgroep ter plaatse (Vaillant ecoTEC plus VHR) en lees het toestelvoorschrift. ### CO en de wet | CO in de opstellingsruimte | Wat je doet | |---|---| | Onder 5 ppm | In bedrijf stellen mag, als het toestel ook naar het oordeel van de VP veilig is | | 5 tot 20 ppm | Nader onderzoek, oorzaak wegnemen voor je (opnieuw) in bedrijf stelt, melden aan de opdrachtgever | | Boven 20 ppm | Wettelijke meldplicht (art. 6.46 Bbl) | **Meten:** voor de werkzaamheden, op ongeveer 1,7 m hoogte en ongeveer 1 m van het toestel. De waarde op het meetinstrument is leidend. Gebruik een instrument met passende uitlezing, bij voorkeur een persoonlijke veiligheidsmeter: een rookgasmeter is voor ruimte-CO alleen indicatief. **20 ppm** is de wettelijke meldgrens (Omgevingsregeling art. 5.52). **5 ppm** is de grens uit het schema (BRL 6000-25) voor in bedrijf stellen. Melden, onverwijld, aan vier partijen: 1. de bewoner of gebruiker 2. de eigenaar 3. het bevoegd gezag (de gemeente) 4. de certificerende instelling De melding bevat minstens de gemeten concentratie en een beschrijving van de ruimte. Sinds 1 april 2026 kan de melding ook via het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De wet (Bbl art. 6.46) is leidend: de BRL is niet helemaal eenduidig over volgorde en vorm van de melding. Komen er bij gebruik ontoelaatbare hoeveelheden CO vrij, dan stel je het toestel buiten bedrijf en stel je het niet in bedrijf. Een toestel uit bedrijf nemen of niet in bedrijf stellen vanwege veiligheidsrisico's is voorbehouden aan een VP. **CO in het rookgas.** Zonder een maximale waarde van de fabrikant geldt bij een goed afgesteld toestel: | Toesteltype | Grens | |---|---| | Open, afvoerloos (A) | 50 ppm | | Open, afvoergebonden (B) | 200 ppm | | Gesloten (C) | 400 ppm | Een fabrikantgrens is meestal strenger en gaat voor (Intergas bijvoorbeeld 160 ppm, Remeha Avanta Ace onder 250 ppm, per model verschillend). Ook hier is de op het meetinstrument aangegeven waarde leidend, dat zegt BRL 6000-25 letterlijk. Of deze grenzen luchtvrij zijn (gecorrigeerd voor zuurstofovermaat) of zoals afgelezen, zegt geen van de wettekst, BRL 6000-25 of BRL K25000 met zoveel woorden. De letterlijke tekst wijst op zoals afgelezen: geen correctiestap in het meetprotocol, en de aflezing zelf is leidend. Behandel dat als een voorzichtige conclusie, geen vaststaand feit. Zie de kaart 'CO luchtvrij (rekenmethode)'. **Let op:** er is een wijziging van de meldplicht voorgenomen (melden aan het bevoegd gezag alleen als het risico niet direct is weggenomen, met vermelding van de oorzaak). Tot die in werking treedt geldt art. 6.46 zoals hierboven. Controleer de actuele tekst. > **Bij een CO-alarm of acuut gevaar: 112** > Waarschuw iedereen, ga direct naar buiten en bel 112. Bij een ernstig vergiftigde bewoner bel je altijd 112. ### CO-melder (NEN-EN 50291) | CO-concentratie | Wat de melder moet doen | |---|---| | 30 ppm | 120 minuten geen alarm | | 50 ppm | Alarm na minimaal 60 en uiterlijk 90 minuten | | 100 ppm | Alarm na minimaal 10 en uiterlijk 40 minuten | | 300 ppm | Alarm binnen 3 minuten | Weergave van de norm door de Gezondheidsraad (uitgave 2010/A1:2012). De actuele EN 50291-1:2018 is niet zelf ingezien. **Een stille melder is geen bewijs dat de ruimte veilig is.** Bij 30 ppm mag een melder twee uur zwijgen. NEN-EN 50291 is geen wet: de NVWA toetst melders eraan. Melders op de Nederlandse markt alarmeren pas vanaf circa 50 ppm, de gevoeligste tonen vanaf 10 ppm een waarde op het display (stand 2019). Meet zelf met je eigen instrument. - Brandweer Nederland: koop alleen een melder met NEN-EN 50291 op de verpakking. - Plaatsing: in de ruimte met het toestel aan het plafond, in andere ruimtes op ademhoogte (Brandweer, onderzoek 2021). - Bij toestellen op een CLV noemt de BRL een melder binnen 2 m van de toestellen. - BRL 6000-25: je adviseert een melder bij een open of afvoerloos toestel zonder melder en bij een CLV zonder geschiktheidsverklaring. Twijfel je aan de kwaliteit van de rookgasafvoer, adviseer dan ook nader onderzoek. - Je adviseert en legt vast of je hebt geadviseerd (ja of nee). Plaatsen hoef je niet. ### CO luchtvrij (rekenmethode) **CO luchtvrij = CO gemeten × 21 / (21 - O2)** O2 in % van het droge rookgas. In de VS rekent men met 20,9 in plaats van 21 (verschil kleiner dan 1%). | Meting | Luchtvrij | |---|---| | 100 ppm CO bij 4,0% O2 | 100 × 21 / 17 = 123,5 ppm | | 50 ppm CO bij 6,0% O2 | 50 × 21 / 15 = 70 ppm | Voorbeeldgetallen, geen meetgegevens. - Bij Testo is CO onverdund de luchtvrije waarde. - De factor 21 / (21 - O2) is gelijk aan CO2max / CO2 (binnen 0,3%) en niet exact gelijk aan lambda: bij G25 en 4,0% O2 is de factor 1,235 en lambda 1,215. - Ruimte-CO beoordeel je altijd zoals afgelezen. Op omgevingslucht (O2 circa 20,9%) is de formule zinloos. - Schakel de analyser pas in nadat is vastgesteld dat er geen CO in de ruimte is (Kiwa BRL K25000, bijlage V). - Bij een open afvoergebonden toestel meet je in de trekonderbreker voor de luchtbijmenging, anders is het monster verdund (Kiwa BRL K25000, bijlage V). - Sonde in de kernstroom (midden van de rookgaspijp) en het meetpunt afdichten, anders verdunning met lucht. Een te hoge O2-waarde kan wijzen op een lek in het meetsysteem. **Luchtvrij is een rekenmethode, geen wettelijke beoordeling.** Of de wettelijke CO-grenzen in het rookgas luchtvrij zijn of zoals afgelezen, is niet vastgesteld: de Omgevingsregeling en de schema's zeggen het niet, BRL 6000-25 zegt dat de waarde op het instrument leidend is en de gelezen handleidingen van Intergas en Remeha vermelden het niet. Gebruik de omrekening om metingen bij verschillende luchtovermaat te vergelijken. Twijfel je, vraag dan je certificerende instelling of docent. ### Toesteltypen A, B en C Eerste letter: hoe lucht en rookgas worden geleid. Eerste cijfer: hoe de uitmonding of het afvoersysteem is opgebouwd. Laatste cijfer: waar de ventilator zit. | Aanduiding | Betekenis | |---|---| | A | Niet bedoeld voor een afvoer naar buiten: de verbrandingsproducten komen in de ruimte (bijvoorbeeld een afvoerloze keukengeiser) | | B (open toestel) | Lucht rechtstreeks uit de opstelruimte, afvoer naar buiten | | C (gesloten toestel) | Het hele verbrandingscircuit (luchttoevoer, verbrandingskamer, warmtewisselaar, afvoer) is afgesloten van de opstelruimte | | Laatste cijfer 1 | Natuurlijke trek, geen ventilator | | Laatste cijfer 2 | Ventilator in de rookgasstroom (na verbrandingskamer en warmtewisselaar) | | Laatste cijfer 3 | Ventilator in de luchttoevoer (voor verbrandingskamer en warmtewisselaar). Moderne Nederlandse HR-toestellen eindigen op 3 | | Laatste cijfer 4 | Alleen type B met trekonderbreker: ventilator na verbrandingskamer en trekonderbreker | | B1 en B4 | Met trekonderbreker. B2, B3 en B5: zonder trekonderbreker | | B11 | Open toestel met trekonderbreker en natuurlijke trek. B11BS: met een bewaking die reageert op blokkade van het afvoersysteem | | B23 | Open toestel zonder trekonderbreker, ventilator voor de verbrandingskamer. B23P: voor een afvoer die onder overdruk werkt | Een open toestel mag niet in een toilet- of badruimte staan (Bbl art. 4.135 lid 2 nieuwbouw, art. 3.75 lid 2 bestaande bouw). Bron voor de typedefinities: CEN/TR 1749:2014. De actuele NEN-EN 1749:2020 is een indelingsschema, geen installatie- of productnorm, en is niet zelf gelezen. Nederlandse uitleg: NPR 3378-80:2023. ### Aansluitwijzen C13 tot C93 | Type | Kenmerk | |---|---| | C13 | Horizontale (gevel) uitmonding. Lucht en rookgas concentrisch of dicht bij elkaar, onder gelijke winddruk. Ventilator in de luchttoevoer | | C33 | Verticale (dak) uitmonding. Lucht en rookgas concentrisch of dicht bij elkaar, in hetzelfde drukgebied. Ventilator in de luchttoevoer | | C43 | Aansluiting op een gemeenschappelijk CLV-systeem met twee kanalen (lucht en rookgas) dat bij het gebouw hoort. Geen gedeelde schoorsteen | | C53 | Afzonderlijke leidingen en uitmondingen voor lucht en rookgas, in verschillende drukgebieden toegestaan. Fabrikanteis (Nefit): niet op tegenover elkaar liggende gevels | | C63 | Toestel zonder afvoermateriaal geleverd, bedoeld voor een apart goedgekeurd systeem. Eisen per fabrikant, bijvoorbeeld maximaal 10% recirculatie (Remeha Calora Tower 35S) | | C83 | Half CLV: gemeenschappelijk rookgaskanaal met natuurlijke trek, lucht individueel van buiten het gebouw | | C93 | Rookgas naar een verticale uitmonding, lucht uit een bestaand verticaal kanaal (schacht) in het gebouw | | C(10)3 | Overdruk-CLV: de druk in het gemeenschappelijke rookgaskanaal mag hoger worden dan in het luchtkanaal. Ventilator in de luchttoevoer. Kanalen concentrisch met CE-markering, zonder trekonderbreker (Rogafa/VFK) | **C33 is niet C53.** C33 ligt in hetzelfde drukgebied, C53 mag in verschillende drukgebieden uitmonden. "C33 is gescheiden door dak of gevel" is een veelgemaakte fout. **C4 is geen gedeelde schoorsteen:** het is het CLV-systeem dat bij het gebouw hoort en niet bij het toestel. CLV: vervang een toestel op een CLV alleen door exact hetzelfde type (BRL 6000-25, bijlage 5). Of een HR-toestel op een onderdruk-CLV (C4) mag, laten de bronnen niet eenduidig zien: volg de fabrikant en de les over CLV. ### Afvoer: uitmonding en montage **Uitmonding volgens het Bbl:** nieuwbouw, en bij verbouw voor een nieuw geïnstalleerde afvoer (niet bij vervanging waarbij de plaats van de uitmonding niet wijzigt) | Onderwerp | Waarde | |---|---| | Uitmonding niet boven het dakvlak: afstand tot de perceelsgrens, langszij gemeten | minimaal 1 m | | Idem, loodrecht gemeten | minimaal 2 m | | Uitmonding boven een constructieonderdeel of aansluitend terrein | minimaal 0,3 m boven de bovenzijde | | Verdunningsfactor rookgas gasgestookt toestel (NEN 2757), bij de instroomopening van een voorziening voor luchtverversing | niet groter dan 0,01 | | Instroomopening verbrandingslucht: afstand tot de perceelsgrens loodrecht (niet voor een opening in een dak) | minimaal 2 m | | Luchtsnelheid in de leefzone door toevoer van verbrandingslucht (NEN 1087) | niet groter dan 0,2 m/s | Grenst het perceel aan een openbare weg, water of groen, dan meet je tot het hart daarvan. Hinder- en verdunningsafstanden staan in NPR 3378-60 en bij de fabrikant. Ze staan hier niet. **Monteren** (Rogafa, Ubbink: per fabrikant en per systeem verschillend) | Onderwerp | Voorschrift | |---|---| | Afschot horizontaal | 3 graden, minimaal 50 mm per meter, naar het toestel | | Beugelafstand | horizontaal maximaal 1 m, verticaal maximaal 2 m | | Eerste beugel | maximaal 0,5 m van het toestel | | Insteeklengte moffen en spie-einden | minimaal 40 mm na montage | | Kunststof luchttoevoer naast metalen rookgasleiding | minimaal 35 mm afstand | - Kunststof afvoer is bedoeld voor rookgas tot maximaal 120 °C (T120). - Niet kitten, schuimen of plakken. Steekverbindingen met afdichtring. - Afdichtring alleen insmeren met het voorgeschreven middel, water of maximaal 1% zeepoplossing, nooit met vet, vaseline of olie. - Materialen of fabricaten niet mengen, behalve waar de fabrikant het toestaat. - Het Bbl geeft geen voorschriften voor afschot, beugelafstand of insteekdiepte. Volg het voorschrift van de fabrikant van het afvoersysteem en van het toestel. **Recirculatie in een concentrisch systeem:** meet met gesloten mantel (tenzij het onderhoudsvoorschrift anders zegt) CO2 op het meetpunt van de verbrandingsluchttoevoer. Een goed systeem geeft de buitenluchtwaarde. Tot circa 1% CO2 is door windinvloed toelaatbaar. Veel hogere waarden wijzen op interne lekkage: nader onderzoek. **Vervangen:** bij vervanging van een afvoergebonden toestel vervang je het bestaande rookgasafvoersysteem gelijktijdig. Het mag alleen blijven als het grondig is gecontroleerd en goed bleek: een resterende levensduur van minimaal 15 jaar wordt verwacht (BRL 6000-25). ### Normen: wat regelt wat | Norm | Wat ze regelt | |---|---| | NEN 1078 (nieuwbouw), NEN 8078 (bestaande bouw) | Gasvoorziening (het gasleidingwerk) met een werkdruk tot en met 500 mbar. Niet de rookgasafvoer en niet de opstellingsruimte | | NEN 2757 (nieuwbouw), NEN 8757 (bestaande bouw) | Bepalingsmethode van de rookgasafvoer: capaciteit, stromingsrichting, verdunningsfactor, rookdoorlatendheid. NEN 2757-1 tot en met 130 kW bovenwaarde, NEN 2757-2 daarboven | | NEN 1087 (nieuwbouw), NEN 8087 (bestaande bouw) | Bepalingsmethode ventilatie, dus ook de toevoer van verbrandingslucht | | NEN 6062 (nieuwbouw), NEN 8062 (bestaande bouw) | Brandveiligheid van rookgasafvoervoorzieningen | | NPR 3378 | Praktijkrichtlijn, geen wet: het Bbl verwijst er niet naar, de BRL 6000-25 wel. Leidraad bij NEN 1078, NEN 2757 en NEN 8757 | | NEN 1006 | Leidingwaterinstallaties (drinkwater). Niet gas | | NEN 1010 | Elektrische laagspanningsinstallaties. Niet gas | | NEN 2767 | Conditiemeting van gebouwen en installatiedelen. Geen gas- of rookgasnorm | | NEN-EN 1749 | Indeling van toestellen (A, B, C) naar toevoer van lucht en afvoer van rookgas. Geen installatie- of productnorm | | NEN-EN 50291 | CO-melders. Geen wet, de NVWA toetst melders eraan | | NEN-EN 50379-2 | Meetapparatuur voor CO, O2 en rookgastemperatuur, verschildruk en trek (eis van de BRL 6000-25) | | NEN-EN 14471, 1856 en 13384 | Productnormen afvoer: 14471 kunststof binnenbuis, 1856 metaal. 13384 is de berekeningsmethode | **NPR 3378 in delen:** -1 sterkte en dichtheid van gasleiding en gasinstallatie, -22 opstelling van gastoestellen, -40 CLV onderdruk, -41 half CLV onderdruk, -45 vervangen van toestellen en werken aan afvoer, -46 condenserend type C, -47 type B, -48 renovatie CLV, -60 uitmondingen, -80 toestelaanduidingen. **Opstellingsruimte:** in nieuwbouw Bbl art. 4.176 en 4.177 (opstelplaats verwarmings- en warmwatertoestel), zonder vaste maten. De opstelling van gastoestellen staat in NPR 3378-22. Niet in NEN 1078 of NEN 8078. **Welke uitgave geldt:** wettelijk geldt de uitgave die bijlage II van de Omgevingsregeling aanwijst, niet automatisch de nieuwste van NEN. Voorbeeld (stand september 2026): aangewezen is NEN 8757:2005, terwijl NEN 8757:2025 is uitgegeven. ### Expansievat en druk | Onderwerp | Waarde | |---|---| | Uitzetting water van 10 naar 80 °C | ongeveer 3% (100 liter geeft ongeveer 3 liter), Flamco | | Volumevermeerdering ten opzichte van 4 °C | 80 °C: 2,82%, 90 °C: 3,47% (Flamco) | | Statische druk | 1 meter waterkolom = 0,1 bar | | Voordruk P0 | P_ST + P_D + P_Z (+ P_pomp), Flamco op basis van EN 12828. P_ST = 0,1 bar per meter tussen het aansluitpunt van het vat en het hoogste punt, P_Z minstens 0,2 bar. Naar boven afronden op een veelvoud van 0,5 bar | | Vuldruk koud | P0 + 0,3 bar (Flamco, EN 12828), met een vuldruktolerantie van minimaal 0,25 bar. Vaillant: minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het vat | | Nuttig effect en brutoinhoud | G = (Pe - P0) / Pe en V_bruto = (Ve + Vwr) / G, met absolute drukken (overdruk plus ongeveer 1 bar) | | Waterreserve Vwr | Flamco: 0,5% van de inhoud, minimaal 3 liter, in de praktijk minstens 6 liter | | Veiligheidsventiel woninginstallatie | opent meestal bij 3 bar. Flamco: maximale einddruk minstens 10% onder de openingsdruk, dus 2,7 bar bij 3 bar | **Voordruk meten:** laat de installatie afkoelen en maak hem drukloos (het water kan heet zijn). Meet op het stikstofvulventiel, in onbelaste toestand (vat afgesloten van de waterzijde, dus zonder waterdruk op het membraan) en bij omgevingstemperatuur. - Voorbeeld voordruk: hoogste punt 6 m boven het vat geeft 0,6 + 0,2 = 0,8 bar, afgerond 1,0 bar. Vuldruk dan 1,0 + 0,3 = 1,3 bar. - Voorbeeld vat: 100 liter, Ve = 3 liter, voordruk 1,0 bar en einddruk 2,7 bar (overdruk) is P0 = 2,0 en Pe = 3,7 bar absoluut. G = 0,46 en V_bruto = (3 + 6) / 0,46 = 19,6 liter: kies het eerstvolgende vat uit de reeks van de fabrikant (bijvoorbeeld 24 liter). - Druk loopt te snel op: te veel water of te hoge vuldruk. Het ventiel blaast onnodig af en de ketel kan in storing vallen. - Druk valt weg: te weinig water. Het vat staat na afkoelen droog, er kunnen onderdruk en luchtproblemen ontstaan en de pomp kan cavitereren. | Model (voorbeeld) | Waterdruk volgens de handleiding | |---|---| | Remeha Calenta | minimaal 0,8 bar (daaronder verschijnt een symbool), geadviseerde vuldruk 1,5 tot 2 bar, maximaal 3,0 bar | | Remeha Tzerra Ace | minimaal 0,8 bar, geadviseerd 1,5 tot 2 bar, bijvullen tot 2 bar en na ontluchten opnieuw controleren | | Vaillant ecoTEC plus VHR | bedrijfsvuldruk 1,0 tot 2,0 bar, minimaal 0,80 bar houden, vuldruk minstens 0,2 bar boven de tegendruk van het vat | | ATAG i-Serie | voordruk vat 0,5 bar bij 5 m, 1,0 bar bij 10 m en 1,5 bar bij 15 m installatiehoogte boven het vat. Code 117 bij een druk boven 3 bar | | Intergas Kombi Kompakt HRE | overstortventiel van 3 bar in de aanvoerleiding, op maximaal 500 mm van het toestel | Voordruk en vuldruk verschillen per fabrikant en per berekening: volg de handleiding van het toestel en van het vat. > **Veiligheidsventiel** > Tussen het toestel en het veiligheidsventiel mag geen afsluiter of vernauwing zitten (voorschrift Intergas Kombi Kompakt HRE, ventiel op maximaal 500 mm van het toestel). Een afblazend ventiel betekent dat de druk tot ongeveer 3 bar is gekomen: zoek de oorzaak. ### Waterkwaliteit: pH-vensters **Er is geen algemeen pH-venster voor cv-water.** Dit zijn voorbeelden per model, geen algemene waarden. Dezelfde pH kan goed zijn voor het ene model en te laag voor het andere: pH 7,2 is goed voor een Remeha Calenta en te laag voor een Vaillant ecoTEC plus VHR. | Model (voorbeeld) | Eisen uit de handleiding | |---|---| | Remeha Calenta | pH 7 tot 9 (onbehandeld) of 7 tot 8,5 (behandeld). Hardheid 0,5 tot 20,0 dH, afhankelijk van het totaal opgestelde vermogen. Geen chemische middelen zonder overleg met Remeha | | ATAG i-Serie | pH 6,0 tot 8,5. Geleidbaarheid maximaal 2500 µS/cm bij 20 °C, ijzer maximaal 0,2 ppm, hardheid 1 tot 12 dH (onder 20 l/kW) of 1 tot 7 dH (vanaf 20 l/kW). Geen grondwater, demi-water of gedestilleerd water | | Vaillant ecoTEC plus VHR | pH 8,2 tot 10,0, gemeten in afgetapt water bij 25 °C. Daarbuiten reinigen en conditioneren. Hardheid van vul- en bijvulwater meten | | Nefit ProLine NxT | pH 7,0 tot 9,5 (oude uitgave, 2014) | - Bijvullen: ATAG noemt meer dan 5% per jaar een structureel probleem, want vers water brengt zuurstof en kalk in het systeem. - Spoelen voor het aansluiten: Remeha eist voor de Calenta Ace minimaal 3 keer de systeeminhoud. - Volgorde: spoelen, vullen met geschikt water (radiatorkranen open), ontluchten, druk opnieuw controleren. - Het voorschrift van de fabrikant bepaalt. Voeg zonder voorschrift geen chemische middelen toe. ### Vakmanschap CO in een oogopslag | Profiel | Niveau | |---|---| | Monteur Service & Onderhoud | 2 | | Eerste Monteur Service & Onderhoud | 3 | | Monteur Werktuigkundige Installatie | 2 | | Eerste Monteur Werktuigkundige Installatie | 3 | | Monteur Werktuigkundige Installatie & Service en Onderhoud | 2 | | Eerste Monteur Werktuigkundige Installatie & Service en Onderhoud | 3 | - Het Bewijs van Vakmanschap CO is persoonsgebonden en **5 jaar geldig**. Wie namens een certificaathouder een toestel in bedrijf stelt, moet het hebben (minimaal VP-niveau). - Na het slagen staat het binnen twee weken in de Vakpaspoort-app. De geldigheid is te controleren in het Centraal Register Techniek. - Service en onderhoud: controleren en onderhouden, beproeven, in bedrijf stellen. Installatie: nieuwe toestellen installeren, rookgasafvoer aanleggen, beproeven, in bedrijf stellen. De eerste monteur controleert ook werk van anderen en beheert gasinstallaties (service, inclusief CLV) of ontwerpt en legt rookgasafvoer aan in gestapelde bouw (installatie). - Een zzp'er kiest altijd een eerste-monteurprofiel, want de zzp'er is eindverantwoordelijk. - Route: profielkeuze, voorbereiding (gratis zelftest, onbeperkt te herhalen), aanmelden en betalen, theorietoets, praktijkexamen (alleen na een gehaalde theorietoets), registratie in het Vakpaspoort. - **Cesuur theorietoets: 70%.** Dat staat in de toetsmatrijs van 15 juli 2019. Of die matrijs nog ongewijzigd wordt gebruikt, is niet bevestigd: vraag het bij je opleider of de helpdesk van Vakmanschap Techniek. **Verlengen:** - Kan vanaf 6 maanden voor de einddatum. - Eerst de verplichte online module Basiskennis Opfrisser, daarna een theorietoets van maximaal 120 minuten bij een geaccrediteerde examenorganisatie. Er is geen praktijkexamen. - Bij een voldoende wordt het bewijs automatisch 5 jaar verlengd. **Na de vervaldatum is het bewijs niet meer geldig.** Je mag dan geen werk meer doen waarvoor het bewijs vereist is. Wie te laat is, moet het volledige initiële traject (theorietoets en praktijkexamen) opnieuw doen. Zet je einddatum in je agenda. **Wie mag wat (BRL 6000-25):** - Alleen een VP (Vakbekwaam Persoon) mag in bedrijf stellen, groot onderhoud doen (brander, warmtewisselaar) en een toestel uit bedrijf nemen of niet in bedrijf stellen vanwege veiligheidsrisico's. - Een VOP (Voldoende Onderricht Persoon) doet de overige taken onder toezicht van een VP. - Een instromer mag maximaal 3 jaar zonder Bewijs als VOP werken, onder toezicht van een VP niveau 3. - Het bedrijf heeft daarnaast een eigen certificaat: maximaal 3 jaar geldig, tot 100 kW nominaal vermogen. Deze cursus is een voorbereiding. Hij geeft geen diploma en geen Bewijs van Vakmanschap CO.